ReportageBurgemeester Aboutaleb in Carnisse

Hoe de ‘nieuwe buurman’, burgemeester Aboutaleb, de slechtste wijk van Rotterdam omhoog wil helpen

Met het lampje op zijn telefoon tuurt Aboutaleb in een inmiddels afgesloten kelderbox waar tot voor kort iemand sliep.Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Nergens anders in Rotterdam zijn de inwoners zo negatief over hun wijk als in Carnisse. Ze hebben last van inbraken, vandalisme, zwervers. Wie er woont, wil er weg. Bart Dirks volgt burgemeester Ahmed Aboutaleb die een jaar lang elke vrijdag de wijk bezoekt in een poging het tij te keren.

Vrijdag 12 juni: ‘Ik wil meer zuurstof in deze wijk blazen’

Vraag Gemma Verstralen of ze ooit weg wil uit Carnisse en ze antwoordt resoluut: ‘never nooit’. De gepensioneerde leerkracht houdt van haar wijk. Maar nu Ahmed Aboutaleb toch voor haar deur staat, zijn er best wel ‘dingetjes’ die ze aan de burgemeester van Rotterdam wil vertellen over dit stukje Rotterdam Zuid.

Samen lopen ze een blokje om, de burgemeester op sneakers en zonder stropdas. Het colbertje gaat al snel onder de arm, de hemdsmouwen worden opgestroopt. Verstralen wijst hem op de groenstrook in de middenberm. ‘Als ik u wat mag laten zien, dan begin ik toch met dit strontveld. Niemand ruimt hier de poep van zijn hond op. Dus als de gemeente komt maaien, dan meurt het.’

Dat zijn de kleine irritaties. Carnisse, grofweg begrensd door metrostation en winkelcentrum Zuidplein, het Zuiderpark en de Maastunnel, verandert snel. Ooit een dorp waar je elkaar kende, nu een doorgangswijk. De helft van de bewoners verhuist binnen vier jaar naar elders.

Je moet een mengelmoes hebben, zegt Verstralen, dan smelt het lekker samen. ‘Als je alleen maar arme bewoners of één bevolkingsgroep overhoudt, dan gaat de rest weg.’ Op de hoek, bij de Tweede Carnissestraat, deelt ze haar ergernis over een rij huizen waarvan ramen en deuren zijn dichtgetimmerd met ijzeren platen. ‘Dat is al jaren zo. Zegt u nou zelf, dat is toch geen gezicht?’

‘Wie heeft dit opgekocht?’, vraagt Aboutaleb.

‘De gemeente.’

De burgemeester neemt het armetierige woonblok in zich op. ‘Dit noemen wij rotte kiezen. Daar ga ik wat aan doen.’

Ahmed Aboutaleb wil aan heel veel dingen wat doen. Een jaar lang, tot aan de zomer van 2021, richt hij elke vrijdagmiddag zijn energie op precies deze wijk. Aan iedereen stelt hij zich voor als ‘de nieuwe buurman’. En waar mogelijk slaat hij direct spijkers met koppen. Zo belooft hij Gemma Verstralen plantjes voor het brede trottoir. ‘Dat is veel te veel versteend’, zegt hij. ‘Een strook stoeptegels eruit, en het oogt meteen een stuk vriendelijker.’

Volgens het bevolkingsregister telt Carnisse elfduizend inwoners, maar een onbekend aantal Oost-Europese arbeidsmigranten woont hier zonder inschrijving. Er zijn veel portiekwoningen met twee of drie kamers, gebouwd in de jaren veertig en vijftig. Ze zijn nog enigszins betaalbaar voor starters. Maar de huizenprijzen gaan hard omhoog, omdat de woningen in trek zijn bij huisjesmelkers. Zij rekenen torenhoge huren aan Polen en Bulgaren die de weg niet kennen naar de Huurcommissie. Maar die wel, volgens andere bewoners, overlast veroorzaken als ze in het park halve liters Zubr of Kamenitza drinken.

Carnisse scoort belabberd in het Wijkprofiel, een ‘thermometer’ die laat zien hoe de 14 gebieden en 71 wijken van Rotterdam ervoor staan qua veiligheid en op sociaal en fysiek gebied. De scores zijn zowel gebaseerd op objectief meetbare feiten en cijfers als op de beleving van de inwoners: hun oordeel telt voor 50 procent mee.

