Nieuws

Historische operatie in het strafrecht – want hoe berecht je een cybercrimineel met spelregels uit 1926?

De democratische rechtsorde staat aan de vooravond van een historische operatie. Dat is in justitiële kringen de breed gedeelde opvatting over de invoering, de komende jaren, van een geheel gemoderniseerd Wetboek van Strafvordering.

Commissievoorzitter Rianne Letscher  en Secretaris-Generaal Dick Schoof tijdens de bijeenkomst bij de Hoge Raad over het nieuwe wetboek van strafvordering. Beeld Jiri Büller / de Volkskrant
Commissievoorzitter Rianne Letscher en Secretaris-Generaal Dick Schoof tijdens de bijeenkomst bij de Hoge Raad over het nieuwe wetboek van strafvordering.Beeld Jiri Büller / de Volkskrant

Wat een strafbaar feit is, en welke straf daaraan is verbonden, staat in het Wetboek van Strafrecht. Maar hoe de rechtsgang verloopt en hoe strafbare feiten worden vervolgd, is vastgelegd in het Wetboek van Strafvordering – de rode boeken waarvan de tekst teruggaat tot 1926. Het is de ruggegraat van de strafrechtspleging.

Wat is een aangifte, wat een verhoor, welke bevoegdheden zijn er, hoe verloopt een terechtzitting, wat zijn de rechten van daders, getuigen en slachtoffers, hoe werkt een beroep tegen vonnissen en arresten? Met tussentijdse wijzigingen is het wetboek steeds aan de veranderende maatschappelijke omstandigheden aangepast, maar daarmee was het ook een onsamenhangend breiwerk geworden. Met als gevolg, stelde de Algemene Rekenkamer in 2012, een te traag en soms ondoorzichtig strafproces, dat bovendien moeilijk raad weet met nieuwe vormen van criminaliteit.

Ingrijpende onderneming

Sinds 2014 is op het ministerie van Justitie en Veiligheid, met veel hulp van buiten, gewerkt aan een algehele herziening van de tekst. Die is nu klaar. Als de Raad van State en de Tweede en Eerste Kamer zich erover hebben gebogen begint de invoering: een ingrijpende onderneming, omdat zo’n honderdduizend professionals (boa’s, politieagenten, advocaten, officieren van justitie, rechters) zich de tekst eigen moeten maken. Zij moeten op cursus. Aan hoogleraar victimologie Rianne Letschert, rector magnificus aan de Universiteit Maastricht, werd in september 2019 gevraagd onafhankelijk voorzitter te worden van een ‘Commissie Implementatie nieuw Wetboek van Strafvordering’.

Dinsdag gaven zij en andere betrokkenen in het gebouw van de Hoge Raad in Den Haag een toelichting. De kosten van invoering, die in 2026 moet zijn voltooid, worden door de commissie geschat op 450 miljoen euro. Dat geld is er nog niet, zei minister Ferd Grapperhaus van Justitie en Veiligheid deze zomer in de Tweede Kamer. In antwoord op een (aangenomen) motie van het VVD-Kamerlid Ulysse Ellian, die vaart wilde maken, verwees Grapperhaus naar het volgende kabinet en waarschuwde dat behandeling in het parlement ‘op z’n vroegst voor het zomerreces van 2022’ kan plaatsvinden.

Dit terwijl er breed politiek draagvlak is voor de herziening, waarover de Raad van State zich inmiddels al buigt. Het is straks aan het ministerie om de wet die invoering mogelijk maakt aan te bieden aan de Tweede- en Eerste Kamer, zodat de volksvertegenwoordigers erover kunnen oordelen. Tegen die tijd moet ook de financiële onderbouwing zijn geregeld. ‘De voortekenen zijn gunstig’, zei secretaris-generaal Dick Schoof van Justitie optimistisch. ‘Dat moet ook wel, want als we straks wel een nieuw wetboek hebben maar geen financiering, spannen we het paard achter de wagen.’

