Historica schrijft proefschrift over omstreden fantast met fout oorlogsverleden 'Oplichter Weinreb chanteerde Buitenlandse Zaken'

Friedrich Weinreb was een leugenaar die met zijn schurkenstreken in de Tweede Wereldoorlog talrijke slachtoffers maakte. Na de oorlog was hij inzet van een heftige polemiek tussen prominente intellectuelen....

Van onze verslaggeefster

Hella Rottenberg

LEIDERDORP

Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft zich in de jaren vijftig laten chanteren door de meesteroplichter Friedrich Weinreb. BZ betaalde hem bij elkaar minstens 65 duizend gulden in 1956 en 1957. Dat is gebleken uit onderzoek van de Leidse historica Regina Grüter, die vandaag promoveert op een proefschrift over de affaire en de persoon Weinreb.

Weinreb had gesuggereerd dat de Indonesische leiders hem in Jakarta, waar hij sinds 1952 economie doceerde, onder druk zetten om een boekje open te doen over een aantal prominente Nederlanders. Er zaten al twee Nederlanders gevangen, en Den Haag was er uiterst bevreesd voor dat er meer arrestaties zouden volgen. Nederland was verwikkeld in de Nieuw-Guinea-kwestie en kon om die reden niet rekenen op internationale steun.

Om elk risico te vermijden, haalde BZ Weinreb terug uit Jakarta en nam zijn afpersingen - hij eiste royale betaling voor zijn levensonderhoud - op de koop toe. Uit geheime fondsen werden de rekeningen voldaan. De top van Buitenlandse Zaken was beslist niet naïef en vermoedde dat Weinreb de boel aan het belazeren was. 'Maar', zegt Grüter, 'gezien de benarde toestand van de Nederlanders in Indonesië, kon BZ het er niet op aan laten komen.' Weinrebs verhalen sloten zo goed aan bij de realiteit, dat ze niet zonder meer verworpen konden worden, en ze natrekken, lukte kennelijk niet. Het tekent zijn overtuigingskracht en genialiteit.

Weinreb, nu bijna tien jaar dood, sprak tot de verbeelding. Zijn figuur hoorde meer thuis in de literatuur dan in het echte leven. Tussen de vrolijke schelmen Reinaert de Vos, Tijl Uilenspiegel, Gogols Gouverneur-Generaal en Ilf' en Petrovs Ostap Bender zou Weinreb niet misstaan.

Maar Weinreb was geen geesteskind van een schrijver, en de avonturen waarmee hij beroemd werd, speelden zich af in de Tweede Wereldoorlog. Dus waren zijn schurkenstreken niet om te lachen, maar maakten ze vele slachtoffers.

Hij diste zijn omstreden verleden zo geraffineerd op, dat vooraanstaande historici en publicisten hem geloofden en zijn zaak tot de hunne maakten. Weinreb ontketende een van de heftigste polemieken, en zeker de langdurigste woordenstrijd, van na de oorlog. Pas in 1981, nadat de Tweede Kamer het rapport van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) had besproken, was Weinreb definitief ontmaskerd als een leugenaar en ebde de affaire weg.

'Hij was een schurk, maar ook een diep tragische figuur', zegt Grüter (44), die na jarenlange studie haar proefschrift Een fantast schrijft geschiedenis, dat ook als boek in de handel komt, heeft afgerond.

Friedrich Weinreb was een Galicische jood die vanaf 1916 met zijn ouders in Scheveningen woonde. Tijdens de oorlog spiegelde hij vervolgde joden de mogelijkheid voor om te emigreren naar een veilig land. Daartoe moesten ze zich voor geld op zijn lijst laten zetten. Weinreb werd opgepakt en poogde ook de Duitse bezetters om de tuin te leiden met een door hem bedachte Berlijnse generaal. Zijn lijsten waren niets waard en bleken het product van zijn levendige fantasie. Om zijn eigen hachje te redden, was hij bereid anderen te verraden. Na een proces werd Weinreb in 1948 veroordeeld.

Halverwege de jaren zestig kwam Weinreb opnieuw in de belangstelling. De historicus Presser vond in hem de zondebok voor het falen van talloze niet-joden. 'Als er geen joodse verraders waren, moest men ze uitvinden', schreef Presser, en daaromheen ontspon zich een felle discussie.

