Hoe ik de natuur leerde wantrouwen

De ergste trips van onze favoriete schrijvers. Deze week: de natuurkampeervakantie van Hanna Bervoets.

HANNA BERVOETS

Ik ben 4 en ik zit voor onze tent op de milieuvriendelijke natuurcamping. Het is ochtend, ik drink een kop chocolademelk - zelfgemaakte; met echte cacao en net te weinig rietsuiker. Ik roer, zie een lange grijze grasspriet drijven, neem een slok, proef melkig water en voel dan iets vreemds in mijn mond. Iets zachts, iets slijmerigs, iets dat nu aan m'n gehemelte blijft kleven.

Die grasspriet was geen grasspriet, besef ik. Ik proest en ik hoest en op het gras ligt nu een naaktslak, de naaktslak die zojuist in mijn chocolademelk dreef, onder mijn tong de dood vond. En op dat moment weet ik het nog niet maar ik zal de rest van mijn leven naaktslakken vrezen. Ik zal ze mijden, bang dat ze op de een of andere manier mijn lichaam in zullen glijden, via mijn mond of mijn neus of welk gat dan ook.

En dan is het middag en zit ik met wat kinderen om een gezamenlijke picknicktafel, we doen een spel waarbij we op het houten tafelblad slaan - ik snap de regels niet helemaal. Met vlakke hand mep ik een paar keer achter elkaar, flats flats flats op het trillende tafelblad, tot er, plots, een pijnscheut door mijn handpalm gaat. 'Aaah', zeg ik, want het voelt of mijn hand in een brandend kaarsje hangt. 'Aaaaah!', roep ik nogmaals, kinderen schrikken en een vreemde moeder zegt: 'Een wesp. Hij moet zich bedreigd gevoeld hebben. Ze steken alleen wanneer ze zich bedreigd voelen.'

En op dat moment weet ik het nog niet maar ik zal de rest van leven een afkeer van wespen hebben. Ik zal vallen voor ze zetten, ze in kleverige siroop willen laten verdrinken.

En dan begint het te schemeren. We spelen onder de bomen. Aan een overhellende tak hangt een autoband aan een touw. De andere kinderen gaan een voor een in de autoband zitten. Ze laten zich duwen en wanneer de band op zijn hoogste punt is, springen ze eruit, schieten ze de lucht door, naar voren, om meters verder lachend neer te komen.

Ik ben te klein. Ik duw alleen anderen. Zoals die ene jongen, misschien al 9 of 10. We duwen en duwen hem, steeds harder en hoger; hoger dan net, maar de jongen springt niet, hij zegt: 'Harder, hoger', dus blijven we duwen, roepen, joelen: 'Spring dan!', tot de jongen eindelijk springt: tenminste, zo lijkt het.

De jongen schiet de band af. Maar hij vliegt niet, hij valt, als de pop die ik laatst van het balkon gooide. De pop suisde steil omlaag, haar plastic kop sloeg kapot op te tegels, de jongen landt met een doffe plof in het gras. De andere kinderen rennen op hem af, gaan schreeuwend om hem heen staan, ik zie alleen ruggen. En hoor dan, eindelijk, ook de jongen krijsen.

En dan is het donker en ritst mijn moeder de tent dicht. Morgenmiddag gaan we naar huis, zegt ze. En op dat moment weet ik het nog niet maar later, wanneer ik volwassen ben, zal ik me deze vakantie op de natuurcamping als één dag herinneren. Een lange lome zomerdag waarop ik de natuur leerde wantrouwen; haar steekbeesten, weekdieren, zwaartekracht. Maar ook een dag die eindigde met zelfgevangen garnalen. Die we levend kookten, pelden en opaten.

undefined

Meer over