Holla geeft geen persoonlijke draai aan Lulu

Lulu, naar Frank Wedekind. Tekst en regie: Karina Holla. In: Frascati, A'dam t/m 25 november. Tournee...

MARIAN BUIJS

Karina Holla is een eigenzinnig theatermaakster. Van origine mimespeelster, houdt ze meer van het grote gebaar en de zichtbare emotie, dan van devote verstilling. Haar produkties zijn fysiek, expressief, een beetje grotesk en dikwijls geïnspireerd op het Duitse theater uit de jaren twintig en dertig. Vol zwier en brutaliteit, maar met een ondertoon van naderend onheil.

In die fascinatie past Lulu van Frank Wedekind uit 1910. Het indertijd opzienbarende stuk, waarin de schrijver ons de levensloop toont van een straatmadelief die in haar pure staat op mannen als een magneet werkt. Lulu is een oervrouw, de belichaming van de erotiek, een vrouw op wie ieder zijn verlangens kan projekteren.

Zo'n vrouw is ze ook bij Holla, maar nu wel eentje die haar talenten beheerst. Niet het spontane, kinderlijke wezen dat er niets aan kan doen dat iedereen op haar valt. Deze Lulu (Jeanette Huizinga) is een potige dame die in haar geroutineerde, verleidelijke bewegingen laat zien dat ze maar al te goed weet hoe onweerstaanbaar ze is.

De lijvige tekst van Wedekind is voor Holla louter uitgangspunt. De hele geschiedenis van Lulu, hoe ze opklimt, op haar 22 ste al tweemaal weduwe is en ellendig aan haar eind komt, heeft zij teruggebracht tot een samenvatting. We horen in telegramstijl wat er is gebeurd en Holla zelf spreekt die verbindende tekst tussen de beeldende scènes in de gedaante van een circusdirecteur.

In rokkostuum, met zwarte bolhoed en een vilein trekje om haar mond leidt ze elk fragment in, vuurt ze haar spelers aan, laat hun kreten horen, als waren het wilde dieren. Het decor van een reusachtige kooi met daarachter versleten gordijnen, heeft de sfeer van een circus waarin het verval op de loer ligt.

Dansend en springend zitten de spelers elkaar op de huid, maar ze vieren ook energiek en feestelijk de liefde. Lulu danst, het drietal reikt hunkerend naar het object van hun begeerte. Haar achtervolgers laten geen oog van haar af. De oude Schön, Lulu's beschermer, zijn zoon Alwa en ook de lesbienne Geschwitz, allemaal zien ze in haar wat ze willen zien.

Lulu is een onafhankelijke vrouw die weet wat ze wil. Holla laat haar herhaaldelijk over een evenwichtsbalk lopen, waarbij ze niet alleen uittorent boven haar omgeving, maar ook voortdurend in balans blijft. Maar zodra ze afstevent op haar ondergang en haar bewonderaars daarin meetrekt, maakt het plezier plaats voor wanhoop.

Onder alle vitaliteit schuilt af en toe een knipoog. Als Schön sterft, wringt hij zich zolang in allerlei bochten dat zijn dood uitgroeit tot een grotesk nummer. De spelers eindigen in een badkuip, als opmaat voor hun dood. Een van hen grijpt een mes en maakt een eind aan hun lijden. 'Er is niet eens een handdoek', zegt de moordenaar als hij zijn handen afspoelt.

Ondanks zwakke plekken heeft het fysieke spel aanvankelijk een zekere bekoring. Maar zodra de scènes steeds meer dialogen bevatten, gaat het mis. Op dat moment wordt het quasi-toneel en daar zijn de spelers niet tegen opgewassen, terwijl ook de bewerking dan niet meer blijkt te zijn dan een fletse schaduw van het origineel.

Holla's kracht ligt in haar beeldend talent, haar teksten blijven daar ver bij achter. Ditmaal is ze er niet in geslaagd zo'n persoonlijke draai te geven aan het bestaande verhaal dat ze een uur lang kan boeien. Meer dan een aanzet tot wat ooit een voorstelling zou kunnen worden, is Lulu niet geworden. Daarvoor is het resultaat te fragmentarisch en te mager.

Marian Buijs

Meer over