Hoe David Byrne mijn leven veranderde

Gisteren werd in Paradiso het boek Song And Circumstance van Sytze Steenstra gepresenteerd. Ik was uitgenodigd om iets te vertellen over Byrne en wat zijn muziek voor mij betekend heeft.

Hierbij de tekst van die toespraak:

Hoe David Byrne mijn leven veranderde

Met een zekere regelmaat wordt me de vraag gesteld, en anders stel ik ‘m zelf wel: welke band of artiest heeft de meeste invloed gehad?

Elvis Costello en The Smiths antwoord ik dan meestal. Costello was de eerste artiest die me het idee gaf dat er buiten hitparadepop ook elpee-muziek bestond die ook catchy en opwindend kon zijn. Iets wat de platen van Pink Floyd en Genesis waar de vriendjes van mijn oudere zussen mee aankwamen tot dan toe hadden verzuimd duidelijk te maken.

En The Smiths omdat dit voor mij de meest ideale popgroep was. Subversief zonder tegendraads te willen klinken, tekstueel geestig en ontroerend en muzikaal hemelbestormend en betoverend mooi op een manier die me het enthousiasme deed begrijpen waarmee mensen die twintig jaar ouder waren uitlegden hoe revolutionair de Beatles in 1964 klonken.

Maar misschien is Talking Heads nog wel net iets belangrijker voor me geweest. Iets dat ik me realiseerde toen ik dit boek onder ogen kreeg, Song And Circumstance, the work of David Byrne From Talking Heads To The Present, van Sytze Steenstra. Het boek beschrijft niet het leven maar de werken van David Byrne, ooit voorman van Talking Heads en sinds 1988 solo-artiest, filmer, beeldend kunstenaar en schrijver, om zijn belangrijkste disciplines maar te noemen.

Wat me frappeerde is vooral dat Byrne niet alleen zeer belezen was en zich voor zijn muziek liet inspireren door schrijvers en beeldend kunstenaars, meer dan door andere popmuziek. Niet alleen praatte Byrne in interviews graag over filosofen, architecten en fotografen, zelfs liet hij de recensie- en promotie-exemplaren van de beroemdste plaat van Talking Heads, Remain In Light uit 1980, vergezeld gaan van een lijstje met een vijftal boektitels.

Had hij wat om over te praten met de journalisten.

Kom daar maar eens om vandaag de dag. De popmuziek is zoals dat met een goed Nederlands woord heet ‘selfreferential’ geworden. Muzikanten verwijzen vooral naar andere muziek maar zelden naar boeken, films of andere kunst. Wanneer dat wel gebeurt, lopen ze het risico voor pretentieus te worden uitgemaakt.

Dat was eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, de periode dat ik muzikaal volwassen werd, wel anders. Wat achteraf zo bijzonder was aan de postpunk periode is niet alleen de muziek, ook al zijn de platen Joy Division, PIL, The Fall, Pere Ubu en inderdaad Talking Heads in mijn optiek tijdloos gebleven. Er hing rond die bands ook een zweem van intellectualisme dat mij als zestienjarige zeer aansprak.

Ik vernam over Kafka, Camus, Dostojevski en Celine niet middels de literatuurlessen op de middelbare school maar via interviews in muziekbladen. Ik was dol op popmuziek maar zocht ook naar een soort van rechtvaardiging om daar zoveel tijd aan te besteden. De postpunk-bands bewezen dat pop niet alleen low-culture was, maar zeker ook raakvlakken met high-culture had. Dat vond ik op de een of andere manier geruststellend.

Het loonde om je wat dieper in bepaalde platen te verdiepen, en in de drijfveren van de makers. Waarmee ik uitkom bij de voor mij in dat opzicht allesbepalende plaat, Fear Of Music, het derde album van Talking Heads, uit 1979.

De plaat zag er sinister uit. Zwarte hoes met een soort anti-slip reliëf. Geen bandfoto alleen in groene letters de titel en bandnaam.

En dan de muziek. In de platenzaak waar ik iedere week een elpee kwam kopen en sinds dat voorjaar de nieuwe platen van van Elvis Costello, John Hiatt, The Police en Joe Jackson had aangeschaft, waren ze niet zo enthousiast over Fear Of Music. Rare muziek, geen gitaren maar synthesizers. Die eerste twee platen waren veel beter, die moest ik eerst maar eens proberen.

Maar ik wilde Fear Of Music, die had ik gehoord in de elpee tuin Willem van Beusekom.

Inderdaad, een rare plaat. Maar minder moeilijk dan ik dacht. Dat rare koortje in Animals vond ik meteen mysterieus mooi, en Cities bleek zelfs een liedje dat ik mee kon zingen. Goed, dat nummer Drugs leek me van een morbide inhoud getuigen en was wat moeilijker te doorgronden.

Maar ik vond dat ik voor het examen ‘moeilijke popmuziek’ geslaagd was. Het voelde zoals ik me voelde toen ik tijdens wiskunde ineens logoritmiek of de stelling van Pythagoras begreep.

Ik kon Fear Of Music aan en durfde dus ook wel platen van Magazine, Wire en ja, even later, Joy Division aan.

Fear Of Music had mij de sleutel gegeven tot een hoger niveau van de popmuziek. Ik begreep Talking Heads, de band waarover ik steeds vaker las dat ze de beste nieuwe band van hun tijd waren, en ik begreep steeds meer van hun interviews.