In weinig andere buurten van Rotterdam zijn de bewoners zo negatief. Over inbraken en vandalisme. Over openbare dronkenschap. Over zwervers die in kelderboxen slapen. Over het gebrek aan sociale samenhang. En over de rommel naast de vuilcontainers. Op zijn eerste wandeling door Carnisse houdt Aboutaleb bij elke berg halt om een foto naar de baas van de stadsreiniging te appen. Nog geen uur later rijdt er een vuilniswagen rond die op zeker zeven straathoeken tapijten, matrassen, dozen en tv-meubels ophaalt.

Burgemeester Ahmed Aboutaleb maakt een melding van afval in Carnisse. Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

‘Nou, ik doe toch óók heel wat meldingen, maar dit krijgt alleen de burgemeester voor elkaar’, zegt Daniëlle van den Heuvel lachend. Ze is een van de acht stadsmariniers in Rotterdam. De ‘enige mariniers zonder uniform’ (aldus Aboutaleb) spelen een hoofdrol in het lokale veiligheidsbeleid. De superambtenaren hebben flink wat bevoegdheden om het tij in een wijk ten goede te keren. Van den Heuvel is pas sinds een week in Carnisse aan de slag. Eerder was ze gestationeerd in Bospolder-Tussendijken, een wijk die inmiddels wel al beter scoort in het Wijkprofiel.

Even later zitten ze samen in het Nancy Zeelenberg-complex aan de Bevelandsestraat. De burgemeester gebruikt dit bejaardenhuis als uitvalsbasis. Voor cappuccino en een zoetje, voor lunch en zoeternijen van Salim en Chahrazad en vooral om, op anderhalve meter afstand, te praten met bewoners en professionals.

Zoals vandaag met elf agenten en boa’s. ‘Het is het allemaal ‘net niet’ in Carnisse’, zegt Ad Smit, al zes jaar wijkagent. ‘Ik zie Poolse supermarkten, de rest trekt weg. Er zijn drie coffeeshops met veel aanloop, lachgasballonnen op straat, zwerfvuil, overlast in portieken en parken.’

‘Bijna niemand voelt zich verantwoordelijk voor zijn eigen stukje wijk’, vult zijn collega Johannes Wander aan. ‘Dinsdag hebben we een kelderbox leeggeruimd waar werd geslapen, maar op woensdag was het slot weer geforceerd. Veel bewoners interesseert het niet eens. We lopen achter de feiten aan.’

De agenten en handhavers vertellen over alweer de achtste gewapende overval bij cafetaria Van Putten, nergens op camera vastgelegd. Over kettingrukkers, huisjesmelkers en bankslapers. Maar ook over de bureaucratie, waardoor ogenschijnlijk simpele oplossingen worden gefrustreerd. Zoals poortjes om portieken en paadjes tussen de achtertuinen af te sluiten. ‘Het duurt allemaal heel lang’, klinkt het, ‘misschien kunt u ook daar wat aan doen?’

‘Naarmate jullie meer praten, borrelt het bij mij in de bovenkamer’, zegt Aboutaleb. Hij ziet een rol voor zichzelf weggelegd in Carnisse. Niet omdat wijkagenten, buurtcoaches, welzijnswerkers en individuele wethouders niet hun stinkende best zouden doen. Wel omdat zij tegen grenzen aanlopen. Omdat zij worden afgerekend op één afgebakend vraagstuk.

De burgemeester kan immers meer dan de directeur van de stadsreiniging appen. Hij kan ook bij de minister van Binnenlandse Zaken of van Justitie aankloppen als problemen een landelijke aanpak vereisen – geld, of een wetswijziging. En hij hoopt dat zijn betrokkenheid tot nieuwe geestdrift leidt bij bewoners en professionals.

‘Ik heb nog geen concreet plan’, zegt Aboutaleb tegen de agenten en boa’s. ‘Dat moet er eind dit jaar wel zijn. Ik wil meer zuurstof in deze wijk blazen. Niets is te gek.’ En ja, die zuurstof mag best wat kosten. ‘Een beetje handgeld, dat vind ik wel.’

