ReportageVerpleeghuis

Het virus is terug: ‘Dit is een fucking noodsituatie’

Tijdens de eerste coronagolf bleven de verpleeghuizen lange tijd onzichtbaar. Alle aandacht ging uit naar de ziekenhuizen en ic’s. Maar hoe gaat het daarbinnen tijdens de tweede golf? Maud Effting liep mee in het verpleeghuis Nazareth in Best. ‘Dit is een fucking noodsituatie.’

Verzorgenden Hariëtte de Bresser (links) en Mariëlle Pas praten met een bewoonster. Beeld Aurelie Geurts
Verzorgenden Hariëtte de Bresser (links) en Mariëlle Pas praten met een bewoonster.Beeld Aurelie Geurts

‘Mogen ze niet ­komen?’, zegt de man tegen verzorgende Hariëtte de Bresser. Hij wil weten waarom hij zijn familie niet meer ziet. Hij zit nu al een paar dagen alleen op zijn kamer, hier in het verpleeghuis Nazareth in Best. Waar blijft zijn dochter? En zijn zoon?

‘Ze mogen wel komen, maar liever niet’, zegt Hariëtte.

‘Wat?’, zegt hij. Hij is bijna doof. En dementerend.

‘LIEVER NIET’, roept Hariëtte zo hard als ze kan. ‘Je hebt een virus.’

‘Een wat?’, zegt hij.

Hariëtte buigt zich nog wat dichter naar hem toe. ‘EEN VIRUS’, schreeuwt ze in zijn oor. ‘Je bent besmettelijk.’

Schouder aan schouder zitten ze op de bank, Hariëtte ingepakt in schort, bril en masker. Liefdevol wrijft ze over zijn rug. Afstand houden – dat gaat nu even niet.

De man kijkt teleurgesteld. ‘Ik héb geen virus’, zegt hij.

‘Jawel’, schreeuwt Hariëtte.

‘Ik snap het niet’, zegt hij. ‘Flauwekul. Ik ben helemaal niet ziek.’

Hariëtte zucht onhoorbaar. Haar patiënt heeft gelijk: hij is positief getest op corona, maar hij heeft geen verschijnselen.

‘Dat ís ook niet goed te snappen’, schreeuwt ze vanachter haar mondkapje.

Een paar dagen eerder hebben ze zijn kamer dichtgedaan, om te voorkomen dat hij andere bewoners zou besmetten. Maar daarop begon hij vanachter zijn deur heel hard ‘Help, help’ te roepen. Nu staat de deur op een kier. En ontsnapt hij af en toe met zijn rollator.

Een minuut later begint het hele gesprek opnieuw. ‘Mogen ze niet komen?’, vraagt de man. Geduldig herhaalt Hariëtte alles. Ze vertelt dat hij nog een paar dagen op zijn kamer moet blijven.

Even is het stil. En dan begint het gesprek wéér van voor af aan. Als Hariëtte de kamer verlaat, kijkt hij haar wanhopig aan. ‘Kom je nog terug?’, vraagt hij. ‘Wanneer kom je?’

Hij blijft achter op zijn bank. Met Chantal Janzen op de tv.

Tijdens de eerste coronagolf bleven de verpleeghuizen lange tijd onzichtbaar. Alle aandacht ging naar de ziekenhuizen en naar de ic’s. Net zoals nu in de tweede golf.

De oorzaak was duidelijk: verpleeg­huizen zaten op slot en behalve het personeel wist niemand wat er precies gebeurde. Ook de bescheidenheid van de sector speelde mee: verpleeghuizen zijn niet de plek voor de macho’s van de zorg.

Maar wat speelt zich daarbinnen ­eigenlijk af tijdens de nieuwe coronagolf? Het is een van de redenen dat de Volkskrant toestemming heeft gekregen van verpleeghuis Nazareth in Best om mee te lopen. Bijna twee ­weken zijn we op ‘pg’, de psychogeriatrische afdeling met vooral vergevorderd dementerenden. Van tevoren was er geen enkele besmetting. Maar vanaf de eerste dag begon het. En werd het almaar erger.

null Beeld Aurélie Geurts
Beeld Aurélie Geurts
null Beeld Aurélie Geurts
Beeld Aurélie Geurts

Het telefoontje

Verzorgende Hariëtte krijgt het telefoontje op de gang: de medewerker van de Arbodienst. Ze staat stil, voor de eerste keer vandaag.

