'Hoe vind ik weer een leuke man?'

Inge Berkien-Weisss (56) over Herman Berkien, de cabaretier en zanger overleed 22 juni 2005 op 63-jarige leeftijd...

'Kijk, hier is het boek dat we gemaakt hebben, Herman Berkien, Herman over zichzelf - anderen over Herman. Wat zou hij er trots op zijn geweest. In januari, toen hij net weer genezen was verklaard van zijn endeldarmkanker en zelfs zijn stoma was verwijderd, is het plan ontstaan. Herman vond het geweldig dat zijn leven zou worden opgeschreven.

Nu hij er niet meer is heeft deze biografie extra emotionele waarde voor me. De herinnering aan Herman mag niet vervagen. We spannen ons, met de Stichting Vrienden van Herman Berkien, ook nog in voor een standbeeld. Hij is toch de volkszanger van Utrecht, zoals hij wordt genoemd, en de huiszanger van FC Utrecht, met nummers als Utereg me statsie.

Als Herman op tv naar een wedstrijd van zijn favoriete club keek, kocht ik drijfkaarsjes, in rood en wit, de kleuren van FC Utrecht. Hij stond sowieso altijd tussen de mensen in, de laatste jaren steeds vaker op bruiloften en partijen, waar hij zichtbaar van genoot. En ik stond dan recht tegenover hem, in zijn vizier, met een big smile, anders raakte hij ontregeld. Hij had blindelings vertrouwen in me. Ik regelde vrijwel al zijn zaken. Reed hem het halve land rond - Herman had geen rijbewijs. Als hij een paar regeltjes voor een nieuw liedje verzon, schreef ik ze op, en zei ik hem dat hij ervoor moest zorgen dat het de volgende ochtend af zou zijn. 'Als jij eerder gaat dan ik, kom ik naast je in de kist liggen', zei hij gekscherend tegen mij. 'Ik kan niet pissen zonder Inge', zei hij tegen anderen.

In mei van dit jaar waren we twaalfenhalf jaar getrouwd. We hebben toen nog een feest gegeven. Herman vermagerde in die tijd snel. Ik sloeg er niet te veel acht op - de artsen zeiden alleen dat hij wat beter moest eten. Dus gaf ik hem frikadellen met mayonaise, want dat vond hij zo lekker, en maakte ik verse slagroom. Maar het hielp niks. Uiteindelijk kon hij nauwelijks nog opstaan. Ik dacht dat hij Parkinson had. Toen we, begin juni, toch naar het ziekenhuis gingen, bleek het opeens heel snel bergafwaarts te gaan: hij kreeg hartritmestoornissen en bleek een tumor te hebben in de linkerlong. Hij hallucineerde. Wat ik het ergst vond: dat hij wel naar me keek, maar me niet zag. Zijn 63ste verjaardag, op 15 juni, heeft hij niet meer bewust meegemaakt.

De dokter zei dat hij was uitbehandeld, en dat het misschien toch het best was om de apparaten uit te schakelen. Maar ik was niet in staat om die beslissing te nemen, en Herman was me vóór: die nacht is hij overleden. Uiteindelijk weet ik niet wat hem nu precies de das heeft omgedaan, maar ik hóef het ook niet te weten. Ik krijg hem toch niet meer terug.

Herman was vreselijk bang voor pijn. Over de dood spraken we niet - hij had een hekel aan alles wat met begraven te maken had. Ook over zijn uitvaart hebben we nooit gesproken. Ik vond dat zijn fans in de gelegenheid moesten worden gesteld om erbij te zijn. En ik heb besloten Herman te laten cremeren. Ik ben niet een type dat elke zondag naar het graf gaat om de bloemetjes te verversen.

De uitvaart was indrukwekkend. Onderweg hield de begrafenisstoet één n minuut stil bij het stadion van FC Utrecht. In het crematorium heeft de burgemeester gesproken. Tineke Schouten, die ooit door Herman werd ontdekt, kon er niet zijn omdat ze in Miami was. Maar ze heeft wel een prachtige krans gestuurd. Ik heb de linten bewaard.

Sindsdien gaat mijn leven in ups en downs. Ik ben blij als er een liedje van hem op de radio wordt gedraaid, ook al moet ik dan huilen. Als ik alleen thuis ben, ga ik niet naar zijn foto zitten kijken want dan verdrink ik in mijn verdriet.

Zijn grootste talent was dat hij in een paar woorden heel veel kon zeggen. En zijn humor, natuurlijk, die zal ik het meest missen. 'Weet je wat je op mijn grafsteen moet zetten?', vroeg hij toen hij nog gezond was, 'hij heeft nog geprobeerd eronderuit te komen.'

We hebben samen veel gelachen, we kenden elkaar door en door, aan een half woord hadden we genoeg. Zo iemand zal ik niet snel meer vinden, al is het te vroeg om te zeggen dat ik nu voorgoed met de gebakken peren zit. Ik heb ook altijd tegen Herman gezegd dat ik niet geschikt ben voor het alleen-zijn. Maar: hoe zou ik ooit een leuke nieuwe man kunnen vinden? En zal ik, áls het al lukt, niet constant gaan lopen vergelijken?

Hermans jas hangt nog in de gang, zijn schoenen staan eronder - niks heb ik nog opgeruimd. Dit hele huis is barstensvol herinneringen. Daarom wil ik hier weg, naar een flatje of zo, een nieuw leven opbouwen op een nieuwe plek. Als ik 's avonds thuiskom, heerst er een oorverdovende stilte. Zoals Herman zei: de gordijnen praten niet terug.

Vier kinderen heb ik uit een eerder huwelijk. Ze konden goed overweg met Herman, die zichzelf hun DTS, hun deeltijdstiefvader, noemde. Ze vangen me goed op. Ze hebben zelfs aangeboden om oud en nieuw bij ze te komen vieren. Maar ik wil ze niet belasten met de aanwezigheid van een ouwe moeder, ze moeten met vrienden feestvieren en vuurwerk afsteken. Toch zullen ze vast even hier zijn, want oudjaar is ook mijn verjaardag. Tot vorig jaar kwamen er overdag dan een hoop mensen langs. Maar het hoogtepunt was de avond, als iedereen weer weg was: dan zaten Herman en ik heerlijk met z'n tweeën op de bank voor de tv, moe, maar erg voldaan. Om twaalf uur hieven we een glaasje en gaven we elkaar een kus. Woorden waren niet nodig. Alleen vorig jaar zei Herman er opeens iets bij: 'Ik ben benieuwd hoe we er volgend jaar voor zullen staan.' Het antwoord weet ik nu, en het maakt me heel verdrietig.'

Meer over