HOE MEER VAN VELSEN BOUWT, HOE MEER HIJ WEGLAAT

Over architectuur moet je niet spreken, architectuur moet je beleven. Met deze opvatting verklaart Koen van Velsen (1952) niet zozeer de kritiek taboe, nee, het is eerder een pleidooi voor sensitiviteit en sensabiliteit....

JAAP HUISMAN

Hoewel hij zwijgzwaamheid 'verordonneert', hoort Van Velsen tot de meeste communicatieve onder de architecten. Hij is gefascineerd door het bouwen, door het maken van wat hij 'dingen' noemt, die voor zichzelf moeten spreken. Toch laat hij niet na ze van commentaar te voorzien. De architectuur van Van Velsen laat zich niet makkelijk plaatsen. Ze breekt met traditie, met wetmatigheden en vooral met mode. Als de mode beeld voorschrijft, zoals het postmodernisme doet, schuift hij dat terzijde. Zijn kruistocht: 'Er lijkt een vakgebied te ontstaan dat zich architectuur noemt, maar eigenlijk decorbouw is; bouw van het platte, het benoembare en afbeeldbare. Architecten worden decorbouwers, plaatjesmakers, praatjesmakers. Als architecten blijven ingaan op de vraag naar beeld, zal de essentie van ons vak verloren gaan.'

In de reeks monografieën van uitgeverij 010 - een reeks waarin eerder architecten als Quist, Bodon, Dam en Coenen verschenen - neemt Van Velsen de aparte plaats in die hij zichzelf heeft toebedeeld. Hoe knap ook de fotografie van Michel Boesveld, ze onderstreept tegelijk hoe wáár de uitspraak van Van Velsen is dat architectuur ruimtekunst is en dat er niets over te zeggen is. Zoals taal tekortschiet om een gebouw van Van Velsen te beschrijven, zo moet de fotografie ook zijn overmacht erkennen.

Typerend daarvoor is het 'fotografisch verslag' van de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. De academie is sinds drie jaar gehuisvest in een oude cavaleriekazerne aan de Sarphatistraat. Op de cour plaatste Van Velsen enigszins uit het lood, enigszins scheef, een transparante toren die hij via bruggen verbond met de historische vleugels. Complexiteit is een kolfje naar Van Velsen's hand, maar het eindresultaat is dan weer verbazingwekkend lucide.

Maar probeer het eens te beschrijven of te fotograferen, de routes die de beeldende kunstenaars in de miniatuurstad binnen de kazernemuren volgen, over metalen bruggen, langs raampjes die als luxaflex openklappen, over zolders waarin de gebogen balken en standvinken met rust gelaten zijn. De doorzichtige toren van staal, glas en beton heeft het stoere karakter van de kazerne alleen maar versterkt. Waarmee de Rijksacademie in de letterlijke zin van het woord een werkplaats is geworden.

Alleen, en dat is jammer als architectuur alleen naar zichzelf kijkt, van dat kunstlaboratorium blijkt hoegenaamd niets in het boek. Alsof er in die gebouwen niet gewoond of gewerkt wordt. Het zijn stills van een leeg leven.

Zo'n neutrale documentatie is vooral bij de architectuur van Van Velsen een tekortkoming. De ruimten die hij maakt, lijken juist katalysatoren voor het gebruik; aan elkaar gekoppeld worden het membranen die de zuurstof opzuigen. Je kunt de gebouwen niet los zien van de gebruikers: het kantoor van het grafische ontwerpbureau Total Design in een veem aan Het IJ is niet voor niets opgetrokken uit onbewerkt hout en gele glaswoldekens. De kleur verzacht het licht, het materiaal vraagt om aanraking.

Al deze eigenschappen zijn samengebald in een van de mooiste gebouwen die de afgelopen 25 jaar in Nederland is neergezet: de bibliotheek van Zeewolde. Het is, schrijft Janny Rodermond terecht, een ode aan de architectuur. Hier wordt, achter een geperforeerd betonnen scherm, een nieuwe inhoud gegeven aan versleten woorden als dak, venster, zaal, kolom, binnen en buiten. Hoewel bescheiden van omvang, weet Van Velsen er een verscheidenheid aan sferen tot stand te brengen, een belevingswereld die voortdurend wisselt. Die bibliotheek is inderdaad niet in woorden en ook bijna niet in foto's samen te vatten. We gaan er maar eens een dag lezen.

Jaap Huisman

Janny Rodermond & Michel Boesveld (fotografie): Koen van Velsen, architect.

010; ¿ 65,-.

ISBN 90 6450 165 3.

Meer over