Hoe Mozart bij de Portieljes belandde

Het is onmiskenbaar exotisch: het achterdoek met gouden tierelantijntekening, de kristallen luchters, en dan die priegelige constructie van getekende oosterse torentjes op een paal, met aan de voet daarvan een aantal kussens om op te zitten: kleurige kussens, poefs van Engelse drop....

De nadruk ligt op de vormgeving bij Mozart en de opera in Nederland, de nieuwe tentoonstelling in het Theater Instituut Nederland (TIN) in Amsterdam. Het is een bescheiden expositie, in omvang en opzet: samensteller Joke van Pelt moest binnen korte tijd iets verzinnen voor de bovenzaal dat een breed publiek zou aanspreken.

Van Pelt kwam vrij snel uit op Mozart, dat wil zeggen: op de opvoeringsgeschiedenis van de Mozart-opera in Nederland. Van de eerste Zauberflöte in Amsterdam (1794, drie jaar na de Weense première al) tot nu.

Een leidraad hierbij was de 'archeologische' bron van materialen waaruit te putten viel: de depots en archieven van het TIN zelf plus die van De Nederlandse Opera en de Nationale Reisopera. Zo was er van Die Zauberflöte veel voor handen, zoveel opmerkelijks ook, dat dit werk als inleiding functioneert. Aan de hand van die vondsten is redelijk af te leiden hoe de burgerij zich door de jaren heen verhield tot het operafenomeen in het algemeen.

Van Le Nozze di Figaro was minder te vinden, hetgeen overigens niet volledig verklaart waarom deze belangrijke opera geheel buiten beschouwing blijft. Zodoende kwam men uit bij dit uiteindelijk behapbare resultaat van Don Giovanni, Così fan tutte, Die Entführung aus dem Serail, Die Zauberflöte en hun Nederlandse opvoeringsgeschiedenis.

Als een apart hoofdstukje is daaraan Pierre Audi's enscenering van Mitridate, ré di Ponto uit 1992, toegevoegd. Misschien een wat curieuze selectie, maar dat neemt niet weg dat er voor de liefhebber nog een hoop te halen valt - te beginnen met een supersnelle en Nederlandse vertolking van de Papageno-aria door T. Denijs uit 1919; de eerste in een reeks van verrassingen rond dit vogelwezen uit Die Zauberflöte, ofwel De Tooverfluit.

Het licht in de donkerrode Mozartzaal is gedimd als dat tijdens een voorstelling in de schouwburg; er valt juist genoeg op de antieke prenten. Zoals de complexe instructietekening voor de acteur, waaruit die kon afleiden welke houding hij moest aannemen bij welke emotie, en, ook niet onbelangrijk, waar hij op welk moment moest gaan staan in het ingenieuze, traditionele coulissendecor. Dat werd geheel in perspectief geschilderd, waardoor het dieper leek. Maar de onoplettende speler kon bij een foute positie ook zomaar een kop groter dan de torenspits worden.

Uiteindelijk moet dat ook gegolden hebben voor de papieren figuurtjes van de 'centsprenten', een ingekleurde gravure van, bijvoorbeeld, alle personages van Die Zauberflöte. De liefhebber kon die thuis uitknippen, op karton plakken en vervolgens op de geëigende momenten tussen de miniatuurcoulissen schuiven - waarop iemand dat personage vervolgens een stem gaf.

Aldus werden thuis bij de Amsterdamse familie Portielje - het zogenoemde Portieljetoneel -- hele opera's opgevoerd, waarvan in het TIN De Tooverfluit (eerste bedrijf, eerste toneel) en De Tempelhal (eerste bedrijf, vijftiende toneel) te bewonderen zijn. Het zijn mooie minidecors naar werk van Karl Beyer, Hoftheaterdecorateur te Darmstadt.

Men haalde De Tooverfluit in huis, ook op andere manieren; zelfs via een een kaartspel, met prentjes van bevederde Papageno's en lieflijke Pamina's. De fluit was, kortom, een hit, ook al riepen de theatercritici nog zo hard dat het hier een behoorlijk 'dwaze tekst' betrof.

Maar ook de oudere opera's deden het prima. Die Entführung aus dem Serail (in goed Nederlands: De Schaaking uit het Serail), eveneens vol oriëntalistische exotiek; Don Giovanni - op de 'catwalk' die tentoonstellingsvormgever Peter de Kimpe voor de kostuums inrichtte, hangen zijn macho-pakken uitdagend naast de brave Zerlina-katoentjes; en Così fan tutte, onder leiding van Nikolaus Harnoncourt te zien op videofragment - steeds weer keren die bekende personages terug, zij het steeds weer in heel andere aankleding.

Ook wat dat betreft spant Die Zauberflöte de kroon. Voor decor- en kostuumontwerpers moet het stuk dan ook een feestje zijn: sprookjeswezens als Papageno en Papagena, feeën en een monsterlijke slang, een valse koningin in haar zwarte habitat, een geheimzinnige hogepriester en een goede prins op zoek naar zijn mooie prinses - ingrediënten die tot prachtplaatjes inspireren.

De bijkans lichtgevende gifgroene jurk die Jorge Jara en Karel Appel ontwierpen voor de koningin van de nacht (in decor van Appel) blijft pijn doen op je netvlies, maar ook de gitzwarte variant met puntenkroon van Vittorio Patane voor de Nationale Reisopera is imponerend - die is in het TIN driemaal present.

En dat is een aardig aspect van de tentoonstelling: je ziet een kostuum in tekening, aquarel of gouache, verderop in maquette, en uiteindelijk 'in het echt', op scènefoto of op een van de video's. En dan blijken die geschetste, geknutselde plannen, ideeën en dromen te kunnen wedijveren met hun verwezenlijking. Makkelijk.

Meer over