‘Oh’, zegt ze, leunend tegen de muur.

De vrouw vertelt dat Hariëtte positief getest is op corona; ze moet naar huis. En wel nu. Of ze even alles uit haar handen wil laten vallen. De afdeling is ‘rood’: er zijn besmettingen onder bewoners en personeel.

Hariëtte voelt al een paar dagen ‘iets vaags’: een beetje keelpijn. Gisteren is ze getest. Officieel had ze thuis de uitslag af moeten wachten. Maar voor haar afdeling is dat helemaal geen optie: er is niet genoeg personeel. Bovendien is Hariëtte van het type: nooit zeuren, altijd doorgaan. Met mondkapje en handschoenen werkte ze verder. In de zestien jaar dat ze hier werkt, was ze precies twee dagen ziek.

‘Kom even hier’, roept ze naar haar collega’s. ‘Ik moet iets zeggen.’

Op de gang staat iedereen om haar heen. Vanavond zullen ze met één man minder verder moeten. En er dreigt meer: de afgelopen dagen testen steeds meer zorgmedewerkers in Nazareth positief. Waar het vandaan komt? Niemand die het nog weet.

‘Strak zit dat virus overal in het dorp’, zegt iemand.

Door alle commotie komt de patiënt van Hariëtte – besmet en al – uit zijn kamer gewandeld. Het is helpende Diana die hem ziet. ‘Kom eens’, zegt ze. En ze pakt hem zacht bij de arm.

Zuurstofslangetje

Die avond gaat het mis bij een tweede bewoner: een vrouw.

Koortsig staart ze naar het plafond. Haar hand tikt steeds wilder tegen haar been. Helpende Diana drukt de hand zachtjes op de deken. Ze heeft aangeboden vanavond langer door te werken.

‘Ik kom meten hoeveel zuurstof je in je bloed hebt’, zegt ze.

De vrouw kijkt haar aan.

‘Dabbiedoebbiedoe’, zegt ze. ‘Dabbiedabbiedee.’

‘Je hebt koorts’, zegt Diana.

De bewoonster ademt snel. De hele dag heeft ze stilletjes in haar stoel gezeten en is ze niet uit haar kamer gekomen. Haar eten heeft ze laten staan. Het is niet duidelijk of ze begrijpt wat Diana zegt. Diana zet het zuurstof­metertje op haar wijsvinger en kijkt.

Niks.

De vingers van de vrouw zijn te koud om iets te meten – iets wat vaak voorkomt bij ouderen. Eerder heeft Diana nog tegen de verpleegkundige gezegd dat ze dat eigenlijk helemaal niet mag, zuurstof meten. Maar de verpleegkundige haalde haar schouders op. ‘Dit is een spoedgeval’, zei ze.

Diana schuift het metertje om de volgende vinger. En de volgende. Tot ze uiteindelijk een getal heeft: 83 procent. Dat is zo laag dat de vrouw snel extra zuurstof moet krijgen.

Even later komt Diana samen met de verpleegkundige de kamer in. Ze kijken elkaar aan en ze weten het allebei: deze patiënte kan uithalen als ze de situatie niet begrijpt. Als zorg­medewerkers maken ze dat allebei regelmatig mee. Soms slaat iemand er ineens op. Daarom zijn ze getraind om te allen tijde rust uit te stralen, wat er ook gebeurt.

‘We gaan een slangetje in je neus doen’, zegt Diana opgewekt. ‘Dan krijg je meer zuurstof.’

Inwendig zetten ze zich schrap.

‘Dabbiedoebbiedee’, zegt de vrouw. ‘Ja, ja, ja.’

Diana houdt de hand van haar patiënte vast. Maar als de verpleegkundige de zuurstofslangetjes in haar neus probeert te doen, schudt de patiënte haar hoofd heen en weer. Angstig schuift ze steeds verder naar achteren. Hier moet ze niets van hebben.