Meer cameratoezicht, meer groen op brede stoepen, vaker vuilniswagens die de rotzooi ophalen, ‘dat is het laaghangend fruit’, zegt de burgemeester. Zulke maatregelen hebben elders, zoals in Bospolder-Tussendijken, ook geholpen. Meer energie kost het formeren van een ‘kopgroep’ met actieve bewoners, met daaromheen een ‘parlement’ van tachtig tot honderd mensen.

‘Zowel in de Bijbel als in de Koran staat dat de toestand van de mensen verandert indien ze bereid zijn zelf aan hun toestand te sleutelen. Het wordt een probleem als mensen de stad gebruiken om te schuilen. Anonimiteit is niet voor iedereen slecht, tot je ouder bent en geen kinderen of familie hebt.’

‘Wanneer bent u tevreden?’, wil een van de agenten weten.

‘Als de bewoners deze wijk gemiddeld een 7 geven.’

‘Pfoe’, klinkt het in de kring.

‘Maar 7 is nog geen goed, hè? Dat is redelijk. Goed is een 8. Ik reken op jullie, maar jullie kunnen ook op mij rekenen.’

Aboutaleb groet een wijkbewoner.Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Vrijdag 19 juni: ‘Ik ben op zoek naar pijntjes en naar pijn’

Het Huis van Carnisse aan de Texelsestraat, waar activiteiten worden georganiseerd door en voor de wijk, ligt verstopt achter een hoog hekwerk. ‘Waardeloos, die poort, net een gevangenis’, zegt Aboutaleb. ‘En waarom hebben jullie niet wat meer groen op het pleintje? Ik regel de plantjes, maar jullie moeten ze zelf neerzetten en verzorgen.’

Binnen brommen tl-buizen aan het systeemplafond. Het buurthuis is op, zo klinkt het, maar Aboutaleb vindt nieuwbouw te veel van het goede. ‘Ik ben voor alles in, ik ga alleen geen buurthuizen bouwen’, had hij vorige week al gewaarschuwd. Geld moet naar activiteiten, niet naar stenen.

Er zijn broodjes belegd en sapjes geperst. Aboutaleb ontwijkt de koolhydraten en neemt een bordje fruit. ‘Ik word jullie buurman’, zegt hij tegen de vrijwilligers en medewerkers van welzijnsorganisatie Dock, die het buurthuis als uitvalsbasis heeft. ‘Ik ben op zoek naar pijntjes en naar pijn.’

Die zijn er legio. Huishoudens met torenhoge schulden. Gezinnen die illegaal wonen. Arbeidsmigranten die in de greep zitten van tussenpersonen. Zeker dertig kinderen met speciale beperkingen die eindeloos op een wachtlijst staan. ‘Sommige bewoners zijn argwanend als ze hulp krijgen aangeboden’, zegt Carmen van Veen, cliëntondersteuner jeugd. ‘Ze wantrouwen het wijkteam, omdat ze denken dat wij van jeugdzorg zijn en kinderen uit huis halen.’

Aboutaleb praat met een ambtenaar.Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

En dan is er de taalbarrière. Veel bewoners zijn hier maar kort en spreken alleen Pools, Bulgaars of een andere Slavische taal. Officieel mogen gemeente en welzijnswerk alleen in het Nederlands (of Engels) communiceren. ‘Tolken zijn mondjesmaat beschikbaar’, zegt wijkteamleider Lee Prest.

‘Ik ben de tijd van het zoeken naar tolken wel ontstegen’, antwoordt Aboutaleb. ‘Ik wil collega’s die óók die talen spreken.’

Hij roemt de Rotterdamse politieman met Turkse wortels die in 2017 bij het Turkse consulaat aan de Westblaak onderhandelde met de Turkse minister van Familiezaken, toen Aboutaleb haar van het kabinet als ongewenst vreemdeling moest uitzetten. ‘Die agent is én een goede medewerker, én hij spreekt Turks. Geweldig toch?’

Het probleem is volgens Aboutaleb dat bij vacatures altijd iemand wordt gezocht ‘die in ons team past’: ‘Wij zoeken onszelf, want iemand die niet op ons lijkt, geeft onrust. Maar we hebben juist mensen nodig die níet in het team passen, iemand die een steen in de vijver gooit.’ De kring rondkijkend: ‘Met alle respect, maar we praten hier in Carnisse vooral met autochtonen over een heel diverse wijk.’

