AnalyseArabische Lente

Het werd geen echte ‘Arabische lente’, maar de opstanden gaan 10 jaar later nog altijd door

Tienduizenden mensen nemen deel aan een demonstratie tegen een besluit van president  Mohamed Morsi, 27 november 2012.  Beeld AFP
Tienduizenden mensen nemen deel aan een demonstratie tegen een besluit van president Mohamed Morsi, 27 november 2012.Beeld AFP

De term ‘Arabische lente’ is achteraf te haastig gekozen. De omwentelingen en de vrijheid die 10 jaar geleden in de Arabische wereld in de lucht hingen zijn op een uitzondering na uitgebleven. Maar de Arabische wereld is niet meer dezelfde als voorheen: de heersers zijn kwetsbaar geworden.

Eigenlijk was het een incident van niks. De 26-jarige fruitverkoper Mohamed Bouazizi kreeg, op de ochtend van 17 december 2010, gedoe met de politie, die zijn stalletje omver gooide omdat hij geen marktvergunning had. Geld om de agenten om te kopen, zoals gebruikelijk was, had hij niet.

Het was het soort machtsmisbruik dat jonge werkenden en werklozen in Tunesië en elders in de Arabische wereld maar al te goed kennen. Maar juist daarom sprak het zo tot de verbeelding dat de wanhopige Bouazizi zich met benzine overgoot en in brand stak, nadat hij bij het kantoor van de gouverneur in zijn woonplaats Sidi Bouzid vergeefs om belet had gevraagd.

Zijn zelfverbranding was de lont in het kruitvat. Tunesië kwam in opstand tegen het regime van dictator Ben Ali, die al na vier weken van demonstraties op het vliegtuig stapte naar Saoedi-Arabië. Spoedig volgde Egypte, toen Libië, vervolgens Syrië.

Tahrirplein

‘Ik ruik vrijheid’, zei de 23-jarige student tandheelkunde Abdelrhman, lurkend aan een shishapijp in café Wadi Nile aan het Tahrirplein in Caïro, een dag voor de eerste betoging tegen president Hosni Mubarak. Onder Mubarak ‘is er niets’, zei Abdelrhman. ‘Geen werk, geen toekomst, geen democratie. De parlementsverkiezingen waren een en al bedrog. Ze houden ons voor de gek.’

Meer nog dan de volksopstand in Tunesië trok de ‘25 Januari Revolutie’ van het Tahrirplein wereldwijd een ademloos toekijkend publiek. ‘Arabische Lente’ was (althans in het Westen) al snel de optimistische omschrijving van de ongelooflijke gebeurtenissen in een regio die versteend had geleken in dictatuur en verspilde kansen.

Ook Mubarak hield niet lang stand, gevolgd door de Libische leider Moammar Kadhafi, door rebellen doodgeschoten na uit een rioolbuis te zijn gesleurd. Als dominostenen kukelden de dictators om: zie de mannen vallen. Maar mocht al even de hoop zijn opgeflakkerd dat Arabische jongeren voortaan met een paar weken bezetting van een stadsplein de toekomst naar hun hand konden zetten, dan werd dat optimisme spoedig gelogenstraft.

Libië viel ten prooi aan jonge mannen met te veel testosteron en te grote geweren. Jemen raakte in een burgeroorlog die werd aangewakkerd door rivaliserende buurlanden. Elders werd de onrust gedempt met wat handige concessies. Egypte kreeg met generaal Abdel Fattah el-Sisi een regime dat veel strenger was dan dat van Mubarak.

null Beeld

Syrië

Het was echter vooral Syrië dat aan alle hoop een eind maakte. President Bashar al-Assad wilde van geen wijken weten, stuurde zijn troepen op vreedzame demonstranten af en stortte zo zijn land in een burgeroorlog die inmiddels ruim een half miljoen mensen het leven heeft gekost. Als er iets is dat tot de conclusie noopt dat de Arabische opstanden, tien jaar later, per saldo meer ellende hebben veroorzaakt dan opgelost, dan is het wel de vernietiging van de Syrische natie.

Is de Arabische Lente daarmee mislukt? Wel als we vasthouden aan de malle voorjaarsterm. Niet als we die vervangen door ‘Arabische opstanden’, een proces van jaren met ongewisse uitkomst dat gepaard zal gaan met ‘tegenvallers, verraad en nederlagen’, zoals Midden-Oostenkenner Jean-Pierre Filiu in 2011 schreef. Drie stappen vooruit, twee achteruit – of andersom.

Eén voorspelling is in ieder geval niet uitgekomen. Neoconservatieve commentatoren wisten indertijd zeker dat alle massaprotest slechts kon uitmonden in de heerschappij van de Moslimbroederschap. Dat is nergens gebeurd. Sterker, de Moslimbroeders hangen in Egypte, hun kernland, murw geslagen in de touwen. Zij bleken over minder politieke slimheid te beschikken dan hun was toegeschreven. Het leger gaf de doorslag.

Civil society

In Tunesië gebeurde het tegenovergestelde, hoewel ook daar het leger een beslissende rol speelde: door zich buiten de politiek te houden. Dat werd overgelaten aan een andere kracht, die van de democratische omwenteling in Tunesië wel een succes zou maken: de civil society. Decennia, of misschien wel 150 jaar, van investeren in onderwijs wierpen zo hun vruchten af.

Een soms knetterende transitie werd bekroond met een voorbeeldige democratische grondwet. Het kwartet van vakbeweging, werkgevers, advocatenorde en mensenrechtenbeweging werd terecht beloond met de Nobelprijs voor de Vrede. De vakbonden waren cruciaal. Zij waren het die de politieke partijen voor het blok zetten: laat de rede zegevieren, anders wordt het hier net zo’n puinhoop als in Egypte.

Arbeidersklasse

Het concept van de civil society verdient daarom een aanvulling: ook een volwassen arbeidersklasse kan nodig zijn voor een succesvolle overgang naar democratie. De vraag is dan wel wat eerst komt, de kip of het ei. Het gebrek aan banen scheppende productiviteit is het grote probleem van de Arabische wereld, met zijn jonge, werkloze bevolking. Maar juist daar hebben de lokale heersers geen oplossing voor.

Dat besef leeft onder de bevolking van de regio in 2020 niet minder dan in december 2010. Vandaar dat het Al-shaab yureed isqat al-nizam (‘Het volk wil de val van het regime’), de leus van alle revolutiepleinen tien jaar geleden, steeds weer blijft weerklinken, op diverse plekken.

In Algerije, Soedan, Irak en Libanon werden de machthebbers vorig jaar ter verantwoording geroepen door burgers die schoon genoeg hadden van corruptie, onvrijheid en economische malaise. Vooral in Soedan leidde dat tot (enig) resultaat. De machtspositie van de Arabische elites is veel minder vanzelfsprekend dan ze vóór de wanhoopsdaad van Mohamed Bouazizi was. De Arabische opstanden zijn niet mislukt, ze zijn nog volop gaande.

Meer over