‘Dabbiedabbiedee’, zegt ze steeds sneller. ‘Nee, nee, nee.’ Ze vloekt.

Ineens trekt de verpleegkundige haar hand weg. De patiënte probeert haar te bijten.

Ze zeggen niets. Even later lopen ze samen de kamer uit, terwijl de patiënte hijgend door het zuurstof­gebrek achterblijft. Bij de deur hangt een foto van haar in andere tijden. Stralend kijkt ze in de lens: een knappe vrouw met een intelligente oogopslag.

Verzorgende Mariëlle praat in de huiskamer met een bewoonster. 'Als ik een miljoen win, dan koop ik een boerderij en ga ik daar met tien patiënten wonen. Samen met Hariëtte.' Beeld Aurélie Geurts
Verzorgende Mariëlle praat in de huiskamer met een bewoonster. 'Als ik een miljoen win, dan koop ik een boerderij en ga ik daar met tien patiënten wonen. Samen met Hariëtte.'Beeld Aurélie Geurts

‘Ik wil naar mijn moeder’

Ondertussen zitten in de huiskamer zes bewoners aan een tafel. Ze zwijgen. De zogeheten ‘huiskamerdienst’ is vanavond in het niets opgelost: er is even niemand om continu bij hen te zijn, zoals normaal. Ze wachten tot ze naar bed worden gebracht. Allemaal voelen ze dat er iets aan de hand is. Maar wát?

‘Weet iemand waar de telefoon is?’, vraagt een man. Hij loopt al de hele avond rondjes met zijn rollator.

‘Ik wil naar mijn moeder’, zegt een andere vrouw. ‘Morgen ben ik weg hier.’

Eén patiënt is zo moe dat hij aan ­tafel in slaap valt. Een ander zegt: ‘Ik moet om half negen naar bed.’

‘Het komt allemaal goed’, zegt Diana. Normaal doen verzorgenden spelletjes met bewoners, drinken ze koffie, gaan ze wandelen, knutselen of zingen. Maar daarvoor is nu geen tijd.

Van een afstand probeert Diana alles in de gaten te houden. ‘Als je niet oplet, dan kunnen ze gekke dingen doen’, zegt ze. ‘Laatst had ik iemand die een hele tros bananen had opgegeten. Met schil en al. Sommige mensen eten maar door.’

De verpleegkundige komt weer binnen. ‘Ik zat even vast op een andere afdeling’, zegt ze. ‘Een bewoner dacht dat haar stoel het toilet was. ­Hé-le-maal ondergepoept.’

Het opvallende is: geen enkele zorg­medewerker straalt hier stress uit. Die is er misschien wel, maar van de buitenkant lijkt het alsof er een ­serene rust heerst. Allemaal weten ze dat de bewoners van slag raken als zij hun kalmte verliezen. Dan is de chaos niet meer te overzien.

Over een half uur zal Diana weer proberen het zuurstofslangetje in te brengen bij haar patiënte. En een half uur later wéér. En om elf uur ’s avonds, uren nadat haar oorspronkelijke dienst is afgelopen, wéér.

Tevergeefs.

Dit is coronazorg in het verpleeg­huis: medische handelingen die in het ziekenhuis een peuleschil zijn, zijn hier soms een onmogelijke horde.

‘Misschien lukt het de nachtdienst wel’, zegt ze. Maar diep in haar hart weet ze het antwoord al. Haar patiënte zal die nacht zonder extra zuurstof slapen.

En iedereen op de afdeling denkt hetzelfde: waar gaat dit eindigen?

null Beeld Aurélie Geurts
Beeld Aurélie Geurts

Draaiende tv-camera's bij de ingang

Twee verdiepingen lager zit bestuurder Katinka van Boxtel van zorggroep Archipel in haar kamer. Ze geeft leiding aan zes verpleeghuizen, waaronder Nazareth. Vrijwel dagelijks komt ze op een van de afdelingen, praat ze met verzorgenden over wat hen nu overkomt.

‘Als het echt nijpend wordt’, zegt ze, ‘en ik kan geen personeel meer vinden, dan bel ik defensie.’

