Het verleden verpersoonlijkt

Vier van de vijf genomineerden voor de Libris Geschiedenis Prijs hangen hun verhaal op aan één hoofdrolspeler. Met wisselend succes.

Het recept is inmiddels bekend. Wie de geschiedenis aan de man wil brengen, moet die benaderen vanuit het gezichtspunt van mensen met wie de lezer zich kan identificeren. Om als historicus een publiek te bereiken dien je een persoonlijke geschiedenis te koppelen aan de 'grote' geschiedenis. Door deze opzet - de laatste jaren enkele keren met succes toegepast - worden vier van de vijf genomineerde boeken gekenmerkt.

De enige uitzondering is Koninkrijk vol sloppen van Auke van der Woud, dat het meest het karakter heeft van een traditioneel geschiedenisboek, in de zin dat het een bevolkingsgroep beschouwt op grond van bronnenmateriaal van buiten die groep. Van der Woud beschrijft het leven in negentiende-eeuwse achterbuurten. Hij neemt de ruimte om uit de doeken te doen hoe erbarmelijk de omstandigheden waren in de 'onderwereld' van de Nauwe Broedersteeg, de Lammertjesgang en de Peter de Gekstraat. De poep- en pislucht, rook en schimmel walmt van de pagina's. Hij laat zien hoeveel mensen in armoedige omstandigheden moesten leven, maar hij vertelt vooral hoe de 'bovenwereld' zich daar langzamerhand van bewust werd - eerst door het werk van geëngageerde journalisten en schrijvers, later door rapporten van commissies - en hoe er langzamerhand maatregelen werden genomen.

Traditionele geschiedschrijving dus; maar toegankelijk en betrokken. De vorm zegt niet alles. Het lezen van de overige genomineerde boeken maakt duidelijk dat geschiedenis die wordt opgehangen aan het leven van een persoon niet automatisch persoonlijke geschiedenis wordt. Generaal Spoor van Jaap de Moor en Het gevecht met Leviathan van Emiel Lamberts zijn wel geschreven volgens het gewenste format, maar vertellen in feite vooral het 'grote' geschiedverhaal.

Generaal Simon Spoor was een centrale figuur in de pogingen om na de oorlog het Nederlandse gezag te herstellen in Indonesië, via de zogeheten 'politionele acties'. Aanvankelijk Neerlands hoop in bange dagen, strandde hij in de reactionaire koppigheid van een man die alles altijd beter wist. De Moor doet helder en gedetailleerd verslag van zijn opkomst en ondergang, eindigend in een hartaanval ter plekke.

Het boek begint met een uitvoerig hoofdstuk over de familie en met name de vader van Spoor, een prominente violist. De generaal speelde zelf ook viool en had een hekel aan sport - een interessante achtergrond voor een soldaat. Als lezer ben je geïntrigeerd, maar het thema wordt niet uitgewerkt. Het boek is vooral krijgsgeschiedenis, de weergave van een episode waarin Spoor een hoofdrol speelde. Spoor komt alleen tot leven als militair, maar als we de auteur mogen geloven is dat een realistisch beeld. Hij schrijft: 'De scheiding van Rika Kroeze werd uiteindelijk op 24 maart 1947 uitgesproken. Tien dagen later, op 3 april, traden Mans Dijkema en Spoor in het huwelijk. Eigenlijk had hij het voor zulke zaken te druk.'

In Het gevecht met Leviathan van Emiel Lamberts wordt de negentiende-eeuwse Europese politiek behandeld aan de hand van het leven van de diplomaat Gustav von Blome. Lamberts heeft in een duizendtal brieven van Blome prachtig materiaal gevonden en hij gebruikt dat effectief, maar toch komt zijn hoofdpersoon niet werkelijk tot leven. Hij wandelt rond in de geschiedenis. Het boek vertelt hoe conservatieve katholieken de strijd aanbonden met het opkomende nationalisme en liberalisme, en vooral met de toenemende staatsmacht (Leviathan), die ten koste ging van de macht van de kerk. We krijgen mede dankzij de correspondentie van Blome een mooi beeld van de wereld van de 'Zwarte Internationale', die probeerde katholieken in verzet te krijgen tegen de vijandige bewegingen, om het gezag van de paus te herstellen. De bevlogen bekeerling Blome werd door het Vaticaan gebruikt om de bijpassende ideologie te verspreiden. 'Temidden van de chaos die zich aandiende, was er slechts één onwankelbare burcht: de eeuwenoude roomse kerk', zo vat Lamberts die samen, 'zij moest haar gezag en invloed kunnen handhaven tegenover de moderne staat, die een instrument werd in handen van haar vijanden'. Het spreekt vanzelf dat Blome zijn leven eindigde als een teleurgesteld man.

