HIGH STREET

Soms houdt een stad zich aan de literaire verbeelding ervan. Ze lijkt de teksten over zichzelf te kennen en zich ernaar te gedragen....

Ik zag wat ik had gelezen: een schitterend verhaal - van wie? - over twee journalisten op de eerste dag van de Tweede Wereldoorlog, lopend in Fleet Street. Het waait en een krant danst verlaten door de lucht. Die eenzame krant - daar ging het om. Maar ook om het gevoel van die oorlogsdag, de leegte en de onzekere toekomst. De huizen leken op hun verwoesting te wachten. Ik liep daar ineens in 1939. De volgende keer was het gewoon weer heden en de verlatenheid van de straat na het vertrek van de kranten niets meer dan doodsheid. Een straat waar de ziel uit gewaaid is. (Misschien dat later een opwaaiende krant daar aan het grote journalistieke verleden herinnert.)

Een van de mooiste prozastukjes die ik ken, staat aan het begin van het eerste hoofdstuk van het eerste deel, 'Et in Arcadia ego', van de roman Brideshead Revisited van Evelyn Waugh. Ik heb het wel eens meer geciteerd, maar wat goed is, mag herhaald worden. De verteller herinnert zich zijn aankomst in Oxford als eerstejaarsstudent. (Ik kan de zinnen niet lezen zonder de stem van Jeremy Irons te horen, hij was de verteller in de televisieserie die in het begin van de jaren tachtig van de roman is gemaakt). 'Oxford in those days, was still a city of aquatint. In her spacious and quiet streets men walked and spoke as they had done in Newman's day; her autumnal mists, her grey springtime, and the rare glory of her summer days - such as that day - when de chestnut was in flower and the bells rang out high and clear over her gables and cupolas, exhaled the soft airs of centuries of youth.'

'Such as that day' was de zomerdag dat ik in Oxford was. Het naderen van de stad heeft iets van het einde van een pelgrimstocht: daar ligt de heilige stad met zijn koepels en torens. Ik nam de bus van het station, dat enigszins buiten de stad ligt, en daar stond ik ineens in High Street, op het punt vanwaar bijna alle foto's worden gemaakt: vlak voor de bocht, waarin zich Queen's College met zijn voorgevel van alle eeuwen bevindt. Iets verder ligt All Souls College, waar John Sparrow warden was (wat ik toen niet wist) en boven alles uitstak de schitterende spits van St Mary the Virgin, de University Church. John Henry Newman was er vicar van 1828 tot 1843 en in die kerk begon de Oxford Movement.

Ik stond daar in de warmte van het middaguur. Het was vakantietijd. De straat was nagenoeg verlaten. Het had de jaren twintig kunnen zijn, toen Waugh in Oxford aankwam, maar ook de eerste helft van de 19de eeuw. De lucht was helder en de oude gebouwen ademden hun jeugd uit. Het moet die kleine gedachte aan de heel grote Newman zijn geweest die mij ineens het begin van Brideshead te binnen bracht.

De straat was als zoals de stad in de roman. Ik stond in een levende prent. Als mij mensen zijn gepasseerd, moeten zij hebben gesproken met de zachtheid van de beschaving uit Newmans dagen. De straat was zich zijn literaire verbeelding bewust; hij was tijdloos - 1970, 1923, 1840, ze vielen samen. Ik ging even Queen's College binnen, schuw als een indringer. Alles was verlaten. Maar het gebouw had aan zichzelf genoeg en aan alle geleerdheid van eeuwen die er binnen is blijven hangen. Het is een streng gebouw, maar geleerdheid hoort zich ernstig voor te doen. Ze moet niet behagen, maar afschrikken. Ik stond op de drempel en voelde mij heel dom.

Ik liep verder in die paar zinnen van Waugh. De hele stad hield zich aan zijn literaire gestalte: eerder noch later heb ik Oxford zo okerkleurig gezien, de stad zo als een eenheid beleefd. Ik liep High Street uit, sloeg rechtsaf en daar lag Christ Church met de door Wren gebouwde toren die Tom Tower heet of - alleen voor wie als bewoner recht van spreken heeft - Old Tom. Ik ging erheen voor de kathedraal, maar bleef wat in de gangen hangen, stond lang stil in de Hall, steeds alleen en als ik door iemand werd gepasseerd, deed die of ik niet bestond. En dat is een mooie gewaarwording. Ik dacht aan de vorming die alleen al zo'n gebouw in zo'n stad je meegeeft, de verslaaafdheid die het studeren daar kan veroorzaken.

Het toeval nam een binnenweg naar het doel. Plotseling stond ik buiten en daar lag ineens de cultuur van de natuur; de Schepper moet er de paradijstuin naar hebben gemaakt, de wat landelijk aandoende paden waren de High Streets van de beschaving, de boompjes erlangs leken net geplant. Ik stond voor Christ Church Meadow. Het heldere licht maakte alles als op een eerste dag en ik begreep door dat licht ineens de jonge gestalte die de stad en High Street die middag hadden. Alles was net begonnen. En dat is het wezen van de cultuur. Zou er niet een gedicht of mooie prozatekst over die 'meadow' bestaan? In de verte liepen twee jongemannen in wat een ernstig gesprek leek. Ik benijdde hen.

In de kathedraal, die de Collegekerk is, was God alleen in het halfduister. De eeuwigheid kent geen vakantie. Ik zat er wat te suffen en dacht aan Lewis Carroll, die zoveel jaren in Christ Church heeft gewoond en hier in deze kathedraal een paar keer heeft gepreekt. Maar de toehoorders vielen haast uit de bank van verveling, terwijl er toch over het Wonderland van het geloof de meest fantastische dingen zijn te vertellen.

Ik dwaalde die middag wat door de stad, zag de liefste colleges met veel bloemen; de namen ben ik vergeten. Laat in de middag kwam ik weer in High Street. Het was er druk geworden, lawaaiig ook. De straat was zijn literaire gestalte vergeten, zijn aquatint-karakter ook. Hij was in een middag eeuwen ouder geworden. Een gewone buitengewone straat.

Meer over