En waarom weet hij, als burgemeester, trouwens niet dat het wijkteam tegen dat taalprobleem aanloopt? ‘Er heeft zich nog nooit iemand bij mij gemeld. Iedereen accepteert het dichtstbijzijnde plafond dat-ie tegenkomt.’

Bij veel ontmoetingen, zeker met gemeenteambtenaren, maakt Aboutaleb daar een punt van. Als je hardnekkige problemen niet kunt oplossen, zoek het dan hogerop. ‘Je leidinggevende moet achteraf niet boos zijn, maar zeggen: ‘Wat goed dat je de burgemeester hebt gesproken!’ Als ik zelf tegen grenzen loop, klop ik ook bij de minister aan.’

Van het buurthuis in de Texelsestraat naar Medisch Centrum Carnissehuis aan de Lepelaarsingel is een minuutje of tien wandelen. Maar de nieuwe buurman, die onderweg drie meldingen doet van grofvuil en op de foto gaat met verraste bewoners en straatvegers, doet er twee keer zo lang over.

‘Mooi gebouwtje’, prijst hij de praktijk met huisartsen, een apotheek en fysiotherapie.

‘Komt u maar eens terug als het regent, dan ziet u ons met pannetjes rennen’, zegt Maarten Timmers, een jonge, boomlange huisarts.

Natuurlijk komen hier patiënten met oorpijn, een verstuikte enkel of griep. Vaak zijn de psychosociale problemen groter – armoede, schulden, huisvesting, werkloosheid. ‘Mensen kloppen bij ons aan voor hulp, want wij zijn laagdrempelig’, zegt Timmers.

Doorverwijzen, bijvoorbeeld naar het wijkteam van Dock, gaat vaak moeizaam. Dan valt het probleem buiten het takenpakket, of er ontbreekt een duidelijke zorgvraag. ‘En dan moeten jullie weer een lange brief schrijven’, vult Aboutaleb aan. ‘Zou het niet fijn zijn als je tegen je patiënt kan zeggen: loop meteen even mee naar het wijkteam. Hebben jullie geen spreekkamer voor ze over?’

Ja, zo’n kamer is er wel.

‘Mooi. Dan gaan we dat regelen.’

Vrijdag 3 juli: ‘Waarom duurt het zo lang?’

Een zwarte Mercedes met knallende uitlaatpijp raast voorbij over de Goereesestraat. Ahmed Aboutaleb, die zich laat bijpraten over subsidie voor het samenvoegen van kleine woningen, heft zijn hand op en knipt met zijn vingers.

‘Sorry, ik word hier vreselijk boos over. Wat gaan we doen aan dit verkeersriool?’, vraagt hij aan een ambtenaar. De herinrichting blijkt gepland voor over enkele jaren. ‘Kunnen we niet alvast van die kunststof drempels op deze racebaan neerleggen?’

Burgemeester Aboutaleb ergert zich aan een lawaaiige Mercedes.Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Nee, want dat is onprettig voor de passagiers in de stadsbussen, krijgt hij te horen. Aboutaleb zucht eens diep. ‘Rijdt er dan nergens in Rotterdam een bus over drempels? Ik wil graag een advies hebben over deze asfaltplak. Ook namens de wethouder Verkeer. Houd me op de hoogte.’

‘Ongeduld is mijn slechtste eigenschap’, zegt hij. Dat weten ze in Rotterdam, waar de gemeenteraad de vorige avond heeft ingestemd met zijn derde termijn als burgemeester. Aboutaleb, in 2009 aangetreden, kan achttien jaar burgemeester blijven.

Beeld Guus Dubbelman/ de Volkskrant

Geduld zal hij toch nodig hebben voor een van de taaiste problemen: de huisvesting. Carnisse is een van de oudste stadswijken van Rotterdam-Charlois, vanaf eind 19de eeuw gebouwd vanwege de uitbreiding van de haven. Er zijn relatief weinig corporatiewoningen en er is juist veel particuliere verhuur.

