Het was een eer

Kelly Moore had op 11 september 2001 bijna aan boord gezeten van United Airlines-vlucht 93, het gekaapte toestel dat neerstortte. Daarna groeide de juriste uit tot een van de toonaangevende terrorismebestrijders in de Verenigde Staten. 'Ik heb me rot gewerkt.'

Om voor haar werk vroeg aan de Amerikaanse westkust te kunnen zijn, wilde Kelly Moore op 11 september 2001 het eerste vliegtuig van New York naar San Francisco pakken. Vlucht 93 van United Airlines vertrok om acht uur, maar dat leek Moores secretaresse wat veel van het goede; haar baas had een hekel aan vroeg opstaan. Ze boekte de jonge officier van justitie op de volgende vlucht, samen met twee FBI-agenten.

Moore houdt niet van wilde gedachte-experimenten. Maar toch. Wat als zij, een terrorisme-expert in wording, aan boord was geweest, samen met de twee gewapende mannen? Waren de passagiers eerder in opstand gekomen? Zouden de kapers zijn overmeesterd? Of zou het vliegtuig toch in Pennsylvania zijn neergestort, zoals ook de onlangs uitgekomen speelfilm United 93 laat zien?

'Ik denk niet dat het anders was gelopen', zegt Moore (39). Ze denkt even na en schudt dan haar hoofd. 'Er was te weinig tijd om iets te doen met de informatie dat vliegtuigen als wapens werden gebruikt.'

De volgende vlucht naar San Francisco vertrok nooit. Moore ging met loeiende sirenes terug naar New York, waar de torens van het World Trade Center net waren ingestort toen ze aankwam. In de weken die volgden, pendelde ze heen en weer tussen Ground Zero en het nabijgelegen FBI-kantoor, op zoek naar informatie en aanwijzingen.

In korte tijd ontwikkelde ze zich in New York tot een toonaangevende jager op terroristen en hun financiers. Ze leidde de antiterreureenheid bij de divisie-Brooklyn van het federale Openbaar Ministerie. Ze boekte successen met die eenheid en werd geprezen door president Bush.

Na elf jaar als aanklager verliet Moore kortgeleden het Eastern District in Brooklyn voor een mooie baan bij een advocatenkantoor. Zodoende kan ze nu praten over haar rol in de aanpak van terreur. Dat wil zeggen: over de grote lijnen die niet onder de geheimhoudingsplicht vallen.

Moore komt kalm over. Moderne bril, een gulle lach. Haar passie wordt pas zichtbaar in de rechtszaal, wanneer ze rechters en juryleden toespreekt. In haar grootste zaak, tegen de Jemenitische sjeik Ali-Hassan Al-Moayat, waren haar pleidooien ingetogen maar gloedvol, betogen waar veel pers en collega's op afkwamen. Zonder zichtbaar opgewonden te raken, zette ze de zeer complexe aanklacht uiteen en won het proces.

'Hoe kun je géén passie voelen bij dit werk?', zegt Moore . 'Wat is meer de moeite waard in de hedendaagse samenleving dan terreur bestrijden? Het is interessant en belangrijk, je móet het goed doen, de intrinsieke waarde van het werk stuwt je voort.'

Traditioneel deed het grotere Southern District in Manhattan de terrorismezaken in New York. Maar Moore ging de competentiestrijd aan. De meeste New Yorkse moslims wonen in Brooklyn, het stadsdeel met 2,5 miljoen inwoners. Strafrechtelijke onderzoeken naar de financiering van overzeese terreurgroepen, waar het meestal om gaat, voeren de autoriteiten vrijwel altijd naar Atlantic Avenue en omgeving.

Delen van die straat in Brooklyn zijn vergeven van de moskeeën en islamitische winkels, Arabische restaurants en andere zaakjes die soms als misleidende store fronts dienstdoen: een reisbureau of wisselkantoor fungeert als een contactpunt voor minder onschuldige operaties. Hier moest justitie zijn voor verdachten, getuigen en informanten, wist Moore . Het leek haar logisch dat de 'eenheid voor zware misdaden en terrorisme' zich actiever en effectiever met de terreurbestrijding ging bezighouden. Haar baas stemde in en maakte Moore begin 2002 hoofd van die eenheid.

Een cultuuromslag volgde. 'Tot 11 september werkten aanklagers reactief: er gebeurde iets, en wij gingen uitzoeken wat en hoe. Dat was zo na de eerste aanslag op het World Trade Center, in 1993, en de mislukte bomaanslag op de New Yorkse metro, in 1997. De aanval van 2001 heeft onze manier van denken veranderd. We beseften: je moet onderbreken, voorkómen.'

Ze deed dat samen met de binnenlandse inlichtingendienst FBI en eigen, gespecialiseerde onderzoekers. John Ross, een voormalige politieman, is zo'n onderzoeker. Net als iedereen die met Moore heeft gewerkt, heeft hij niets dan lof voor de juriste. 'Ze is fair. Ze kende de juiste mensen, zoomde op hen in, en pikte nooit zomaar iemand op.' Om succes te hebben als officier van justitie, zegt Ross, moet je gevoel hebben voor wat er speelt in de gemeenschap die je werkgebied vormt. Dat had ze.

