Hoeveel uitleg kan dit universum bevatten?

Het mag dan misschien niet helemaal meevallen om dag in dag uit Stephen Hawking te zijn, de verlamde theoretisch fysicus met cultstatus uit Cambridge....

Martijn van Calmthout

Sir Martin Rees, de Britse astronomer royal die ook al in Cambridge doceert, is zeker een vooraanstaand, productief en veel geciteerd wetenschapper. Bovendien is hij is een onvermoeibaar popularisator van zijn vak, een man die vrijwel permanent de wereld over reist om lezingen te geven over de jongste ontwikkelingen en inzichten. Wie hem wel eens zag spreken, weet: een gesoigneerde Engelse professor die hecht aan precisie en die zo te zien niet snel uit de plooi raakt. Maar geen Hawking.

Diezelfde emotie blijft de lezer parten spelen bij het jongste boek van Rees: Our Cosmic Habitat, dat zojuist onder de klunzige titel De Kosmos Onze Wereld in vertaling is verschenen. Het boek behandelt ongeveer alles wat de hedendaagse astronomie denkt te weten over de evolutie en bouw van het heelal. En vooral ook de Grote Vragen, waarvoor sterrenkundigen en kosmologen zich gesteld zien. Waarom zijn wij hier? Waarom heeft het heelal precies de eigenschappen die ons bestaan mogelijk maken? Zijn we uniek?

Stuk voor stuk zijn dat intrigerende kwesties, die Rees soepel, nauwgezet en zonder veel fratsen behandelt. Tal van kosmische parameters, zo laat hij zien, lijken samen te spannen opdat er ergens een planeet op de juiste afstand lang genoeg om een ster kan draaien om leven te ontwikkelen. Dat dit er voor óns zo uitziet, is niet echt gek, schrijft hij, omdat in een anders ingericht universum er niemand is om het vast te stellen. Het antropische principe heet dat.

Waar Rees vooral mee omhoog lijkt te zitten, is de logische vervolgvraag: is deze kosmische finetuning dan toeval, of kan er eventueel zelfs de hand van God in worden gezien? Volgens Rees geen van beide. De afstemming is hem te toevallig om acceptabel te zijn, maar God gaat hem duidelijk ook te ver, al formuleert hij het in buitengewoon beleefde termen.

Volgens Rees is wat astronomen het universum noemen, het zichtbare heelal en al het verdere dat vijftien miljard jaar geleden in de oerknal is ontstaan, niet het hele verhaal. Hij speculeert dat ons heelal onderdeel is van een hele kudde universa, misschien wel oneindig veel, waar omstandigheden en zelfs natuurwetten heel anders kunnen zijn dan bij ons. Dat maakt het toeval van ons bewoonbare heelal kleiner en tegelijk de mensheid minder uitzonderlijk dan zij nu lijkt.

Die boodschap is, in elk geval van Rees, geen nieuwe. Niet alleen loopt elke lezing die hij geeft, er al jaren met meer of minder omwegen op uit. Maar bovendien was het de strekking van de vier eerdere boeken van zijn hand. Wie ze op een rij legt, doet zelfs een onthutsende ontdekking: hele alinea's in De Kosmos Onze Wereld zijn letterlijk overgenomen uit zijn vorige boek, Zes Getallen. De Koninklijke astronoom lijkt een beetje te zijn uitgepraat en probeert met knippen en plakken de aandacht nog even vast te houden. Dat het nieuwe boek warriger is opgezet en abominabel vertaald, strekt daarbij niet echt tot aanbeveling.

Misschien moet de conclusie luiden dat zelfs een oneindig multiversum niet groot genoeg is om oneindig veel boeken over te schrijven. Veel recycling vindt de lezer bijvoorbeeld ook in de bundel The Future of Spacetime, een verzameling van lezingen die op 3 juni 2000 in Pasadena, Californië, werden gehouden ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van Kip Thorne, een van de kopstukken op het gebied van ruimte en tijd.

Door de slim gekozen volgorde van de namen op het omslag zal het als een boek van Stephen Hawking in boekhandel en bibliotheek komen te staan. Erg terecht lijkt dat niet. Hawking heeft het voor de zoveelste keer over de problemen met oorzaken en gevolgen als reizen in de tijd mogelijk zou zijn ('waar zijn de toeristen uit de toekomst?'). Thorne doet nog eens uit de doeken hoe rillingen in ruimte en tijd kunnen ontstaan en op aarde worden gemeten.

Oude koek voor insiders, die elders door dezelfde auteurs fraaier is behandeld en die alleen al daarom nauwelijks een serieuze gebonden editie verdient. Dan zijn de bijdragen van journalist Timothy Ferris, over het script voor een - nooit gemaakte - Einstein-film dat hij ooit voor Disney schreef, en van romanschrijver en fysicus Alan Lightman over de rol van intuïtie in literatuur en wetenschap, nog lezenswaardiger.

Het lijkt erop dat ook uitgever W. W. Norton wat omhoog zat met dit vriendenboek voor de Grote Thorne. Om er nog iets van te maken kreeg theoreticus Richard Price van de universiteit van Utah de aanvullende opdracht een inleiding voor het grote publiek te schrijven over Einsteins algemene relativiteitstheorie, het decor waartegen Thorne en consorten hun abstracte kunsten vertonen.

Dat, nu, blijkt een gouden greep. Wie in kort bestek zijn Einstein nog eens wil opfrissen zonder echt in de formules te duiken, heeft aan de eerste veertig bladzijden van dit verder overbodige boek een heuse aanrader. Ook al staat er geen woord nieuws in.

Meer over