De verouderde portiekflats zijn populair bij starters op de woningmarkt, maar zij komen er amper nog tussen, vertelt Maryam Asghari, Eigen Huis Coach van de gemeente, in een straat met portiekwoningen. ‘De woningen komen vaak niet eens op Funda, maar vinden hun weg naar investeerders. Dat stuwt de koopprijzen op.’

Aboutaleb fronst zijn wenkbrauwen. ‘Speculeren die beleggers dat de gemeente de huizen gaat opkopen? Of willen ze de Oost-Europese arbeiders uitknijpen? Of hebben ze drugsgeld dat moet worden weggezet?’

‘Verhuurmakelaars zetten Carnisse in de markt als ‘upcoming’ en ‘the place to be’’, zegt Asghari. ‘Ze zeggen tegen investeerders dat je hier een mooie huur kan vangen. En de verhuurmakelaars verdienen vervolgens goed aan de bemiddeling tussen investeerders en huurders.’ Ze probeert contact te leggen met alle nieuwe eigenaren, om te vragen wat hun plannen zijn. ‘Vaak zijn ze lastig te bereiken.’

Uit gemeentelijk onderzoek blijkt dat beleggers hier wel 7 procent rendement kunnen halen – als je het achterstallig onderhoud negeert en veel meer huur vraagt dan fatsoenlijk is. Veel huurders laten het gebeuren,  ze kennen hun rechten niet of zijn toch van plan om maar kort te blijven. Dat hoge verloop is weer slecht voor de sociale binding.

De gemeente probeert huurders op hun rechten te wijzen en verhuurders op hun plichten. Er is een verhuurdersvergunning in de maak voor Carnisse: ‘foute’ pandjesbazen riskeren dan boetes en kunnen zelfs hun inkomsten verliezen. Wettelijk is zo’n vergunning behoorlijk complex. ‘Maar we gaan het tóch proberen’, zegt Aboutaleb. ‘Het moet.’

Het gaat alleen traag. En geduld, dat heeft de burgemeester dus niet. Ook niet in de Tweede Carnissestraat, de ‘rotte kies’ met de dichtgetimmerde woningen waarop hij tijdens zijn eerste wandeling werd gewezen door buurtbewoner Gemma Verstralen.

De onteigende huizen in de Tweede Carnissestraat.Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Rotterdam heeft alle huizen opgekocht voor sloop en nieuwbouw, op eentje na. ‘De laatste eigenaar wil 3 ton voor een huis dat is getaxeerd op amper 1,5 ton’, verklaart projectmanager Paul Bouts.

‘Waarom onteigenen we niet’, vraagt Aboutaleb.

‘De dagvaarding is eruit. We wachten op de datum van de rechtbank.’ ‘Houd me op de hoogte. Ik wil dit dossier specifiek volgen.’

In de Wieringerstraat laat Charendy Puriël, wijkconciërge bij corporatie Woonbron, een kelderbox zien waar tot voor kort iemand sliep – vermoedelijk een Poolse contractarbeider die door de coronacrisis zijn baan is verloren.

Met het zaklampje op zijn telefoon tuurt Aboutaleb in de inmiddels afgesloten kelderbox. Een matras, papieren tasjes van de take away, halve liters Pools bier. 

‘Verdrietig’, zegt Aboutaleb, ‘heel triest.’

Vrijdag 10 juli: ‘Wat als ik hier een keet van de gemeente zet?’

Toen Petia in 1997 naar Rotterdam kwam, was ze een van de vijf Bulgaren in de stad. Sinds Bulgarije en Roemenië in 2007 lid werden van de EU, is ze door duizenden gevolgd.

‘Een deel heeft het gemaakt, en houdt zich aan de regels’, vertelt Petia aan Aboutaleb. ‘Een andere groep leeft van dag tot dag. Ze zien wel hoe het komt. Ze leren geen Nederlands en burgeren niet in. Sommigen sluiten zich helemaal op in hun eigen groep. Dat is gevaarlijk.’

De burgemeester spreekt haar en de Poolse Monika in een zaaltje van het bejaardenhuis. Vanwege corona heeft hij afgezien van een bezoekje bij ze thuis. Maar hij krijgt wel een beeld van hoe ze wonen en wat de particuliere eigenaar ervoor rekent. Monika betaalt 1.100 euro kale huur voor een driekamerwoning.

