Hier, ouwe zuiplap

Mischa, dat is Mizjinka, oftewel Minka. Zij is het geweldigste meisje van de stad, of nee, laat ik er maar geen doekjes om winden, van het hele land, nee van ons continent, nee van de aarde, nee van de melkweg....

Wij hadden gegeten in een sjiek restaurant. Maar liefst vier bedienden liepen er rond onze kleine tafel te springen en te knipmessen, een voor de drank, een voor het voedsel, een om sigaretten aan te steken met een aansteker van puur goud en diamanten, en een om te vragen of alles naar wens was en of het wel smaakte allemaal.

'Is alles naar wens en smaakt het wel allemaal?'

Mischa werd er helemaal zenuwachtig van, dus vroeg ik beleefd aan die bediende of hij niet liever bij een ander tafeltje wilde gaan staan.

Ik nam bouillabaise, een soep uit Marseille met daarin vele soorten vissen. Het leek net alsof ze nog rondzwommen in het bord, zo vers waren ze, die vissen. En wat smaakten ze lekker! Het leek wel of er voor elke vis - voor de poon, de wijting, de zeeduivel en god mag weten wat er nog meer in die soep rondzwom - een aparte wereldberoemde Franse gespecialiseerde kok was ingehuurd. Werkelijk, geen graatje was er te vinden in die soep.

Maar moet je nu eens horen wat Mischa nam: gebakken reuzengarnalen! Helemaal uit China notabene. Wat een grote garnalen waren dat, het leken wel kleine persoontjes met een eigen vader en moeder, een eigen karaktertje en al, zo groot waren ze. Net zo groot als zeepaardjes, als ik er eens goed over nadenk. Mischa at haar vingers er zowat bij op, zo lekker vond ze het, echt waar, ik lieg niet.

Toen wij klaar waren met alles, namen we nog een glas Jelinek koshere slivovitz om een einde te maken aan de feestmaaltijd. En daarna nam ik er nog een met de woorden: 'Nog eentje graag, kom op, schenken man! Hier, helemaal vol. De blaren staan op m'n tong man' Dat is een zin uit het boek Gargantua en Pantagruel van Rabelais.

Onderweg naar huis stond er een oude man te graaien in een vuilniszak. Zijn hoofd stak zowat helemaal in die zak, alsof hij ik-weet-niet-wat voor reuzengarnalen op het spoor was. Een voorbijkomende man zei tegen hem: 'He, wat ben je daar aan het doen, ouwe zwerver, wat denk je daar te vinden? Je bent zeker te lui om te werken dat je in een vuilnisbak terecht moet voor een hapje van het een of ander.' Hij was in een goede stemming, hij had zeker vorstelijk gegeten, net als wij. Dus zei hij: 'Hier, ouwe zwerver, hier heb je een geeltje van me, pak het maar aan en ga er maar van eten. Hier om de hoek is een goeie Chinees, daar kun je voor dat geld heel wat te bikken halen, en nog een paar flesjes drank erbij, dan kun je je ook nog bezatten, want dat wil je natuurlijk het liefst, ouwe zuiplap die je bent.'

Er gaat niets boven een potje schelden. Maar liever had ik die ouwe zuiplap zelf een geeltje gegeven.

Peter Bekkers

Meer over