Het verlangen naar een kampong met een rijstveldje

Eind vorige eeuw trok de Nederlandse arts en ontdekkingsreiziger dr A.W. Nieuwenhuis in dertien maanden dwars door Borneo van Pontianak naar Samarinda....

CEES GLOUDEMANS

AGUS, onze gids, en bootsman Lazarus melden zich op de afgesproken tijd in Long Nawang. Zij kijken zorgelijk. 'We hebben benzine nodig', roepen ze in koor. Benzine is in de Apokajan schrikbarend duur (zes tot zeven gulden per liter) en moeilijk te krijgen. De vaten benzine worden op ongeregelde tijdstippen per vliegtuig aangevoerd.

Pak Naming, de eigenaar van de losmen in Long Nawang, biedt uitkomst. Hij wijst op de voortrazende Kajan-rivier en lacht: 'De waterstand is goed. Jullie hoeven de boot niet uit om hem door de ondiepe stukken te trekken.' We kijken bedenkelijk, maar hij krijgt gelijk.

Agus heeft prima nieuws: 'Ik heb tickets voor jullie terugvlucht. Tegen de normale prijs. Maar een bescheiden fooi, dertigduizend rupiah is mooi voor de DAS-vertegenwoordiger in Long Ampung, kan geen kwaad.'

Een gordijn van regen dempt onze juichstemming. Agus raadt onze gedachten. 'Natte moesson en regenwoud. Wat willen jullie nog meer. Het kan hier verschrikkelijk tekeergaan', grapt hij vanonder zijn rotan kalot, waarin hij zijn sigaretten bewaart.

Inderdaad.

In Long Ampung pikken we een logée van hem op, een prachtige, oude vrouw met schitterende oorhangers in haar uitgerekte lellen. De zon breekt door. Agus boomt de pruttelende ketingin door stroomversnellingen, tuurt de rivier af op verraderlijke keien net onder het wateroppervlak en schreeuwt plotseling met overslaande stem: 'Kijk uit, slang' Een zwaar giftige slang, waarvan hij alleen de Kenja-naam - Njung Ulei Xyateng - kent, klettert vanaf een overhangende boomtak vlak naast onze boot in het water.

We meren af in Long Uro, anderhalf uur stroomopwaarts van Long Ampung. De vrouw van het dorpshoofd ontvangt ons op de galerij van een enorm longhouse. Zij verontschuldigt zich dat zij geen warm eten kan aanbieden, schuifelt haar woning binnen en komt terug met een ruim bemeten ananas en een draagmand voor baby's zoals alleen Kenja's die kunnen maken. Een pronkstuk met een bont patroon minutieus aaneengeregen kralen met tijger- en neushoornvogelmotieven.

'Is van een adellijk persoon geweest', fluistert Agus. 'Ze biedt hem te koop aan. Doen'

De onderhandelingen duren zeer kort en leveren een tevreden koper en verkoper op. Alsmede een teleurstelling. We komen er niet achter of Long Uro vroeger Tanah Putih heette, de eerste kampong in de Apokajan die de Nederlandse ontdekkingsreiziger Nieuwenhuis in 1900 na een uitputtende reis bereikte.

Nog een half uur naar Lidung Payau. De Kajan wordt smaller en nog bochtiger. We varen onder de verstrengelde kruinen van de bomen op beide oevers. Onverwacht verbreedt de rivier zich. Verder kunnen we niet. Een waterval verspert de doorgang.

Agus en Lazarus trekken de ketingin de wal op. Agus vertelt dat de rivier pas enkele kilometers verderop weer bevaarbaar wordt. 'Het komt regelmatig voor dat zes tot tien Kenja's hun boot over die heuvel dragen' - hij wijst achteloos op een venijnig steile bult - 'om verder te kunnen varen. Maar wij gaan lopen. Het is maar vijf uur naar Sungai Barang.'

Eén drager dient zich aan. 'We mogen van geluk spreken. Het is oogsttijd', zegt Agus. De drager vouwt een uitklapbare rotan draagmand open, snoert onze rugzakken - samen twintig kilo - er aan vast en vertrekt zonder een woord te zeggen. 'Maak je geen zorgen. Hij loopt toch sneller dan wij en hij moet nog terug', lacht Agus die met de ananas uit Long Uro achter zijn logée aanhobbelt.

De reden wordt al snel duidelijk. De oude vrouw troont ons mee naar een langhuis in Lidung Payau. In haar aangenaam koele woonvertrek begint zij onmiddellijk met de voorbereiding van een middagmaal, dat bestaat uit vers fruit, verse groenten, rijst en gebakken huid van een wild varken.

Voor ons vertrek naar Sungai Barang spuiten we sokken en schoenen met een insektenwerend middel in, dat tamelijk afdoende zal blijken te zijn tegen de gevreesde bloedzuigers.

Het pad naar Sungai Barang gaat steil omhoog en levert onwaarschijnlijk mooie panorama's op, alvorens het dampende oerwoud de zon op afstand houdt en ons bij de les. Met name de afdalingen vereisen de nodige balanceerkunst. Bemost en dus spekglad gesteente leidt tot valpartijen en gestuntel bij het doorwaden van de vele beekjes en riviertjes.

