Hoe zoet is de overwinning?

'De vreugde van de overwinning verbleekt bij het zeer van de nederlaag', schrijft schaker Jan Timman in Het boek van de schoonheid en de troost, de schriftelijke weergave van de gelijknamige tv-serie....

ELKE MAANDAG lopen de kranten over van de sportuitslagen, pagina's vol. Een weekeinde lang is er op de hele wereld verloren of gewonnen en als de wedstrijd eindigde in een gelijkspel, dan voelde het wel aan als een overwinning of een nederlaag.

Maar hoe gelukkig wordt een mens eigenlijk van winnen? En hoe verdrietig stemt een nederlaag? Is het geluk intenser dan het verdriet, of juist andersom? Dat zijn de onmogelijke vragen. Volgen nu mogelijke antwoorden.

Te beginnen in hotel Zwartewater ('Bekend tot ver in het westen') in het Overijsselse Zwartsluis. De plaatselijke damvereniging DSS (De Schuivende Schijf) organiseert in dit sport-, party-, vergader- en congrescentrum het Nederlands kampioenschap dammen.

De fiere koploper deze maandagmiddag 9 april is Harm Wiersma: twee keer gespeeld en twee keer gewonnen, terwijl er op de belendende tafels alleen maar wordt geremiseerd. Kan niet beter, zou je zeggen.

Maar zo heel erg fier is Wiersma niet. Het zoet der overwinning is in de loop der jaren toch wat minder smakelijk geworden. 'Dat gevoel wordt wel steeds minder, ja.' Hij noemt dat het Ceulemans-gevoel, naar de biljarter die moe werd van eigen succes, maar het winnen niet kon laten.

'Bij je eerste kampioenschap voel je je, hoe zal ik het zeggen, zweven. Het houdt je enorm bezig en een overwinning is geweldig.' Hoe enerverend was het niet om in 1968 de Friese titel te veroveren na nederlagen in de eerste twee partijen. Hoe geweldig was het niet om in 1976 wereldkampioen te worden met overwinningen op alle vier de Russische rivalen.

Dat is lang geleden. 'Als je ouder wordt, is dat allemaal minder. Winnen blijft leuk, daarom doe je per slot van rekening mee aan zo'n toernooi. Maar als het niet gebeurt, soit.'

Misschien heeft Harm Wiersma in zijn leven te vaak gewonnen om er nog van ondersteboven te raken. In 1967, veertien jaar oud pas, damde hij al zijn eerste NK. Hij kan in Zwartsluis voor de achtste keer Nederlands kampioen worden, is op dit moment al Europees kampioen en was vijf keer wereldkampioen.

Maar zelfs toen was hij niet op grote uitbundigheid te betrappen. 'Bij fysieke sporten zie je teamgenoten elkaar enthousiast op de handen slaan of je hoort kreten van blijdschap. Ik vind dat een soort zelfverheerlijking die niet past bij een denksport. Je mag van mij lachen als je wint, maar je moet niet overdreven gaan juichen. Je hebt rekening te houden met je tegenstander.'

Misschien heeft Wiersma zijn krachten al zo vaak gemeten dat de spanning er een beetje af is en hij daarom nog wel eens een krachtmeting laat schieten. Onlangs zegde Wiersma af voor het WK in Moskou omdat de organisatie niet deugde en dit is zijn eerste NK sinds drie jaar. 'Ik sta er inderdaad wat afstandelijker tegenover.'

Een overwinning geeft nu vooral voldoening door de manier waarop ze wordt behaald. Winnen als gevolg van een blunder is geen winnen. Winnen als gevolg van superioriteit is half winnen. Winnen als gevolg van tactische sluwheid is helemaal winnen.

'Er komt steeds meer tactiek bij het dammen kijken en zo heb ik ook de partij van vandaag gewonnen. Je moet je bedoelingen een beetje open houden. Het is goed als je tegenstander zolang mogelijk in het ongewisse blijft over wat je van plan bent. Dat heeft me nu ook weer enorm geholpen.'

Wiersma wil in elk geval de indruk vermijden dat een behaalde titel kinderspel zou zijn. Wat de andere dammers ook beweren, de concurrentie in Zwartsluis reikt echt verder dan Clerc, Jansen & Jansen.

'De tijd dat je gemakkelijk won, ligt allang achter ons. De spelers zijn vandaag de dag zo goed onderlegd en de feitenkennis is zo groot dat je vreselijk je best moet doen om een beetje avontuur in een partij te krijgen. Er wordt zo voorzichtig gespeeld. Dat vind ik wel jammer eigenlijk, dat de romantiek er een beetje af is.

'Tegenwoordig moet je in feite twee keer winnen. Eerst moet je je in allerlei bochten wringen om voordeel te behalen en dan moet je het ook nog uitbuiten.'

Toch lukt het hem nog zo vaak dat een nederlaag een ingrijpender ervaring is. 'Verliezen kan zo vreselijk hard zijn, zoveel harder dan het plezier van een overwinning.'

