Het verlangen naar A.D.

4) Nu - in ieder geval na de Grote Depressie...

Geliefde komt uit de badkamer in mijn badjas, hij schudt het water uit zijn kroeshaar, geeft mij in het voorbijgaan een aai over het gezicht en zet dan thee voor neefje en nichtje die op de bank naar de t.v. liggen te kijken.

Dit is een zin die ik twee jaar geleden niet kon lezen, laat staan schrijven, zonder dat mijn ogen begonnen te branden alsof iemand ze met zoutzuur had bewerkt. Badjas, kroeshaar, aai, neefje, thee - een aaneenschakeling van leugenachtige woorden uit een niet-bestaande wereld. Wat een doorzichtige verlakkerij. Ik vond een dinosaurus die aan het pootjebaden was in mijn wastafel geloofwaardiger.

Kwam er dan in die jaren durende depressie nooit eens een geliefde uit de badkamer zetten? Jawel, maar dat ging zo.

Geliefde komt uit de badkamer, en omdat hij mij niet kan krijgen, trekt hij maar mijn badjas aan; hij grijpt naar mijn gezicht en beseft nog eens dat niet alles wat tastbaar is ook aanwezig hoeft te zijn; schudt ongelovig zijn hoofd, en gaat dan, zonder verder nog acht op mij te slaan naar de keuken, waar hij thee zet voor de kinderen van mijn dooie zus.

De dichter Mallarmé geloofde dat wie de taal veranderde, ook de wereld veranderde en dat de werkelijkheid te plooien viel naar de woorden die je koos.

Ik zal achttien zijn geweest toen ik dat credo van hem las, waarin God en zijn Zoon vervangen zijn door een even onwankelbaar geloof in Het Woord en de Keuze. Ik hoefde geen seconde te twijfelen: dit was de kerk waar ik bij wilde horen. Je moest de schepper van je eigen leven worden, de schrijver van je eigen verhaal, en vanaf dat moment zouden de harde feiten geschrokken terugdeinzen en zich voegen naar de lijn die jij had uitgezet.

Ik was het soort jongen dat op de middelbare school al wist dat je proefwerkcijfers omhoog kon praten. Zelfs ronde getallen gehoorzaamden braaf aan de wet van het woord. En wanneer de hand van de leraar die extra lus toevoegde, waardoor de 6 plotsklaps veranderde in een glorieuze 8, was het zoveelste bewijs geleverd. Alles een kwestie van woordkeuze - hier versmolten twee lievelingsbegrippen tot een organisch geheel.

Je zei 'verliefd', en daar kwam de liefde aanrollen, als een Coca-Colablikje uit een frisdrank-automaat.

Er zijn inmiddels heel wat varianten in omloop van dat puberale geloof in de maakbaarheid der dingen. De plan-economieën ten oosten van de Oder waren nog niet ingestort, Stalin en Lenin amper van hun sokkel getrokken, of er stonden nieuwe goeroes op, die verzekerden dat je je leven zelf kon 'managen' en 'plannen'; je hoefde alleen maar je ervaringen 'positief te labelen'. En zo, met je eigen 'landmark' voor ogen, verkruimelde je verleden tot een verhaal naar eigen keuze, en kreeg je alsnog een ruime voldoende van de meester.

Ik smaal niet, ik haal herinneringen op van twintig jaar geleden die nu aan een ander lijken toe te behoren. Dat megalomane vertrouwen in mezelf, in dat onoverwinnelijke 'ik' - daar heb ik afscheid van moeten nemen.

Grofweg denk ik dat je twee soorten mensen hebt: de eerste groep is opgegroeid met veel narigheid, en vindt het niet meer dan redelijk dat er later een verandering ten goede komt. De tweede is het al best gewend, en gaat er daarom van uit dat het alleen maar beter kan worden. Dit zijn in het kort de realistische verwachtingen van alle deelnemers aan het piramide-spel; geen verlies, uitsluitend winst.

Ik denk niet dat je voorbereid kan zijn op een tragedie of een catastrofe. Maar de verbijstering die me trof toen bleek dat het leven zich niet, net als een leraar, om liet praten, was duizelingwekkend nieuw voor me.

Ik zei 'liefde' en hoorde de echo van een boedelscheiding, een zojuist leeggeruimde kamer. Ik riep 'zusje', niets. Ik klopte op deuren, 'laat me binnen', en er volgde taal noch teken.

Ik zeg niet dat je voorbereid kan zijn, maar zoveel handen in zulk dun haar - dat was niet normaal meer.

Van de drank leerde ik dat er een einde komt aan verhalen, een stom, onverstaanbaar einde; van depressies dat de wil het begeven kan. En als ik zeg dat ik iets leerde, is dat nog veel te opgewekt, want er viel niets te kiezen, het werd me aangedaan en ingewreven.

Wij schrijven inmiddels A.D: Anno Domini, in het jaar des Heren, After the Depression. Alleen in vaste uitdrukkingen durf ik nog de wij-vorm te gebruiken.

Ondertussen blik ik terug, en kijk met een schuin oog naar geliefde, die thee schenkt aan de springlevende bewijzen van mijn dode zusje.

Meer over