‘Dat is uitbuiting’, zegt Aboutaleb. ‘Dat niemand daar wat van zegt.’

‘Ja, het is veel, maar wat moet ik eraan doen?’, vraagt ze.

Aboutaleb beseft dat hij hier aan de grenzen zit van wat hij als burgemeester kan oplossen. Een verhuurvergunning zou de angel eruit kunnen halen, maar daarvoor moet hij bij het kabinet lobbyen.

Veel macht in wijken als Carnisse ligt bij de Poolse supermarkten, vertellen Ewelina Michalak en Igor Milovanović, medewerkers EU-Arbeidsmigranten van de gemeente, even later tijdens een fietstochtje. De ‘Polski sklep’ is meer dan een buurtsuper met heimweeproducten als bigos en piwo – zuurkool en bier.

Onder de toonbank kun je er terecht voor laminaat, laptops en complete verbouwingen. Zelfs de goedkope blikjes Heineken worden uit Polen geïmporteerd. Tegen de lucratieve verkoop van pijnstillers en antibiotica in Poolse winkels wordt al langer opgetreden.

De eigenaren plakken hun ramen dicht met reclamefolie. Dat mag niet, maar daar laten ze zich weinig aan gelegen liggen. Hier worden de nieuw gearriveerde Oost-Europeanen voor veel geld ‘geholpen’ met dienstverlening die aan het loket van het stadhuis gratis is. Ook voor malafide uitzend- annex huisvestingsbureaus is dat een lucratieve business.

‘Je moet als Pool 4.000 euro betalen om aan een woning te komen’, zegt Ewelina Michalak. De uitbuiting begint al bij het ronselen in eigen land, vult haar collega Igor Milovanović aan. ‘Vervoer, huisvesting, werk: alles wordt voor ze geregeld. Maar wel voor grof geld. Een formuliertje invullen: 150 euro.’

De arbeidsmigranten zijn loyaal aan hun tussenpersonen en wantrouwen de gemeente. Meestal schrijven ze zich niet in bij het bevolkingsregister. Dat verklaart mede het grote aantal Oost-Europese park- en portiekslapers in Carnisse. Ze zijn niet ‘rechthebbend’ en daarom niet welkom in de nachtopvang.

‘Wat als de gemeente hier één dag per week spreekuur houdt in het Pools en het Bulgaars?’, vraagt Aboutaleb, fiets aan de hand.

‘Dan wordt het heel druk’, zegt Michalak. ‘We hebben hier zes jaar spreekuur gedraaid in het Pools en Bulgaars, maar dat is wegbezuinigd.’

Aboutaleb: ‘En wat als ik hier een keet van de gemeente zet met een groot bord: ‘alle dienstverlening van de gemeente is gratis’?’

Milovanović: ‘Is dat een toezegging?’

Aboutaleb: ‘Zeker. Ik kan niet tegen die malafide types optreden, want particuliere dienstverlening mag. Maar ik kan wel een alternatief bieden. En als zo’n figuur dan zegt dat ik hem brodeloos maak, dan zeg ik: ‘Ja, dat klopt.’ Elke vrijdag een Poolse keet hier, ik kom hem graag openen.’

Stadsmarinier Daniëlle van den Heuvel probeert de burgemeester af te remmen. ‘Jaja, we zouden deze zomer toch eerst gaan kijken, en pas later de problemen oplossen? Nu eerst Poolse pannekoeken!’

Even later eten ze samen bij Polka Rotterdam, het restaurantje van de zussen Marzena, Sandra en Magdalena Gajdzik. Arbeidsmigranten die het hebben gemaakt in Carnisse.

‘Heerlijk’, prijst de burgemeester de drie zussen. ‘En wanneer gaat u Nederlands spreken?’

