Het zingen van zielloze steden

Eigenlijk kan ik nu wel weg uit Amerika. Ik heb de piano aangeraakt die zo redeloos vrolijk door Marvin Gaye’s Pride and Joy heen pingelt....

Philippe Remarque

En nu stond hij daar, de afgetrapte zwarte vleugel die op alle Motown-hits heeft meegedaan. In ‘studio A’, naast het drumstel waarop Little Stevie Wonder heeft leren drummen. Motown bleek gevestigd in een absurd klein eengezinshuis in Detroit.

Oprichter Gordon Berry woonde er gewoon boven de zaak. Marvin, Gordons zwager, deed aan de keukentafel zelf de Pride and Joy-singletjes in de hoesjes, vertelde de zwarte jongen die ons rondleidde. Hij liet ook nog zien hoe Gordy het echo-effect bereikte bij het handgeklap in het begin van het liedje: door zijn microfoon in de oude vliering te steken.

U begrijpt dat ik redeloos vrolijk Detroit weer inliep. De stad is een verzameling fabrieksterreinen en aftandse woonwijken, doorkruist door autowegen (oké, in het centrum staan een paar fijne wolkenkrabbers).

Zo zijn Amerikaanse steden. Ze hebben geen echt hart en zijn ingericht voor eindeloze stromen auto’s. Als Europeaan begin je na een tijdje krachtig te verlangen naar een pleintje met een terras erop. Of geef me dan ten minste één krom straatje.

Memphis, waar ik een week later was, kon dit ook niet bieden. Weer zo’n stad waarin de gebouwen en snelwegen zijn neergesmeten alsof iemand veel haast had.

Maar door mijn hoofd speelde steeds het tragische liedje van Chuck Berry: ‘Long distance information, give me Memphis Tennessee’. En daar was verdomd de YMCA! Dat zingt Elvis toch, in Guitar Man? ‘I hitchhiked all the way down to Memphis, got a room at the YMCA.’

De volgende dag stond ik in de Sun-studio, waar Johnny Cash I walk the line heeft opgenomen en Elvis Hound dog . ’s Avonds zag ik in de juke joint in Beale Street oude zwarte mannetjes spelen op gitaar, bas en drums: The Dr. Feelgood Potts band.

Ze zaten er dik en onbeweeglijk bij, als suppoosten in een museum voor mineralen en halfedelstenen. Ze deden dit duidelijk iedere dag. Maar ze speelden hun rythm and blues duizend keer strakker dan ik het ooit zal kunnen.

In deze straat stond Steve Cropper naar binnen te loeren, een blanke jongen die de kunst afkeek bij de zwarten en later gitarist zou worden van het legendarische Stax-label in Memphis. U kent die gitaarlick van hem wel, aan het begin van Soul Man.

Nu ik toch bezig was, ging ik ook nog naar de slordige wijk waar Try a Little Tenderness van Otis Redding is geboren (met Cropper op de gitaar). Staand bij het Hammond-orgel van Booker-T begreep ik het eindelijk: ik moet niet mopperen op de steden.

Dit land heeft de muziek voortgebracht die me al mijn leven lang begeleidt. Hoezo, cultuurloos? Jazz, blues, soul, rock ’n’ roll, het komt allemaal hiervandaan, uit de zwarte kerk in het zuiden van de VS. The Beatles speelden gewoon Memphis, Tennessee van Chuck Berry na. Over de hele wereld zijn deze plaatsnamen in het geheugen gegrift, van mensen die er nooit zijn geweest.

Dus laat die kromme steeg, dat pleintje en die oude kerk maar in Europa. De Sun-studio, geboorteplaats van de rock ’n’ roll, hoort júist een onooglijk gebouwtje te zijn, aan een zielloze straat.

Verderop, bij Baton Rouge, had ik mijn les geleerd. ‘Busted flat in Baton Rouge, waitin’ for a train’ klonk het alweer in mijn hoofd, in de zuidelijke tongval van Janis Joplin. Maar ik besloot gewoon door te rijden. Gezongen is de stad veel beter. ‘Bobby thumbed a diesel down, just before it rained’, zingt Janis Joplin. ‘It rode us all the way to New Orleans.’

Daar ging ik ook maar naar toe.

Philippe Remarque

Meer over