Als bestuurder ligt ze niet zo snel wakker van een crisis. Ze heeft er inmiddels al een paar opzitten. Niet alleen met stervende bewoners, maar ook met de buitenwereld. Zo kreeg ze tijdens de eerste lockdown te maken met agressieve familieleden, en moest ze diverse mensen de toegang weigeren.

Ook zat er in mei een 82-jarige vrouw drie dagen voor de deur: ze dreigde net zolang te blijven tot ze naar binnen mocht, naar haar man. Toen Van Boxtel werd gebeld of ze wilde komen, stonden de camera’s al draaiend op de stoep.

‘Ik heb een goed gesprek met haar gehad’, vertelt ze. ‘Als mens was ik het helemaal met haar eens. Zelf zou ik ook zeggen: liever wat korter leven dan maandenlang in isolatie zitten. Maar als bestuurder had ik ook een andere verantwoordelijkheid. Als ik alles had opengegooid en iedereen binnen twee maanden was overleden? Hoe had ik dat moeten verklaren?’

Daarna loopt het pas echt uit de hand. Het verhaal triggert viruswaanzin-types, die met tientallen tegelijkertijd komen demonstreren. Ze willen dat de vrouw naar binnen mag. ‘Door dat geschreeuw raakten bewoners zo van slag dat het binnen één grote chaos werd’, zegt Van Boxtel. ‘Bewoners werden onrustig – zo erg dat de gordijnen dicht moesten. Het personeel kreeg dreigtelefoontjes. Die waren zo heftig dat sommigen nauwelijks meer naar hun auto durfden te lopen.’

Een week later dreigen ze met duizend man te komen demonstreren. ‘Toen heb ik de burgemeester gebeld’, zegt Van Boxtel. ‘En de politie.’

Toch staat ze er nu anders in, zegt ze. ‘In de eerste golf was het alleen maar veiligheid, veiligheid, veiligheid. Maar de kwaliteit van leven telt ook. Daar geloof ik echt in. Het verpleeghuis helemaal dichtgooien – dat zou ik nu niet zo snel meer doen. Wat de heren in Den Haag ook zeggen.’

Makkelijk is dat niet. ‘De helft van de families zegt: laat ons pap of mam desnoods maar vier maanden eerder doodgaan, als we hen maar kunnen blijven zien. Terwijl de andere helft zegt: houd ze alsjeblieft veilig. Maak dan maar eens een keuze. Dat kún je dus niet goed doen.’

‘Verdomme, ben je wel goed wijs?’

Het is maandagochtend over elven als verpleegkundige Nikki Kuiten zakken met staafjes en potjes opentrekt. Vandaag houdt ze een ‘ringonderzoek’. Omdat het inmiddels ondoenlijk is om precies uit te zoeken wie met wie in contact is gekomen, wordt na een besmetting simpelweg de hele afdeling getest. Vanochtend zijn de bewoners aan de beurt.

De meeste bewoners verdragen dapper dat Mariëlle Pas, verzorgende en verpleegkundige in opleiding, het staafje diep in hun keel en mond steekt. Anderen hebben meer moeite. Van hogerhand is besloten dat geen dwang toegepast mag worden bij het afnemen van testen. Maar wanneer is het dwang en wanneer is het goede zorg? En wat als iemand agressief wordt?

‘Hé’, zegt een man, zodra hij het staafje in zijn neus voelt. ‘Verdómme. Wat doe je nu? Ben je wel goed wijs?’

‘Sorry schatje’, zegt Mariëlle. ‘Het moet gewoon even.’

‘Ik moet helemaal niks’, zegt de man. ‘Ik ben hier om te werken. Niet om allerlei dingen in mijn neus te krijgen.’

‘Zullen we anders even op bed gaan zitten?’, zegt Mariëlle.

‘Ga je me nou allerlei rare voorstellen doen?’, zegt de man.

Mariëlle lacht. Ze vertelt dat ze ­vorige week bij deze testen bijna een klap kreeg van een bewoner. ‘Hij sprong drie meter de lucht in toen hij dat ding voelde’, zegt ze. ‘En toen haalde hij uit.’

