Hoe onafhankelijk kan een wetenschapper zijn?

Wetenschappers die onwelgevallige studies publiceren, krijgen het moeilijk...

Door Janny Groen en  Annieke Kranenberg

Radicalisering en polarisatie zijn een hot topic in de wetenschap. Talloze onderzoekers hebben zich sinds de moord op Theo van Gogh in 2004 op het thema gestort. Zoveel zelfs, dat een woordvoerder van een ultraorthodoxe Amsterdamse moskee cynisch opmerkt dat onderzoekers op jacht naar de moslimradicaal elkaar verdringen voor de moskeedeur. In een poging greep te krijgen op die materie hebben overheidsinstanties een keur aan onderzoeken uitgezet. Liefst 300 in de afgelopen vijf jaar, volgens de onderzoeksdatabase van het Centre for Terrorism and Counterterrorism (CTC).

Wetenschappers die zich op dit terrein begeven, weten dat ze op eieren zullen moeten lopen, dat hun publicatie als een splijtzwam kan fungeren in politiek en samenleving, en dat ze dus onder druk komen te staan. Dat gold zeker voor de onderzoekers die betrokken zijn bij de Trendanalyse Polarisatie en radicalisering 2009, die vorige week door de minister van Binnenlandse Zaken naar de Tweede Kamer werd gestuurd.

De wetenschappers wisten dat ze in zwaar weer terecht zouden komen, omdat ze er niet aan ontkwamen een politieke partij – de PVV – bij hun onderzoek te betrekken. Dat was, zegt een van hen, ‘een onwelkome boodschap’ voor hun opdrachtgever. Ze zijn niet door het ministerie onder druk gezet, zeggen de onderzoekers. Maar, nuanceren ze, ‘frictie en spanningen’ waren er wel, en er is geprobeerd de PVV uit de rapportage te houden. In dat spanningsveld ‘was het lastig’ dat er louter ambtenaren in de begeleidingscommissie zaten.

Die zijn nogal eens geneigd onwelgevallige onderzoeksresultaten ‘naar eigen inzicht te interpreteren’, zegt criminoloog Frank Bovenkerk, die de Forum-leerstoel Radicalisering Studies bekleedt. Bovenkerk vindt het hoog tijd dat er onafhankelijk onderzoek komt naar de effectiviteit van het antiradicaliseringsbeleid, waar 28 miljoen euro voor is uitgetrokken. Hij zegt dat er in opdracht van de overheid ‘allerlei hapsnap-onderzoekjes zijn gedaan’, maar dat niemand weet wat wel en niet werkt. Vanwege de ‘onvermijdelijke overheidsbemoeienis’ wil hij liefst wegblijven van de derdegeldstroom (van opdrachtgevers buiten de wetenschap). Hij is al maanden op zoek naar ‘ongebonden’ financiering.

Een woordvoerder van Binnenlandse Zaken merkt fijntjes op dat de onderzoekers van de Trendanalyse hebben ingestemd met de ambtelijke begeleidingscommissie. Zo’n commissie is bovendien ‘niet ongewoon’. Hij wijst erop dat de wetenschappelijke onafhankelijkheid is geregeld in de Algemene Rijksvoorwaarden voor het Verstrekken van Opdrachten tot het verrichten van Diensten (ARVODI). ‘Wel kunnen er discussies zijn over hoe er zo goed mogelijk voor gezorgd kan worden dat het onderzoek bruikbaar is voor het beleid.’

De angel zit in de ‘discussies’. Al in 1999 schreef emeritus hoogleraar antropologie André Köbben daar een spraakmakend boek over: De onwelkome boodschap – of hoe de vrijheid van wetenschap bedreigd wordt. Köbben was directeur van het Centrum voor Onderzoek en Maatschappelijke Tegenstellingen (COMT), dat afhankelijk was van de derde geldstroom. COMT-onderzoek wees uit dat het ziekteverzuim in het onderwijs in een bepaald jaar aanmerkelijk was gestegen. Dat beviel het ministerie van Onderwijs niet. ‘Ambtenaren van hoog tot laag, hebben hardnekkig en op honderd manieren geprobeerd ons over te halen onze resultaten aan te passen’, schrijft Köbben. Hij vroeg advies aan de juridische dienst van de universiteit en kreeg te horen: ‘Professor, u hebt gelijk, maar ga geen strijd aan met het ministerie, die verliest u altijd.’

Hoe vaak onderzoek wordt aangepast, is onduidelijk. Wetenschappers praten slechts in algemeen verontruste zin over het principe ‘de klant is koning’. Wel zijn de ‘ambtelijke trucjes’ en ‘doofpotstrategieën’ bekend. Zoals: bij concurrerende wetenschappers twee onderzoeken uitschrijven en onwelgevallige uitkomsten in de la deponeren. Of gewillige commerciële onderzoeksbureaus inschakelen die (soms) wetenschappers aftappen.

Extreem-rechtsdeskundige en Trendanalyse-onderzoeker Jaap van Donselaar deed in de jaren tachtig al aan minderhedenonderzoek. Toen waren er ook spanningen tussen opdrachtgevers en wetenschappers. ‘Maar er was een bufferstructuur. Een adviescommissie die tussen opdrachtgever en uitvoerders in zat en in staat was beide kanten kritisch te beoordelen’, zegt hij.

Tot zijn chagrijn is dat ‘kraakbeen in het gewricht’ weggesaneerd. Adviescommissies zouden fungeren als een soort voorparlementjes en de rol van de Tweede Kamer uithollen. ‘In die saneringsdrang is de politiek te ver doorgeschoten’, zegt Van Donselaar. Hij pleit voor herinvoering van het advieswezen. ‘Als er geen buffer is, wordt in geval van conflicten door de opdrachtgever de bevelshouding aangenomen.’

Henk Kummeling, decaan van de faculteit Recht, Economie, Bestuur en Organisatie (REBO) aan de Universiteit Utrecht, steunt die suggestie. ‘Adviescommissies zitten minder dicht op het ministerie en kunnen de groei van de commerciële onderzoeksbureaus afremmen. Daar is de laatste tijd veel geld heen gestroomd.’ In het advieswezen moeten standaard gerenommeerde wetenschappers worden benoemd. Universiteiten zijn volgens hem voldoende alert op de valkuilen. Jonge onderzoekers worden getraind op het weerstaan van ambtelijke trucjes. Er is een universitaire gedragscode die ingaat op de relatie met overheid en bedrijfsleven. Kummeling: ‘De bottom line is dat onderzoekers altijd rapporteren naar de stand van de wetenschap.’

Hij acht het verstandig bij maatschappelijk gevoelige thema’s af te zien van puur ambtelijke begeleidingscommissies. Zelf was hij betrokken bij een lastig terrorismeonderzoek. ‘In de begeleidingscommissie waren vertegenwoordigers van verschillende departementen het onderling niet eens. Zij vochten hun verschillen uit over de rug van de onderzoekers.’

In het gepolariseerde islamdebat zal de wetenschappelijke nuance voorlopig sowieso niet landen, zegt Trendanalyse-onderzoeker Bob de Graaff. ‘Wetenschappers krijgen meteen een stempel. Je bent een Marokkanenvriendje, een dhimmie (niet-moslim die zich onderwerpt aan moslims, red.), of je zit in het Wilders-kamp.’

Meer over