Harm Wiersma kan daarom meteen een ellendige 2-0 uit het geheugen opdiepen, geleden bij een WK in 1980. 'Ik was zo enorm met dat toernooi bezig geweest. Ik was naar een psycholoog geweest, zelfs naar een waarzegger. Ik had er alles aan gedaan om zo goed mogelijk voor de dag te komen. Maar in een belangrijke partij laat ik de winst na zeven uur spelen zomaar lopen.'

Hij was er ziek van, bijna letterlijk. 'Ik had gasten die dag, maar die hebben weinig aan me gehad. Ik was totaal niet te genieten, totaal van slag. Die nacht heb ik geen oog dicht gedaan, maar de volgende dag won ik wel. Op een of andere manier kwam er door die nederlaag heel veel energie vrij, alsof ik van een last bevrijd was. Ik won het toernooi en werd wereldkampioen.'

Zo zijn er meer nederlagen die indruk hebben gemaakt. 'Ik herinner me een oefenmatch. Werkelijk prachtig gespeeld, maar op het moment dat ik de winnende slag wil uitvoeren, valt de vlag. Een kwestie van tienden van seconden. Dat is hard, hoor. Natuurlijk was het maar een oefenwedstrijd, maar eigenlijk maakt dat niet uit. Je speelt geweldig en de glorie wordt je ontnomen.'

En dan was er zeven jaar geleden die beroemde tweekamp met de Rus Aleksej Tsjizjov in Friesland om de wereldtitel. Na een oneindige reeks van remises volgde de beslissende nederlaag. 'In een partij die ik net zo goed had kunnen winnen.'

De avond ervoor had Wiersma een Russische delegatie van Schiphol gehaald. Eigenlijk was dat een klusje van de organisatie geweest, maar die bleef in gebreke. 'Gevolg was wel dat ik heel laat op bed lag. Ik wil het niet als excuus aanvoeren, want Tsjizjov is ook een gigant, maar het heeft wel meegespeeld.'

Na een nederlaag, zeker een pijnlijke, trekt Harm Wiersma zich even terug. 'Het liefst ga ik een stukje wandelen. Er even helemaal uit, dat klinkt misschien oubollig, maar het helpt wel en lopen werkt goed op je gestel.

'Verliezen door een blunder is wel zo ongeveer het ergste dat je kan overkomen. In een stomme val lopen bijvoorbeeld, dat hoort niet bij je niveau. Dat zit me langer dwars dan een nederlaag in een belangrijke wedstrijd. Je hoort bij de top, je bent gefixeerd op het resultaat en daar hoort een blunder niet bij.'

Aan de andere kant is zijn relatie tot het dammen door privé-besognes zoveel losser geworden dat hij nu een fraaie nederlaag verkiest boven een suffige overwinning. 'Ik heb dan nog de genoegdoening dat we het mooie van het spel hebben laten zien.'

Als iemand weet van winnen en verliezen, is het voormalig roeier Niels van der Zwan wel. Met de befaamde Holland Acht won hij bij de Olympische Spelen van Atlanta een gouden medaille. Vier jaar later en een acht verder ging hij in Sydney roemloos ten onder in de series.

De 33-jarige Van der Zwan is gestopt en als hij dinsdagmiddag in een broodjeszaak de winst- en verliesrekening opmaakt, blijkt hij in de plus te staan.

'Het geheugen is selectief en omdat de mens van nature positief is, blijven de overwinningen hangen. Eigenlijk is dat raar, want uiteindelijk verlies je vaker dan dat je wint. Maar je drukt al die nederlagen weg. Die ene keer dat je wint, daar doe je het voor. En als je verliest, denk je alleen aan de dingen die beter moeten.

'Dat is eigenlijk het jammerlijke aan sport: dat je wordt geleefd door je nederlagen. Eigenlijk is sport een heel negatief verhaal. Maar je weet dat er altijd weer een nieuwe kans komt, dat het beter kan. Verliezen is een motivatie om te winnen.'

Dat was ook zo in de aanloop naar Sydney. Samen met Nico Rienks was Niels van de Zwan twee jaar eerder bij de Holland Acht II gehaald voor de routine. In dat eerste jaar, 1999, leek hun komst op een succes uit te draaien, maar in het olympisch jaar zelf ging het alleen maar stroever. Maar ook op zo'n moment is een mens te positief ingesteld om zijn conclusies te trekken, zelfs een tot enige somberheid geneigd mens als Niels van der Zwan.

'Zonder dat je het ergens mee kunt staven, maak je jezelf wijs dat het wel goed komt. Je zoekt voortdurend naar redenen om aan te tonen waarom het niet goed ging, waarom het beter kan.

'Eigenlijk had ik er gewoon al veel eerder mee moeten kappen. Maar je bent toch bang dat het ineens gaat lopen als je er niet bij bent, dat je zomaar een medaille laat schieten. Het is ook niet erg geweest om mee te maken. Een mens leert een hoop van een nederlaag, meer dan van een overwinning.'