Even later testen ze op andere afdelingen. Ook daar doen bewoners probleemloos mee. Totdat een man in een rolstoel ineens niet wil. Verzorgenden stellen hem gerust, praten op hem in. Als hij het staafje in zijn neus krijgt, houdt een van hen zijn handen vast, om te voorkomen dat hij slaat.

Sputterend en boos wordt hij weggereden – hij heeft geen idee wat hem is overkomen.

Een van de helpenden staat ontdaan tegen de muur. ‘Ik zit helemaal vol angst’, zegt ze. ‘Afgelopen weekend is er een positief geteste bewoner uit zijn kamer gekomen. Hij heeft me vastgepakt. Niet één keer, maar meerdere keren.’

Omdat het risico bestond dat hij zou vallen, móést ze wel blijven staan, zegt ze. ‘Ik moest kiezen. Dus toen koos ik ervoor de bewoner in veiligheid te brengen. Maar dat heeft me wel veel gekost.’

Mariëlle en Hariëtte kleden zich voor de zoveelste keer om. ‘Soms heb je van die dagen dat echt alles tegelijk komt.’ Beeld Aurélie Geurts
Mariëlle en Hariëtte kleden zich voor de zoveelste keer om. ‘Soms heb je van die dagen dat echt alles tegelijk komt.’Beeld Aurélie Geurts

De angst voor besmetting

De angst om besmet te raken komt ­vaker voor, zegt HR-coach Tommy Knigge, zeker als medewerkers familieleden hebben die tot de risicogroep behoren. In zijn kantoortje heeft hij geregeld huilende medewerkers. ‘Ze zijn gewend om zichzelf weg te cijferen. Ik vraag weleens: als in het vliegtuig de zuurstof wegvalt, wie geef je dan als eerste een masker? Jezelf of je kind?’

Ook geestelijk verzorger Mariolande Ikink voerde gesprekken over angst met mensen. ‘Een van mijn adviezen is: minder op Facebook zitten of naar talkshows kijken’, zegt ze. ‘Ik zeg altijd: kijk één keer per dag het Journaal en lees een krant. En laat het daarbij.’ Mensen worden er rustiger van, zag ze in de praktijk.

Wat ze ook vaak ziet: medewerkers die bang zijn dat zij de bron zijn van de besmetting onder bewoners. ‘Die angst leeft breed’, zegt ze. ‘Iedereen zegt: als ik het maar niet was.’

Maar van die gedachten word je heel onrustig. En je komt er ook niet uit.’

Hariëttes afscheid

‘Soms heb je van die dagen dat echt álles tegelijk komt’, zegt verzorgende Mariëlle op de afdeling. Ze lacht en rolt met haar ogen.

Het begint die middag met een ­telefoontje voor Hariëtte, die na haar quarantaine weer aan het werk is. ‘Oh nee toch’, zegt ze, en ze slaat een hand voor haar mond.

De arts aan de lijn vertelt dat drie nieuwe bewoners positief zijn getest op corona. Ze moeten zo snel mogelijk in isolatie op hun kamer. Hariëtte kijkt om zich heen. Een van hen zit nog prinsheerlijk aan tafel met de anderen.

‘Nu gaat het beginnen’, zegt ze geschokt.

Aan haar gezicht is niets te zien. Maar ze heeft zojuist ook van de arts gehoord dat één van haar lievelingspatiënten misschien zal overlijden vanavond. Twee dagen geleden bleek hij coronapositief en vanaf dat moment verslechterde zijn toestand. Elk uur hapte hij heviger naar adem. Inmiddels gaat het zo slecht dat de arts in overleg met de familie heeft opgedragen om de zuurstof af te bouwen: het lichaam is op.

Hariëtte denkt aan de dag waarop ze hem nog geen jaar geleden binnen zag komen. Hij wilde niets. Niemand mocht hem aanraken, niemand mocht iets met hem doen. Naar iedereen die binnenkwam, riep hij: ‘NEE.’ Als een van de eersten won Hariëtte zijn vertrouwen. En uiteindelijk bleek de mopperende bewoner een geestige man vol grappen. ‘Je moet eens zien wat hier rondloopt’, zei hij twee dagen geleden nog. ‘De zwaarste gevallen. En ik ben er één van.’