Agus en Lazarus vlinderen op hun slippers over het voetpad. 'Agus rookt als een ketter en loopt als een kievit', verzucht mijn vrouw. 'Waarvoor hebben we in hemelsnaam die dure trekkingschoenen gekocht?'

'Tegen de bloedzuigers', probeer ik nog.

Pijnlijk nauwgezet houden we het aantal valpartijen bij. De stand is gelijk, wanneer we ruim binnen de voorspelde tijd Sungai Barang bereiken, de kampong van onze bootsman. Hij gaat ons voor naar zijn huis, dat aan een stuwmeer met fris, helder water ligt.

Onze drager is ingedut op de waranda. Hij vertrekt ogenblikkelijk nadat wij hem hebben betaald. Lazarus gebaart ons dat we rustig in het stuwmeer kunnen gaan zwemmen. Slangen komen alleen op het licht van zaklantaarns af en daar is het nog te vroeg voor.

We krijgen nauwelijks de tijd om te genieten van het paradijselijke landschap. Aan de overkant van het stuwmeer vlakbij de sluisdeur, die 's avonds omhoog wordt getrokken om een houten schoepenrad in werking te stellen dat stroom opwekt, loopt een jonge blanke vrouw onze richting op.

Maar er zijn hier toch geen ontwikkelingswerkers of zendelingen? 'Jullie komen er wel achter', zegt Agus.

Zij stelt zich voor als Dorothé Schubert, Duitse, getrouwd, twee kinderen. Ze woont al vijf jaar in Sungai Barang. Of we zo vriendelijk willen zijn haar te volgen naar het huis van haar schoonouders. 'Mijn man is er helaas niet. Die studeert in Samarinda.' We staan perplex.

'Ik ben getrouwd met Bato Ubang, de zoon van het dorpshoofd', verklaart Dorothé die avond tijdens een copieuze maaltijd waarbij een groot deel van haar schoonfamilie aanwezig is. 'Ja, hij behoort tot de oude aristocratie zoals de meeste kepala desa in de Apokajan. De vroegere standen bestaan dan wel niet meer, maar er wordt nog altijd veel onderling getrouwd en de meeste dorpshoofden zijn van adel.'

Wij vertellen haar waarom wij per se Sungai Barang, de laatste kampong voor de waterscheiding van de Kajan-rivier wilden bezoeken. In Samarinda hadden we Jan Zwirs, een Nederlandse missionaris, ontmoet die jarenlang had gewerkt in Ritan Baru, een Kenja-kampong aan de Belajan, een zijrivier van de Mahakam. In 1978 bracht hij voor het in Samarinda uitgegeven rooms-katholieke tijdschrift Kontak verslag uit van een loodzware tocht die 170 Kenja's een jaar eerder van Sungai Barang naar Ritan Baru hadden ondernomen. Zijn publikatie werd belangwekkend genoeg geacht om te worden opgenomen in het gezaghebbende Borneo Research Bulletin.

DE case-study van Zwirs kan model staan voor de migratie van talrijke Kenja-subgroepen die in de jaren zestig en zeventig haar hoogtepunt bereikte. Goed voorbereide expedities van een half jaar of langer waren geen uitzondering.

Aan talrijke migraties lag het verlangen ten grondslag om het isolement te doorbreken en contact te zoeken met de moderne wereld.

Of heel gewoon wegtrekken naar een kampong met volop aanwezige mogelijkheden om een ladang (rijstveldje) dichter bij huis te bewerken. Want overvol waren sommige kampongs in de Apokajan.

Dorothé knikt. 'Er wonen nog slechts vijfhonderd mensen in Sungai Barang en dan nog verdeeld over twee kampongs. Ja, nu hoeven de mensen niet meer zo ver te lopen naar hun ladang.'

Haar schoonouders hebben haar uitvoerig op de hoogte gebracht van de migratie van 1977. 'Er waren er al zo veel voor die tijd. Ma Tukung bestaat niet meer. Die subgroep heeft zich hier gevestigd.'

Plotseling verandert zij van gespreksonderwerp. 'Hebben jullie soms dat boek van Tillema over zijn reis naar de Apokajan?', vraagt zij. We knikken bevestigend. 'Maar niet bij ons.'

'Probeer een exemplaar voor mij te bemachtigen', smeekt ze. 'Er staan foto's in van de vader van mijn schoonvader.'

Hendrik Freek Tillema. We hebben zijn boek gelezen. Maar hij paste eigenlijk niet in het verhaal.

'Ah, jullie willen Kenja's zien', kwekt de taxichauffeur, die wijzend op zijn buik de ritprijs van Samarinda naar Pam Pang, een afstand van nog geen dertig kilometer, probeert op te drijven.

Kenja's als bezienswaardigheid voor toeristen die Samarinda willen ontvluchten?

Klopt.

Pam Pang is een Kenja-kampong. Zonder langhuis. Maar met een redelijk fraaie ontmoetingsruimte. Enkele oude vrouwen met sieraden in hun uitgerekte oorlellen willen zich voor een paar duizend rupiah laten fotograferen.

Nieuwenhuis zou het goed hebben gevonden. Toean riks werd hij genoemd. Voor elk plantje en elk diertje, dat de Dajaks hem op zijn ontdekkingsreizen aanboden, betaalde hij een linggit, een rijksdaalder.

Meer over