Maar in retrospectief zijn een nederlaag of een overwinning misschien wel helemaal niet de essentie van sport geweest. 'Wat ik mis, is sport als hoger streven in je leven, dat het zo overduidelijk is waarvoor je leeft. Sport is zo reëel, zo tastbaar.

'We waren een keer met de kerst in Engeland bij vrienden. Die mensen gingen naar de kerk, wij gingen mountainbiken. Het is niet helemaal een juiste vergelijking, maar sport is wel een soort levensvervulling voor mij geweest en die is zomaar weggevallen. Oké, de kinderen zijn er, maar dat is toch iets anders. Dat is geen rechtstreeks doel.

'Sporters zijn heel gedreven mensen met een vastomlijnd doel. Na de ene wedsrijd volgt de andere wedstrijd. Werk kabbelt voort, dat is niet spannend en je hebt er niet zoveel invloed op. Werk is ook minder ingrijpend. Als een project de nek om wordt gedraaid, dan is dat alleen maar jammer.

'Met sport heb je altijd een eindstreep. Geslaagd, niet geslaagd, bijna geslaagd, volgende keer beter. Het kan alle kanten op gaan, maar het zijn altijd uitkomsten waarmee je verder kunt. Bovendien is een overwinning jouw overwinning en een nederlaag jouw nederlaag. In het werk ga je nooit op die manier de strijd aan. Er is nu zo weinig passie meer, dat mis ik. En ik mis de doelgerichtheid.'

A

L IN 1990 sprak Van der Zwan met Nico Rienks over het formeren van een acht als nieuw doel. Maar eerst zouden ze nog in verschillende boten deelnemen aan de Spelen van 1992 in Barcelona. De één werd vijfde, de ander derde en voor beiden was dat nederlaag genoeg om er de motivatie voor 1996 uit te halen.

'Ik kwam Nico kort daarna tegen op een receptie en ik vroeg hem: wanneer gaan we beginnen? Hij zei: volgend weekeinde. We hebben wat mensen opgebeld en zo is het gegaan. Als een sprookje eigenlijk.'

Het roeien ging van goed tot steeds beter: vijfde bij het WK van 1993, tweede bij het WK van 1994, net geen eerste bij het WK van 1995. In het olympisch jaar was de Holland Acht onaantastbaar. 'Dat gaf wel een dubbel gevoel op de dag van de finale. Aan de ene kant ben je bang dat het toch nog mis gaat. Aan de andere kant besef je dat je gewoon moet doen wat je geoefend hebt. Dan kan het niet fout gaan.'

Dat ging het ook niet, al lag de Duitse acht na duizend meter voorop. 'Maar ik ben nooit ongerust geweest. We hadden het hele jaar nog niet van de Duitsers verloren en onafhankelijk van elkaar voelden we dat het goed zou komen. Zo'n groep was het ook. Iedereen wist heel precies wat hij aan de ander had. We waren geen vrienden, maar wel hele goede collega's die beseften dat de een het zonder de ander niet zou redden.'

Het verraderlijke van de tijd is dat je het zicht op de werkelijkheid verliest. 'Doordat je wint, lijkt het allemaal zo gemakkelijk gegaan. Je vergeet dat 1996 een kwestie van de lange adem was. In de euforie denk je dat het een trucje is dat je vier jaar later wel even kunt overdoen.'

In dat perspectief kwam de nederlaag in Sydney niet eens ongelegen. 'Als je twee keer achter elkaar zou winnen met een verschillende ploeg, dan is het kennelijk niet zo moeilijk om goud te veroveren. Door de nederlaag in Sydney wordt de overwinning in Atlanta alleen maar kostbaarder.'

Wanneer Niels van der Zwan terugdenkt aan het project met de Holland Acht komt het gelukzalige gevoel na afloop van de gouden race niet op de eerste plaats. 'Natuurlijk is het leuk dat we gewonnen hebben, maar de manier waarop het is gegaan, vind ik eigenlijk leuker.

'Het is een idee van jezelf, je stippelt het zelf uit, je voert het zelf uit en dan is zo'n medaille misschien wel een logisch resultaat, niet meer dan het toefje slagroom. Echt de verdiende beloning na gedane arbeid.

'Wat ik me vooral herinner, zijn de dingen er omheen. Dat je op een zolderkamertje een briefje in elkaar zet om sponsors te werven. Dat jeugdig enthousiasme waarop geen mens reageerde, terwijl we in 1996 konden kiezen. En dat eindeloos op en neer rijden met de auto uit Delft waar ik toen woonde. Niels van Steenis, die uit Enschede kwam, logeerde bij mij en elke dag reden we met de riemen op het dak naar de Bosbaan. Het is misschien knullig, maar dat is wat je bij blijft.'

Meer over