Hoe vrouwen mannen zien en andersom

Favoriete halte voor behoeftige innemers, rustpunt voor harde werkers, hoopvolle omgeving voor prille liefdes: het café brengt de wereld op een paar vierkante meter samen....

Op de ene hoek van de bar zitten Anna en het barmeisje met elkaar te praten, te smoezen kun je wel zeggen, en op de andere hoek zitten wij. Anna en het barmeisje zitten op zo'n manier te praten op hun kruk, dat wij er helemaal niks van kunnen verstaan, geen woord. Ook lachen zij er bij, waarbij zij af en toe onze kant op kijken, en wel speciaal de kant van Juan, die - onder andere - de pech heeft om verliefd te zijn op het barmeisje.

'Wanneer twee vrouwen met elkaar aan het praten zijn over een man', zegt Karel, 'dan zitten zij er bijna altijd bij te lachen. Er komt dan weliswaar geen bulderlach uit hun kelen, maar toch: er is een geamuseerdheid. Ook al zijn zij nog zo kwaad of teleurgesteld of verliefd - en dat zijn toch waarachtig geen lachopwekkende gevoelens zou ik zo denken -, toch verschijnt vanzelf dat lachje op hun lippen, dat de uitdrukking van een geamuseerdheid is. En hoe diep ik mijn peillood ook in dat vrouwenlachje laat zakken, ik raak nooit de bodem, het is niet te peilen. Schijnbaar is er iets met de man aan de hand, dat de vrouw aan het lachen maakt. Wat is het, dat de vrouw zoveel amusement bezorgt alsof zij naar een grappige komedie kijkt? Wat is er toch zo lachwekkend aan ons in de ogen van de vrouw?'

Wij weten het ook niet. Het is niet gemakkelijk voor een man om over zijn eigen lachwekkendheid te moeten nadenken. Hij moet dan als het ware uit zichzelf naar buiten wandelen om zichzelf eens van een afstandje te bekijken. Hij moest zichzelf dan als een grapje van de schepping gaan beschouwen. En dat is zo'n tegendraadse manoeuvre, net alsof hij midden in het vuurgevecht uit de loopgraaf klimt om even een luchtje te scheppen en de benen te strekken, dat hij het nooit zal doen, tenzij hij zijn verstand verloren heeft.

'Terwijl wij juist helemaal niet zitten te lachen als wij over de vrouw praten', gaat Karel voort. 'Wij zijn vol schuine moppen, maar lachen, in de zin van geamuseerd zijn bedoel ik - nee, dat is er niet bij. Er is werkelijk niets aan de vrouw dat ons amuseert, helemaal niets. Wij zijn vol bewondering of vol afschuw, wij zijn vol woede of begerigheid of ernst, maar wij zijn nooit geamuseerd, nooit. En nu vraag ik mij af: hoe kan dat? En ook vraag ik mij af: wie is er nou een hoger wezen, de man of de vrouw? Want er zijn hogere en lagere mensen, zegt de filosoof Montaigne, en wel op zo'n manier dat het meest hoogstaande dier de laagste mens meer nabijkomt dan deze laagste mens een groot en voortreffelijk mens benadert. Mij dunkt dat de geamuseerdheid van een hogere orde is dan de niet-geamuseerdheid en dat dus de vrouw een hoger wezen is dan de man.'

Soms zegt Karel 'mij dunkt'.

'En weet je wat ook een verschil is?', zegt Juan.

'Nou?', vraagt Karel.

'Dat de man altijd luidkeels over de vrouw praat, zodat werkelijk iedereen in de wijde omgeving het kan horen, terwijl de vrouw juist zo zachtjes praat als een mus tegen een andere mus op een tak.'

'Inderdaad, ook dat is een verschil', zegt Karel, terwijl hij zijn hand opsteekt om nog wat te bestellen bij het mooie barmeisje. Hij bestelt een dubbele wodka voor het godsdienstig onderkruipsel, dat vandaag opvallend stil is, een fluitje bier voor de verliefde Juan, een vaasje bier voor Koen, die over vrouwen nooit weet mee te praten, en een glas mescal voor zichzelf.

'Tussen de mannen en de vrouwen is zo'n grote kloof', zegt Karel, 'dat wij alleen maar op de vleugelen der grote liefde naar elkaar toe kunnen vliegen. Gewoon over de grond is er geen weg, geen pad.'

Het barmeisje zet de glazen voor onze neuzen, waarbij zij naar Juan kijkt om zo'n manier, dat zijn hoofd zo rood wordt als wat. Op haar beurt laat zij een glas uit haar handen vallen.

Meer over