Hoe alledaagser het terrorisme, hoe kleiner de impact

Met elke aanslag raken terroristen verder verwijderd van hun doel: angst zaaien en publiciteit oogsten, betoogt Sander van Walsum

Sander van Walsum
Omstanders tijdens de schietpartij in München, 22 juli 2016. Beeld afp
Omstanders tijdens de schietpartij in München, 22 juli 2016.Beeld afp

Het lijkt, anderhalf jaar na dato, alweer een eeuwigheid geleden dat de redactie van Charlie Hebdo werd gedecimeerd door islamitische terroristen. Zo vaak hebben de geestverwanten van de daders sindsdien toegeslagen. Met acties die nog bloediger en willekeuriger waren dan die van 7 januari 2015.

Zelfs de dodenrit door Nice, nog geen twee weken geleden, is alweer verdrongen van de dagorde door andere terreurdaden - ditmaal overwegend in Duitsland. Wij, al diegenen die geschokt kennisnemen van deze gebeurtenissen, denken dat het alleen maar erger kan worden. Wat kun je anders als je wilt weten wat in het verschiet ligt: je trekt de lijn van de actualiteit en het recente verleden recht door naar de toekomst. En dan zie je onvermijdelijk nog meer aanslagen met nog meer slachtoffers en samenlevingen die zich met steeds driestere maatregelen tegen 'de vijand van binnen' afschermen.

Maar het zou ook anders kunnen lopen. Het zou ook zo kunnen zijn dat we na nog een reeks geweldserupties voorzichtig kunnen constateren dat we al een tijdje niets van de baardmannen hebben vernomen. Dat de storm is gaan liggen. En dat we op zoek gaan naar een passende historische omschrijving van de bange jaren die dan achter ons liggen. Zoals de tijd van het rode terrorisme in de Bondsrepubliek als Die bleierne Zeit - naar de gelijknamige film van Margarethe von Trotta - is te boek gesteld. Sterker: uitgaande van de historische ervaring, is het waarschijnlijker dat het hedendaags terrorisme in de nabije toekomst uitdooft dan dat het in omvang zal blijven groeien. Daarvoor levert de geschiedenis ten minste vier redenen.

1) Met de verdwijning van mensen die het terrorisme goedpraten, verdwijnt ook het terrorisme zelf.

Lange tijd genoten de anarchisten in de late 19de eeuw, de Rote Armee Fraktion in de Bondsrepubliek, de Rode Brigades in Italië, de Weathermen in de Verenigde Staten en de IRA in Noord-Ierland de heimelijke sympathie van 'geëngageerde burgers'. Die namen (soms) afstand van de daden van terroristen, maar toonden begrip voor hun motieven. Pas toen de veronderstelde strijders voor de goede zaak zich ontpopten als desperado's voor wie niemand veilig was, raakten ze hun bovengrondse bondgenoten kwijt en werden hun organisaties kwetsbaarder. Die ontwikkeling is in aanzet ook zichtbaar bij het islamitisch terrorisme.

Na de aanslagen van 11 september 2001 stonden overal Bin Laden Versteher op die betoogden dat het Westen met zijn arrogantie en dubbele moraal de islamitische terrorisme over zichzelf had afgeroepen. Deze apologeten zagen zich door de inval in Irak in hun gelijk bevestigd.

De aanslag op de redactie van Charlie Hebdo gaf nog aanleiding tot een debat over de vraag of we onze vrijheid van meningsuiting niet moeten beteugelen. Maar die geluiden zijn niet meer vernomen na de talrijke aanslagen die sindsdien zijn uitgevoerd - en al helemaal niet na de dollemansrit van Mohamed Boulhel door Nice en de moord op een 85-jarige priester.

Al ondervinden islamitische terroristen meer sympathie in het eigen milieu dan de rode terroristen in de jaren zeventig, de grens van die sympathie lijkt bereikt. Wellicht ook omdat steeds vaker moslims slachtoffer zijn van aanslagen in het Westen.

Saint-Étienne-du-Rouvray: politie na moord op priester. Beeld afp
Saint-Étienne-du-Rouvray: politie na moord op priester.Beeld afp

2) De attentiewaarde van aanslagen neemt af. Terroristen verdringen elkaar van het podium.