Daarnaast heeft ze een internationale achtergrond. Als kind woonde Moore tien jaar lang in Duitsland. Dit kwam van pas toen haar eenheid de jacht opende op sjeik Al-Moayat, die zichzelf de 'spirituele adviseur' van opperterrorist Osama bin Laden heeft genoemd. Al-Moayat zamelde in Brooklyn geld in voor 'liefdadigheid'. Volgens Moore ging het om miljoenen dollars die terecht kwamen bij Bin Ladens terreurgroep Al Qa'ida en de Palestijnse Hamasbeweging.

Moore werkte nauw samen met de Duitse autoriteiten. Met behulp van informanten werd Al-Moayat in Frankfurt in de val gelokt. In een hotelkamer bekende de Jemeniet feitelijk schuld, terwijl in het geheim een band meeliep. Hij werd uitgeleverd, Moore hield haar gepassioneerde pleidooi tijdens het juryproces, en de sjeik kreeg 75 jaar cel.

Die veroordeling was niet alleen een piek in de carrière van Moore , maar ook een hoogtepunt voor de overheid. 'Voor terrorisme vormt geld de levensader', zei Rosslyn Mauskopf, Moores tevreden baas en de hoofdaanklager in Brooklyn. Even later nodigde president Bush Moore uit op het podium toen hij een toespraak hield in Virginia. 'Door het geld op te sporen, helpen we de dreiging tegen de VS weg te namen', zei Bush over Moores zaak tegen Al-Moayat en diens handlanger Mohammed Zayed, die eveneens achter de tralies verdween.

De president verdedigde bij die gelegenheid de Patriot Act, de wet die het Congres eind 2001 aannam als middel in de strijd tegen terreur. Hoewel Moore een Democrate is, steunt ze de regering volmondig inzake de USA Patriot Act. De bombastische naam is ongelukkig gekozen, vindt ze, maar inhoudelijke kritiek op die wet blijft volgens haar nauwelijks overeind.

Veel Democraten praten over de wet alsof die de ondergang van de democratie in gang heeft zet. Burgerlijke vrijheden zouden worden aangetast, een big brother-achtige overheid zou willekeurige razzia's mogen houden, en je hoefde maar naar de gevangenissen van Abu Ghraib (in Irak) en Guanatanamo Bay (op Cuba) te kijken om te zien waar die wet toe zou kunnen leiden.

Die houding ergert Moore . 'Mensen weten zelden waar ze het over hebben. Wat de Act doet, is ons middelen geven die al heel lang beschikbaar zijn in de vervolging van drugsdealers en andere zware criminelen. Geen van de critici heeft me ooit kunnen uitleggen wat er verkeerd is aan de gedachte om justitie dezelfde middelen te geven in de jacht op terroristen.' Zoals justitie de gangster Al Capone ooit alleen kon aanpakken vanwege belastingontduiking, zo moet je ook terroristen en hun vrienden benaderen: op andere, omzichtige manieren. De Patriot Act maakt dat mogelijk.

Geduldig legt Moore op verjaardagen en recepties uit dat de misstanden in Amerikaanse gevangenissen en het leger niets te maken hebben met de wet. De meeste progressieve New Yorkers weigeren dit te geloven, maar een enkele keer dringt ze tot hen door met de opmerking: 'Al Gore zou de Patriot Act ook hebben gesteund.'

Een ander pijnlijk punt is de terugkerende beschuldiging dat de overheid het heeft gemunt op de Arabische minderheid. Door 'racial profiling', waarbij een Arabische afkomst voor een verdachtmaking al genoeg is, zouden de politiediensten en justitie onschuldige mannen oppakken en en een hele bevolkingsgroep stigmatiseren.

De advocaat van Al-Moayat, Bill Goodman, zinspeelde op het anti-Arabische sentiment toen hij zei: 'Deze uitspraak zal in de hele Arabische wereld worden gezien als bewijs van Amerikaanse moslimhaat.' En Anan Ameri, de directeur van het Arabisch-Amerikaanse museum in Detroit, zei onlangs: 'De continue verdachtmaking van moslims is subtiel. Onze aanwezigheid in dit land mag niet worden gedefinieerd door 11 september.'

Moore verzet zich tegen dat beeld. 'Overdreven lastigvallen? Discriminatie? Nee, nee. We zijn zorgvuldig. Het voelt misschien alsof we ons opdringen, en de focus op de moslimgemeenschap kan inderdaad intens zijn. Maar het waren negentien moslims die de vliegtuigen kaapten, geen Nederlanders met blauwe ogen.'

Niemand wil beschuldigd worden van racisme, zegt Moore . 'Maar helemaal niemand wil horen dat hij te lang wachtte met het verijdelen van een aanslag.'

Brian Murphy, een FBI-agent die nauw betrokken was bij de zaak-Al-Moayat: 'Er is geen tijd om mensen aan te pakken vanwege huidskleur of voorkomen. Dat heeft geen zin, het is in niemands belang.' Juist Moore , 'de beste aanklager met wie ik ooit heb gewerkt', is niet bevooroordeeld, zegt Murphy.

De antiterreureenheid in Brooklyn loopt goed - dus vond Moore dat ze weg kon, om persoonlijke en financiële redenen. Ze mist het werk, maar anderzijds waren het tropenjaren. 'Ik heb me rot gewerkt, het was een eer, het was belangrijk. Maar ik zat aan mijn maximum', zegt Moore . Ze komt eindelijk weer toe aan hardlopen, aan brunchen met vrienden op zondag, en aan de bioscoop. Misschien gaat ze zelfs naar de film United 93 - om te kunnen zien aan welk lot ze ontsnapte dankzij de impuls van haar secretaresse.

Meer over