Nieuwe misdaadvormen

Het grote doel achter de aanpassing is een rechtvaardig en voortvarend strafproces, ook in zaken waarin sprake is van relatief nieuwe misdaadvormen als cybercriminaliteit. Volgens Edwin Bleichrodt, procureur-generaal bij de Hoge Raad, is het ‘onvermijdelijk’ dat wetboeken verouderen. In het geval van het Wetboek van Strafvordering zijn vooral de ontwikkeling van het Europees recht, de toegenomen aandacht voor het slachtoffer en nieuwe technologieën er debet aan dat het huidige wetboek ‘onoverzichtelijk’ is geworden.

Bleichrodt noemde het voorbeeld van de opmars van de smartphone. Om vroeger gegevens over een persoon te verzamelen, was het doorzoeken van een woning nodig. Nu kan het openen van een smartphone al veel informatie opleveren, maar daar moet wel een wettelijke basis onder liggen. Zolang die er niet is, bepaalt de rechter wat wel en niet mag. ‘De verhouding tussen rechter en wetgever is in dit opzicht dynamisch’, betoogde Bleichrodt.

Hoogleraar straf- en strafprocesrecht Marianne Hirsch Ballin, tevens lid van de commissie-Letschert: ‘De burger moet waarborgen hebben bij overheidsoptreden en bij het ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer.’ Met andere woorden: het wetboek moet rechtszekerheid bieden, zoals artikel 107 van de Grondwet bepaalt. Ook daarin schuilt het belang van de invoering van het nieuwe wetboek. Letschert hoopt dat in een nieuw coalitieakkoord hiervoor alvast de benodigde middelen worden vrijgemaakt.

Drie verbeteringen in het nieuwe wetboek

1. Houvast voor de opsporing

Hanneke Ekelmans, lid van de korpsleiding van de nationale politie, vergeleek het Wetboek van Strafvordering met een gereedschapskist. ‘Als alles daar rommelig in zit, leidt dat tot tijdverlies.’ In de nieuwe, ‘glimmende kist’ zal bijvoorbeeld beter geregeld zijn hoe surveilleren in de digitale wereld eruit ziet. ‘Want dat is een heel ander verhaal dan surveilleren op straat. Hoe blijven we ons politiewerk rechtmatig en controleerbaar doen? Hoe ga je technisch, juridisch en ethisch om met allerlei data die wij ophalen?’ Ekelmans zei blij te zijn met meer houvast, maar benadrukte ook dat de invoering voor de politie ‘een giga-operatie’ wordt.

2. Kortere doorlooptijden

Volgens het herziene wetboek hoeft audiovisueel bewijsmateriaal niet meer helemaal te worden uitgeschreven. Dat verkort de doorlooptijd van een rechtsgang, een van de grote klachten in strafzaken. Er mag straks gewoon een gegevensdrager bij het dossier worden gevoegd. Henk Naves, voorzitter van de Raad voor de rechtspraak, uitte op dit punt zorgen. ‘Is het bekijken van bewegend beeld niet juist arbeidsintensiever? De tijd die je wint aan het begin van een proces, verlies je mogelijk weer tegen het einde.’ Met een pilot, vastgelegd in een aparte innovatiewet, zal hiermee worden geëxperimenteerd. Naves noemde invoering van het nieuwe wetboek ‘een strafrechtelijke revolutie’ en zei verder hoge verwachtingen te hebben van de meer ‘overzichtelijke catalogus voor de alledaagse rechtspraktijk’.

3. Betere kwaliteit van berechting

Een lagere rechter kan straks in een ingewikkelde zaak ‘rechtsvragen’ voorleggen aan de Hoge Raad. Zulke ‘prejudiciële’ vragen moeten het risico verminderen op tegenstrijdige uitspraken en langdurige rechtsonzekerheid. Het kan leiden tot minder doorprocederen tot aan de Hoge Raad (cassatie). Deze procedure bestaat al in het civiele recht en het fiscale recht. Slachtoffers krijgen daarnaast ruimere mogelijkheden om kennis te nemen van een strafdossier.