In haar jeugd, toen Grüter in Limburg woonde, ging de zaak geheel aan haar voorbij. Het waren vooral Vrij Nederland-lezers en intellectuelen die de polemiek (tussen vooral Renate Rubinstein en W.F. Hermans) op de voet volgden. Pas toen ze als studente een werkgroep volgde bij prof. I. Schöffer, ging Weinreb voor haar iets betekenen. Ze vond het fascinerend dat zoveel kritische en intelligente mensen zich door een charlatan hadden laten bedriegen.

Zelfs nadat het RIOD, volgens Grüter zeer overtuigend, had aangetoond dat Weinreb zijn heldendaden grotendeels had verzonnen, weigerden zijn verdedigers hem te laten vallen. Renate Rubinstein zweeg, Maarten Brands en Godfried Benthem van den Bergh hadden plotseling hun interesse verloren. Zij sloten zich zozeer af voor de pijnlijke waarheid, dat ze het RIOD-rapport - een dikke pil van 1683 pagina's - niet eens lazen.

Aad Nuis, toen literatuurcriticus en nu staatssecretaris van Cultuur, las het wel en schreef een weerlegging van het RIOD-rapport, dat in 1979 het licht zag als Het monster in de huiskamer. Nuis' argumentatie rammelde, en hij gaf de RIOD-conclusies niet eerlijk weer, meent Grüter. 'Toen ik vorig jaar met Nuis sprak, vond hij nog steeds dat Weinreb geen verrader was. Nuis was ongrijpbaar. Vriendelijk lachend reageerde hij op mijn vragen, zonder een duidelijk antwoord te geven. Ik zou willen weten hoe het werkt in zijn brein', zegt Grüter, die tijdens het werken aan haar proefschrift hierop kennelijk geen bevredigend antwoord heeft gevonden.

Weinrebs memoires vielen in vruchtbare aarde. Zijn Collaboratie en Verzet. Een poging tot ontmythologisering verscheen in 1969, op een moment dat gezagsgetrouwheid als een burgerlijke zonde gold. Weinreb beschreef zijn eigen listige heldenrol in de bezetting tegen de achtergrond van passiviteit en collaboratie van de Nederlandse bevolking en ambtenarij. Weinrebs boek week af van het gangbare beeld van de oorlog. In Nuis' woorden: 'Minder cowboys en indianen, meer onverschilligen, bangen, eenzamen, opscheppers, halfslachtigen.'

Weinrebs lef en anti-autoritair gedrag spraken Roel van Duijn zo aan, dat hij de 'chassidische bellenblazer' (kwalificatie van W.F. Hermans) op zijn Kabouterlijst wilde plaatsen. Het was 'links' om pro-Weinreb te zijn - wie in hem een oplichter zag, stond geboekstaafd als 'rechts'.

Een kwart eeuw later staat de oudere VN-lezers de controverse nog wel bij. 'Ze weten', merkte Grüter, 'dat Rubinstein en Hermans de polemisten waren. Soms noemen ze Nuis. Maar de afloop heeft haast niemand opgevangen. Ze vragen: was hij nou goed of fout?'

Bij historici gelden de memoires van Weinreb nog steeds als een belangrijk document, althans dit bleek uit een enquête van het VPRO-programma O.V.T. De sfeertekening die Weinreb schetste, sprak velen erg aan. Is zijn invloed daarom, ondanks het RIOD-rapport, groot?

Grüter: 'Ik denk dat er historici zijn die zijn weergave waardevol vinden. Maar bij hem is moeilijk te ontwarren wat waar en onwaar is. Hij heeft over mensen zulke kwetsende dingen geschreven die niet klopten, maar goed pasten in de sfeer. Ik vind dat je Weinrebs memoires niet als bron kunt gebruiken. Er zijn legio andere memoires en dagboeken, die een tijdsbeeld geven. Zoek een authentiekere bron. Deze is besmet.'

Weinreb gebruikte zijn fantasie niet alleen in een levensbedreigende situatie, concludeert Grüter na het bestuderen van de dossiers bij Buitenlandse Zaken. 'Het was iets dat samenhing met zijn persoon, het was een pathologische neiging.' Dat werd al ingezien door Weinrebs aanklager in 1948, die hem treffend typeerde met een term die alleen in het Duits bestaat: een Hochstapler.

Of haar proefschrift de discussie over Weinreb zal doen herleven, durft Grüter niet te zeggen. Ze hoopt van niet, want: 'Ik hou helemaal niet van polemieken.'

Meer over