Zonder Talking Heads was ik misschien wel nooit naar Joy Division of Pere Ubu gaan luisteren, en was ik misschien nooit zo obsessief met muziek bezig gebleven.

Toen een jaar later Remain In Light uitkwam, die als veel minder ondoorgrondelijk werd ervaren, en zelfs enkele van mijn klasgenootjes de band roemden, kon ik stoer zeggen: joh, dat wist ik al lang.

Ik was fan. Ik zag de band op een donderdagavond , 11 december 1980 in de Jaap Eden Hal, en ging de volgende dag weer gewoon naar school. Maar ik wist dat ik bij iets bijzonders geweest was, want die elf mensen op het podium, na de B-52’s en het reeds lang vergeten Pearl Harbour And The Explosions, hadden grote indruk gemaakt.

Nu dertig jaar later denk ik er nog altijd aan terug als aan iets legendarisch. Volgens mij is de band daarna nog maar 1 keer in Nederland geweest, in Leiden, maar daar was ik niet bij.

Talking Heads is altijd een soort van ijkpunt gebleven. Als er een nieuwe band opdook, waar veel over te doen was, dacht ik altijd: goed, maar vind ik het zo goed als Talking Heads?

Meestal niet. Ook de platen van Talking Heads zelf vond ik niet zo goed als die eerste vier uit hun eigen catalogus.

Van Speaking In Tongues kocht ik in 1983 de veel te dure luxe editie van Robert Rauschenberg, waar er zoals ik bij Steenstra las, slechts 50.000 van werden gemaakt.

Goede plaat wel, maar geen Remain In Light. Little Creatures uit 1985 vond ik veel te gewoontjes al gaf ik dat liever niet toe. Wel was ik ondersteboven van de concertfilm Stop Making Sense. Ik zag de film voor het eerst in maart 1985 in Londen, waar ik een paar dagen op vakantie was. Een betere muziekfilm heb ik sindsdien niet meer gezien.

Maar Talking Heads werd, ook omdat ze nooit meer hier kwamen voor concerten, steeds meer iets uit het verleden. De muziek vond ik toch allemaal wat minder, ook al riep ik heel hard dat ik Naked uit 1988 geweldig vond.

Ik kan me ook goed de scheuring in band voorstellen. David Byrne die samen met de intellectueel minstens zo ver volgroeide producer Brian Eno maar met boeken en films aan bleef komen, terwijl de rest van de band gewoon lekker muziek wilde maken.

Steenstra schrijft ook ergens dat Tina en Chris enigszins gepikeerd reageerden als ze werden beschuldigd van te hoge pretenties: allemaal de schuld van David Byrne met zijn boekenlijstjes.

Maar toch bleef ik Byrne volgen. Die film, True Stories zag ik op de eerste dag, het boek kocht ik meteen. Toen hij in 1989 een eigen platenlabel begon Luaka Bop, vond ik dat meteen prachtig. Die verzamelaars van hem met Braziliaanse muziek eveneens, ook al had ik tot die tijd er nooit enige aandacht aan geschonken.

Zoals Elvis Costello me met iedere plaat van hem op een ander genre wees en ik via hem in oude soul en country de weg vond, zo wees Byrne me op Afrikaanse muziek, funk, samba en andere niet-Westerse pop.

Interviews met hem verslond ik, en toen begin 1988 het boek What The Songs Look Like verscheen, kocht ik dat meteen, want zoveel boeken over of met popmuzikanten verschenen er in die tijd nog niet.

Kunstenaars en illustratoren maakten in dit boek tekeningen bij nummers van Talking Heads. Behalve Joost Swarte kende ik bijna niemand, maar ik koester dit boek nog altijd als een van mijn eerste en meest geliefde popboeken.

Maar hoe zeer de man me ook bleef interesseren, ik moet bekennen dat ik aan zijn soloplaten die vanaf 1989 begonnen te verschijnen niet zoveel aan vond. Ik blijf maar vasthouden aan die Talking Heads platen, en aan dat album My Life In The Bush Of Ghosts dat hij in 1981 met Brian Eno uitbracht.

Daar kom ik nooit meer van af. Maar toen een paar maanden geleden de gelegenheid zich voordeed om Byrne in Londen te gaan interviewen, begon mijn hart toch wat sneller te kloppen. Mijn eerste keer met David Byrne: Andere helden als Costello en Tom Waits had ik niet 1 keer maar zelfs al drie keer geïnterviewd. Byrne nog nooit.

Er was genoeg om over te praten, zijn nieuwe plaatproject over Immelda Marcos en dat boek, de Bicycle Diaries. Ik vond het een leuk gesprek, en Byrne ook wel geloof ik.

Een maandje later begon ik het boek van Steenstra te lezen, en voelde me ineens een beetje dom. Een man zo belezen en filosofisch goed onderlegd als Byrne, moet je eigenlijk niet lastig vallen met vragen over popmuziek, zoals ik gedaan had, dacht ik even.

Onzin wellicht, maar ergens ben ik toch blij dat ik dit boek pas na onze ontmoeting las. Ik ben me er zeer klein door gaan voelen en had waarschijnlijk geen vraag durven stellen aan mijn oude held.

Maar ik ben blij dat er een boek is verschenen waarin wel recht wordt gedaan aan ’s mans enorme veelzijdigheid en eruditie, en zal het nog vaak als naslagwerk raadplegen, alleen al de lijst met Byrne’s eigen bibliografie kan me nog tijden bezighouden.

Van David Byrne kan ik nog veel leren, van dit boek ook.

Meer over