Het zwijgen van Couperus

Je stapt voor het eerst een vreemde wereld binnen. Een nieuwe school, een nieuwe stad, een nieuwe plek in de krant....

Marjolein Februari

Je bent immers zo vreselijk anders dan ze hadden gehoopt, zoveel ouder, zoveel vager, zoveel radicaler, zoveel verlegener, of arroganter, zo ontegenzeglijk van de verkeerde sekse. Natuurlijk zullen ze na verloop van tijd wel aan je wennen. Maar de eerste keer! Mijn hemel!

Als buitenstaander zijn er twee dingen die je dan op zo’n nieuwe plek kunt doen. Of je aanpassen. Of je niet aanpassen. Dat klinkt allebei heel simpel, en rondom beide strategieën zijn volop boeken en cursussen verzonnen. Realistische cursussen, waar je leert de dynamiek van de bestaande groep te begrijpen, en waar je advies krijgt over je mogelijke rol daarin. En romantische cursussen, waar je juist leert je eigenheid te bewaren. Want het gaat er in het leven niet om je aan te passen, zeggen de romantici, maar om op te vallen.

Het klinkt simpel: aanpassen of opvallen. Maar terwijl ik me zenuwachtig maak over mijn nieuwe bestaan, en niet weet welk onderwerp ik nu eens zal kiezen, lees ik een spiksplinternieuw boek over Couperus, waaruit ik begrijp dat de keuze helemaal niet zo simpel is. Vorige week stond in de Volkskrant al een voorpublicatie uit dat boek, Een dandy in de Oriënt van José Buschman, en toen ging het vooral om de exotische clichés die de grote schrijver Louis Couperus door het hoofd spookten zodra hij op reis ging naar Algerije. Mij gaat het vooral om Couperus als stukjesschrijver en als buitenstaander.

Het boek begint als Couperus nog in Den Haag woont en er geruchten de ronde doen over zijn homoseksualiteit; in satirische bladen verschijnen spotprenten van ‘Mademoiselle Couperus’ die zich, gezeten aan een kaptafel, poedert. Er zoemen ongefundeerde verhalen rond over betrokkenheid bij zedenschandalen. Het klimaat in Nederland, schrijft Buschman, was nu eenmaal ‘ronduit vijandig voor wie behept was met een contrair geslachtsgevoel’.

Nu kan het voor een schrijver uiteraard geen kwaad om op te vallen. Je aanpassen hoort niet bij het romantische idee van de kunstenaar; genialiteit springt überhaupt snel in het oog en roem vraagt om een zekere bereidheid tot exhibitionisme. Toch kent de romantiek van het buitenstaanderschap haar grenzen, en Couperus voelt zich in 1920 door al dat geroddel over zijn leven oud, moe, ziek en gedeprimeerd. In de herfst vertrekt hij zonder veel voorbereidingen naar Algerije.

Daar komen we de grote schrijver tegen als hij in opdracht van de Haagsche Post brieven schrijft over zijn wederwaardigheden. Waarover schrijft zo’n stukjesschrijver dan in zijn brieven, vraagt José Buschman zich af, en waarover schrijft hij vooral ook niet? En, voeg ik daar al lezende aan toe, wat heeft de keuze voor zijn onderwerpen te maken met zijn eigen gevoel van vreemdheid en ontheemdheid in de wereld?

Al mijn hele leven ben ik een bewonderaar van Louis Couperus, de grote columnist, en dus volg ik hem op zijn reizen door Noord-Afrika ademloos. Maar ik raak tegelijkertijd ook steeds nerveuzer over mijn eigen situatie en lees om te kalmeren op internet alle adviezen die ik maar kan vinden over fitting in. Als je je draai wilt vinden op je werk, schrijven de deskundigen, en toch je eigenheid bewaren, moet je je niet terugtrekken in passiviteit, en ook je tijd niet verspillen aan mensen die je tegenwerken. Het gaat erom dat je op zoek gaat naar het juiste moment ‘om je waarheid uit te spreken’.

Jawel, maar dat is bij stukjesschrijver Couperus nu precies het probleem. Eenmaal in Algerije schrijft hij juist niet de waarheden op die hij zou moeten opschrijven. Hij babbelt wat over kamelen en melancholie, over krijsende stemmen en danseressen, maar spreekt hij zich uit over de Franse overheersing? Nee. Heeft hij oog voor de ellendige positie van de vrouw in de islam? Nee. José Buschman laat in haar boek goed zien waarover de stukjesschrijver zwijgt.

Ze voert een bonte stoet op van reizigers die aan het begin van de 20ste eeuw ook door Noord-Afrika trekken en daar een heel andere werkelijkheid zien. Westerse intellectuelen met een diepe belangstelling voor de islam, die nieuwsgierig, onderlegd en kritisch schrijven. Onder hen de gereformeerde voorman Abraham Kuyper; ook hij is gevoelig voor de schilderachtigheid van de Oriënt, maar net als veel anderen heeft hij scherpe kritiek op de kolonisatie. De Fransen brengen naast rijkdom ook armoede en gaan weinig hoffelijk om met het Algerijnse volk. Tegelijk schrijft Kuyper met grote afkeuring over de onderdrukking van de vrouw in de islam.

Zo lees je in honderd jaar oude reisverslagen de dingen waarmee we nu nog steeds worstelen. Waarom de hoofdredacteur van de Gay Krant een uitspraak verlangt van Tariq Ramadan over de positie van vrouwen en homo’s; waarom jonge, Nederlandse moslims nog steeds problemen hebben met de aanwezigheid van het Nederlandse leger in Afghanistan.

En Couperus? Die zwijgt. Omdat hij zich vreemd voelt. Omdat hij zijn draai niet kan vinden, zodat hij voor de hand liggende onderwerpen, die hem anders ter harte gaan, laat liggen. En uit louter imitatiedrift heb ik zelf, aan het eind van de week, ook nog steeds maar geen onderwerp. Hooguit heb ik geleerd, door over zijn situatie te lezen, dat je niet moet opvallen of je aanpassen, maar dat je je waarheid moet uitspreken. Wat een zenuwslopende gedachte!

Meer over