Al tijdens het telefoontje dringt het tot haar door: vanaf nu is het hier niet meer te doen met de normale bezetting. Met zo veel besmette patiënten zullen ze misschien zelfs overgaan naar cohort, een volledige covid-afdeling. Ze belt haar collega Mariëlle die zonder aarzelen haar vrije avond offert om te helpen. ‘Dit is een fucking noodsituatie’, zegt Mariëlle even later aan de telefoon tegen haar collega’s. Iedereen zal vrije dagen moeten in­leveren om de afdeling te kunnen laten draaien. ‘Hé Janine’, zegt ze tegen de volgende die ze belt. ‘Heb jij vannacht wat te doen?’

Dan barst het los op de gang. ‘Ik zit in de gevangenis’, roept een bewoner vanaf zijn kamer. ‘Whaaaaaaaaa.’

‘Help’, roept een andere bewoner. ‘Help.’ Hij is misselijk en hij moet overgeven.

Een derde patiënt heeft gepoept. Mariëlle en Hariëtte verschonen haar samen, terwijl ondertussen een besmette bewoner uit haar kamer ontsnapt met haar rollator.

Vanuit de huiskamer klinkt plotseling gebonk, steeds luider. Met beide handen slaat een man plat op de tafel. Bám. Bám. Bám.

‘Hallo’, schreeuwt hij.

‘Hállooo.’

‘HÁÁLLOOOOOOO.’

‘HÁÁLLOOOOOOO.’

Hij houdt niet op. Niet voordat er iemand komt kijken. Mariëlle grinnikt. Dit kan er ook nog wel bij.

Dan klinkt er ineens een alarm. ­Hariëtte rent in volle vaart over de gang, op weg naar de kamer waar ze haar lievelingsbewoner nog geen twee minuten geleden heeft achtergelaten. Haar pieper geeft het teken dat er geen hartslag meer is. Haar ­patiënt ademt niet meer.

Hariëtte stormt binnen en buigt zich over hem heen. Ze heeft geen tijd meer gehad om beschermende kleding aan te trekken. Bewegingloos ligt de man in bed.

Ineens is ze de rust zelve. Ze pakt zijn hand en legt haar andere hand op zijn schouder. Met een schok haalt hij adem – alsof hij wakker schrikt. Eén diepe ademteug is het. En dan ligt hij weer stil.

Haar hoofd is vlak bij zijn hoofd. ‘Ga maar jongen’, zegt ze rustig. ‘Toe maar. Ga maar naar je vrouw toe. Het is goed.’ Ook Mariëlle komt de kamer in. Samen praten ze tegen hem. Minutenlang. Totdat zijn hart is gestopt.

Als afscheid aaien ze over zijn wang.

Even stil

Stil zit Hariëtte op de bank van de huiskamer. Ze staart voor zich uit. Het is tegen elven in de avond.

‘Ik weet wat jij denkt’, zegt Mariëlle. ‘Jij hebt het gevoel dat jij de stekker eruit hebt getrokken hè?’

‘Ja’, zegt Hariëtte zacht.

Mariëlle: ‘Je hebt precies gedaan wat de arts heeft gezegd: zuurstof afbouwen. Misschien moest het ook wel zo zijn. Misschien moest hij gewoon bij jou gaan. In jouw dienst.’

‘Ja’, zegt Hariëtte weer.

Even later rookt Mariëlle op het balkon buiten een sigaret. Dat moet nu even. Ze is een verzorgende met een groot hart. Ooit wist ze voor elkaar te krijgen dat een bewoner zijn hondje mocht meenemen in het verpleeg­huis. Corona maakte daar een einde aan. ‘Als ik nog een keer een miljoen win’, zegt ze, ‘dan koop ik een boerderij. Dan ga ik met Hariëtte daar samen met tien bewoners wonen. Ik neem ze gewoon in huis. Dan kan ik ze echt wat bieden. We leveren heel goede zorg hier, maar dan hebben ze echt een normaal leven. Met een zuster die er altijd voor ze is.’

Het zal tot de volgende dag duren voordat de beslissing valt: de afdeling wordt cohort.

In verband met de privacy zijn enkele details van patiënten aangepast.

Meer over