Ook in een ander opzicht zijn de terroristen bezig hun eigen glazen in te gooien: er lijkt onderling een wilde wedijver te zijn ontbrand. Tezelfdertijd neemt de attentiewaarde van hun daden af. Aanslagen die een aantal jaren geleden weken nadreunden, zijn nu na een paar dagen alweer verdrongen door andere schokkende gebeurtenissen. Het begrip komkommertijd stamt uit een sereen en ver verleden.

Uiteindelijk zal de bijna letterlijke alledaagsheid van terrorisme het verschijnsel de das om doen. Want terroristen willen, in hun eigen perfide waan, gloriëren op de bühne. Ze willen de zichtbare helden zijn voor verdwaasde geloofsgenoten en de doodsvijanden voor elke ongelovige. Met dat oogmerk filmen zij zichzelf en leggen ze hun wandaden vast. Met dat oogmerk maken zij zoveel mogelijk slachtoffers. Om de aandacht maar zo lang mogelijk vast te houden.

Na de aanslagen in Madrid (2004) en Londen (2005) - toen dit soort terrorisme nog betrekkelijk uitzonderlijk was - werd een statement gemaakt van 'het gewone leven' dat na korte tijd weer zijn loop hernam: we laten ons bestaan niet door terroristen ontregelen. Deelname aan dat gewone leven getuigde destijds nog van moed en onverzettelijkheid.

Inmiddels hebben burgers, allen potentieel doelwit, geen andere keuze meer dan doorgaan met hun leven. Daar zit niets heroïsch meer aan. Doorgaan met leven is even alledaags als de aanslagen zelf. De angst voor terrorisme heeft plaatsgemaakt voor vermoeidheid. De vraag 'kan het hier ook gebeuren?' heeft plaatsgemaakt voor berusting. Bij de zoveelste terreurdaad in korte tijd denk je: daar gaan we weer. En met elke aanslag raken terroristen verder verwijderd van hun doel: angst zaaien en publiciteit oogsten.

3) Terroristen bieden geen verlokkende perspectieven.

De dictators van de vorige eeuw kregen niet zoveel aanhang met de daden waarmee ze nu worden vereenzelvigd, maar met schone beloften. Ze sloten een pact met het volk: wij verbouwen de samenleving en we voorzien in jullie materiële behoeften, en jullie eisen geen burgerlijke vrijheden op. In nazi-Duitsland hield dit pact stand tot de slotfase van de oorlog. De mensen gingen pas morren toen de voedselvoorziening in de knel kwam.

Terroristen beschikken niet over het wisselgeld waarmee ze loyaliteit kunnen afkopen. Ze hebben alleen het martelaarschap in de aanbieding. Daarmee hebben ze weliswaar veel onheil kunnen stichten, maar ze kunnen er geen miljoenenlegers mee rekruteren.

4) Het Westen hervindt zichzelf.

De democratische rechtsstaat is aanvankelijk altijd in het nadeel wanneer hij het hoofd moet bieden aan een totalitaire uitdaging. De kracht van het Westen - zelfkritiek oefenen, tot een vergelijk proberen te komen, een zeker geloof in rede en redelijkheid - lijkt dan een vorm van zwakte. En dat is het zeker in de ogen van de totalitaire vijand.

Maar de democratische rechtsstaat weet uiteindelijk meer mensen aan zich te binden dan een dictatuur waarvan het bestaan een doel op zich is of een terrorist wiens programma zich beperkt tot een lompe strijdkreet. De democratische rechtsstaat heeft bovendien blijk gegeven van een groter aanpassingsvermogen dan zijn uitdagers. In de 19de eeuw heeft hij een begin gemaakt met de oplossing van de explosieve 'sociale kwestie'. En hij heeft de grote dictaturen van de 20ste eeuw overleefd - zij het met moeite.

Of het nu ook zo zal gaan, hangt af van de vormen die het islamitisch terrorisme nog aanneemt, maar ook van de manier waarop het Westen daarop reageert. Om de rechtsstaat te behouden, moet hij niet onherkenbaar worden verminkt als onderdeel van terrorismebestrijding. De burgers moeten meer verantwoordelijkheid nemen voor de veiligheid in de openbare ruimte - het werkterrein van terroristen - en ze moeten zich ervan bewust zijn dat hun leefwijze sinds de Tweede Wereldoorlog nooit zo onder vuur heeft gelegen als op dit moment.

Dat moet niet resulteren in een vlucht in cynisme, referenda of rechts-populisme, maar in de bereidheid om in woord en gebaar op te komen voor het behoud van de democratische verworvenheden - waarvan matiging er één is.

Meer over