In Kameraad Baron draagt het persoonlijke verhaal wel nadrukkelijk het geschiedverhaal, omdat de auteur, Jaap Scholten, de hoofdpersoon van het boek, zelf rechtstreeks betrokken is bij het onderwerp. Via zijn Hongaarse vrouw is hij verwant met de Transsylvaanse aristocratie die hij beschrijft. Die verwantschap stelde hem in staat om een aangrijpende geschiedenis op te schrijven, tot dusver verzwegen onder het motto 'wat te diep zit, wat te veel pijn doet, daar zwijg je over'. Het gaat om de systematische vernedering van de adel onder het communistische regime: aristocratische families werden uit hun kastelen gesleurd en weggestopt in kleine zolderkamertjes en naargeestige kelders. Alles werd hen afgepakt en ze werden veroordeeld tot dwangarbeid. Scholten vertelt hoe hij rondreist door Hongarije en Roemenië en van de slachtoffers langzamerhand steeds meer verhalen te horen krijgt.

Het zwakke punt van het boek is niet zozeer dat Scholten de verhalen kritiekloos noteert. Natuurlijk weten we wel dat grootgrondbezitters geen ideale mensen zijn. Maar Scholten is er niet op uit de adel uitputtend te analyseren. In een poging zijn onderwerp te legitimeren, vraagt hij zichzelf af: 'Waarom mijn tijd besteden aan een handvol aristocraten? Zij hebben eeuwenlang een leidinggevende en bevoorrechte positie gehad, onder het communisme werden ze voor één keer gelijk behandeld als het volk en net zo hard getiranniseerd'. Toch vindt hij dat hij hun verhaal moet vertellen, omdat hij overtuigd is geraakt van de waarde van hun cultuur bij het zien hoe niet alleen de communisten, maar ook de hedendaagse vrije jongens hun macht uitoefenen. 'De vernietiging van een gecultiveerde elite en de toename van brute terreur gaan hand in hand', schrijft hij. 'Door de dragers van traditie, moraliteit en redelijkheid een halve eeuw lang stelselmatig te vermorzelen, weg te jagen en uit te moorden wordt een samenleving labiel.'

Het probleem van het boek is meer dat het geen pointe heeft. Er is wel een soort opbouw in de zin dat er steeds meer ellende wordt onthuld, maar dat leidt bij de lezer niet tot toenemende betrokkenheid. Op een of andere manier is het aangrijpender om te lezen hoe beschaafde mensen in deerniswekkende omstandigheden moeten leven en elkaar toch een handkus blijven geven, dan om te vernemen dat ze tijdens verhoren en heropvoedingssessies urenlang op één been moeten staan, hun medegevangenen moeten martelen en gedwongen worden hun eigen poep te eten. Het eerste kun je je levendig voorstellen, het tweede eigenlijk niet.

Het minst ambitieuze boek is Een Nederlander in de wildernis van Luc Panhuysen. Het is de helft zo dik als de andere (nog geen tweehonderd pagina's) en het staat ook nog eens vol met afbeeldingen. Het is ook minder ambitieus dan zijn twee vorige boeken, De ware vrijheid en Rampjaar 1672, want hij heeft zijn bronnenmateriaal beperkt tot de reisverslagen en de tekeningen van Robert Jacob Gordon, die worden bewaard in het Rijksmuseum. Maar in zijn verhaal komt de geschiedenis wel tot leven, omdat we door de ogen van de hoofdpersoon krijgen te zien wat er om hem heen gebeurt. Samen met hem dansen we met bosjesmannen en hottentotten, door zijn kijker zien we dat de giraffe echt bestaat en we gaan in zijn spoor op zoek naar de brede stroom die van hem de naam Oranjerivier kreeg.

Gordon was een Nederlander met Schotse wortels die in de tweede helft van de achttiende eeuw de binnenlanden van Zuid-Afrika ging verkennen. Hij bracht het land letterlijk in kaart en tekende en verzamelde wat hij onderweg tegenkwam. Hij bezat een wetenschappelijke nieuwsgierigheid. Als hij een nijlpaard had gedood, ontleedde hij het dier, noteerde de maten van alle lichaamsdelen en proefde hoe het vlees smaakte. Thuis in Kaapstad richtte hij een museum in, dat hij gaarne toonde aan gasten, die hij trakteerde op sterke verhalen en desgewenst op een hottentotlied of zelfs een dansje.

Hij doet een beetje denken aan de held uit de boeken van Karl May, Old Shatterhand: hij prefereerde de bosjesmannen boven de blanke boeren die zwarten als wild afschoten, hij probeerde de inheemse bevolking te begrijpen, leerde hun gebruiken en taal, en sloot vriendschap met een van hun aanvoerders. Bepaald geen vanzelfsprekende houding in zijn tijd.

Na zijn reizen eindigde Gordon als een tragische figuur. Als commandant belast met de verdediging van Kaapstad liet hij in 1795 de Engelsen aan land komen in de veronderstelling dat zij bondgenoten zouden zijn tegenover de Fransen. Maar de Engelsen namen Kaapstad in en Gordon schoot zichzelf een kogel door het hoofd. Het is mooi dat Panhuysen hem postuum heeft geeerd met een boek dat de lezer in staat stelt de wereld door zijn ogen te zien - het beste dat een historicus kan bereiken.

Luuc Kooijmans

won in 2008 de Grote Geschiedenis Prijs met Gevaarlijke kennis - Inzicht en angst in de dagen van Jan Swammerdam.

undefined

Meer over