Aboutaleb ontmoet buurtbewoners op een feestelijke middag op het Amelandseplein.Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Vrijdag 17 juli: ‘Ik vraag burgers nooit minder kritisch te zijn’

Op het Amelandseplein, eigenlijk een park, staan klapstoeltjes en een geluidsinstallatie klaar. De wijk is uitgenodigd voor een feestelijke middag om de nieuwe buurman te ontmoeten. Op vijf vrijdagen heeft Aboutaleb tientallen mensen gesproken. Naast bewoners, vrijwilligers en ondernemers opvallend veel mensen die beroepsmatig bij de wijk betrokken zijn – huisartsen en leerkrachten, wijkconciërges en wijkagenten, jongerenconsulenten en boa’s, gebiedsregisseurs en gebiedscoördinatoren, programmamanagers en wijknetwerkers.

‘In een wijk als deze moet je een actieve, sterke overheid hebben’, zegt Aboutaleb. Maar hij ziet dat de professionals aan hun grenzen zitten, daarom steekt hij energie in deze wijk. Oók om ze aan te sporen soms buiten de lijntjes te kleuren. Bijvoorbeeld door als gemeente soms in andere talen te communiceren – ‘los van het politieke ideaal dat iedereen hier Nederlands spreekt’.

Voorafgaand aan het parkfeest maakt hij een tussenbalans op met medewerkers van stadsbeheer. ‘Jammer dat veel bewoners zo negatief zijn’, zegt een van hen. ‘Hopelijk willen ze zelf ook de handen uit de mouwen steken en niet alleen kritisch zijn.’

Aboutaleb, een kop Turkse linzensoep voor zich, corrigeert hem. ‘Ik vraag burgers nooit minder kritisch te zijn. Wij moeten ons werk gewoon goed doen. En inwoners zo min mogelijk lastigvallen met procedures.’

‘We willen graag stoeptegels komen lichten voor plantjes, als een burger belt’, klinkt het. 

‘Kijk, daar ga je al’, zegt Aboutaleb. ‘Mensen willen best wel plantjes, maar ik sprak een Poolse vrouw die 1.100 euro huur per maand betaalt voor een driekamerwoning. Die belt ons niet over plantjes. We moeten dat gewoon op een zaterdag organiseren en vooraf briefjes in de bus gooien. Oók in het Pools en Bulgaars. Sluit de straat af, ga samen aan de slag, wacht niet tot iemand de gemeente belt.’

De zon verjaagt de wolken als een brassband de wijk naar het Amelandseplein lokt. Er zijn hapjes, alcoholvrije drankjes, kindervoorstellingen van Circus Lori. Met meetlinten zijn de klapstoeltjes coronaproof opgesteld. ‘Alle bewoners die ik heb uitgenodigd, komen vanmiddag ook’, zegt wijknetwerker Nuzha El-koubie opgelucht. ‘En gelukkig blijft het droog.’

Burgemeester Ahmed Aboutaleb op het Amelandseplein.Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Onder meer de stadsmarinier, een wijkagent en de voorzitter van het buurtcomité voeren het woord. Dik honderd bewoners luisteren tot slot naar de burgemeester. ‘Naar internationale standaarden is dit een prima plek’, zegt hij vanaf het podiumpje. ‘Als Carnisse in New York lag, dan was dit een middenklassewijk.’

Hij benoemt de problemen van zwerfvuil tot versteende straten, van ontbrekend cameratoezicht tot alcoholisme. Met stemverheffing waarschuwt hij de ‘uitbuiters’, de malafide verhuurmakelaars en vage uitzendbureaus. ‘Onaanvaardbaar en onacceptabel dat zij kwetsbare mensen een poot uitdraaien. Ik zal niet aarzelen om ze dwars te zitten met een verhuurdersvergunning en andere sancties.’

Er wordt geklapt. Hij kan geen ijzer met handen breken, waarschuwt de nieuwe buurman. ‘Ik heb bewoners nodig die met mij een locomotief willen vormen. Ik kom in september terug en in december moet er met uw hulp een plan liggen dat we in 2021 kunnen uitvoeren. De gemeenteraad kijkt met buitengewone belangstelling mee. Geld alleen is niet de oplossing, maar de raad heeft me nog nooit teleurgesteld als ik aanklopte met een goed plan. Als wij goede plannen maken, ga ik ervan uit dat de raad ons zal helpen.’

Gedurende een jaar volgt de Volkskrant het project van Ahmed Aboutaleb in de Rotterdamse wijk Carnisse. Dit is de eerste reportage.

Meer over