Het verdriet van Schotland

Volgende week dinsdag, 16 april, is het 250 jaar geleden dat voor het laatst slag werd geleverd op Britse bodem....

ALS DE drie heksen, aan het begin van het stuk, de toekomstige carrière van de politiek leider van Schotland hebben doorgenomen, en vervolgens even plotseling verdwijnen als ze verschenen zijn, komt Banquo met een van de mooist denkbare observaties. Hij zegt tegen Macbeth die naast hem staat: 'The earth hath bubbles, as the water has.' In het negentiende-eeuwse Nederlands van Burgersdijk: Op de aard zijn bobbels als het water vormt.

In sommige Shakespeare-edities, met name die uit de vorige eeuw, wordt het kasteel van waaruit Macbeth zijn bloeddorstige bewind voert, gesitueerd bij Inverness. De enige die de naam van het stadje overigens letterlijk noemt, is Duncan, de man die door MacBeth zal worden vermoord. In de vijfde acte brengt Shakespeare nog een ander kasteel ter sprake, bij Dunsinane Hill. Dat ligt bij het plaatsje Birnam, een kilometer of twintig van Perth langs de huidige A9. De passerende automobilist wordt opgeroepen om 'Macbeth's Castle' te komen bezichtigen. Dat wil zeggen: indien hij bereid is te geloven dat het allemaal echt is, en niet zo'n speciaal voor de toerist bekokstoofde toestand. Mij lijkt het vooral een fout in de regie: Macbeth moet bij Inverness hebben gebivakkeerd. In een van de meest melancholieke, meest tragische landschappen van Schotland.

De Amerikaanse kunstenaar Saul Steinberg heeft eens verteld hoe hij naar landschappen pleegt te kijken. Hij neemt ze in zich op, maar onwillekeurig dwaalt zijn oog naar de rechter- of linkerbenedenhoek, omdat hij wil weten of er een signatuur op is aangebracht.

Schotland is de overtreffende trap van die gedachte. Het voortdurende gevoel dat de natuur geregisseerd is: de contour van de horizon, het licht dat er plenzend naar beneden komt, en de sensatie dat per dag alle seizoenen minstens twee keer aanwezig zijn, soms zelfs binnen een uur. Het gebeurt dat je niets vermoedend tegen een helling omhoog rijdt en dat uit de horizon helder licht lijkt te komen. Je denkt nog even dat er een kernoorlog is uitgebroken. Maar je rijdt door, en daar ligt weer zo'n zilveren meer, druk bezig het zonlicht te weerkaatsen. Vijf kilometer verder is het ineens winter, of keer je terug in de herfst of blijken augustus en maart samen te vallen.

Hoe noordelijker, des te meer is de meteorologie teruggebracht tot een soort imaginaire wetenschap. Het is een van de laatste dagen van maart, maar aan het weer en het landschap is dat nauwelijks af te lezen. In hetzelfde uur waarin ik met open portierramen langs een brandend heideveld ben gereden, heeft het ook gehageld, is het zonlicht in ontelbare kleuren gefilterd. Het impressionisme hadden ze in Schotland moeten uitvinden, niet in Frankrijk.

Op een paar mijl van Inverness, langs de B9006, ligt een landschap met twee handtekeningen: Culloden Moor. Voor Schotse begrippen is het een vlakke ruimte, voornamelijk begroeid met gras, er staan een paar losse boomgroepen, een enkel huis. De horizon is er ver naar achteren gelegd. En je ziet het niet: niets laat nog zien dat zich op dit terrein een van de bloedigste veldslagen in de Britse geschiedenis heeft afgespeeld, op 16 april 1746. De twee onzichtbare handtekeningen zijn die van de Hertog van Cumberland en de man wiens naam door de historici altijd tussen aanhalingstekens wordt geschreven: 'Bonnie Prince Charlie'.

Als er iemand is die je kunt aanwijzen als de meest onwaarschijnlijke politieke gestalte van zijn tijd, dan wel deze in Rome geboren en in Rome gestorven avonturier. Als hij op oudejaarsavond van het jaar 1720 het licht ziet, heet hij Charles Edward Louis John Casimir Silvester Severino. In de verhalen die er later bij worden verzonnen, heet het dat 'of een ster aan de hemel verscheen'.

Charles was de kleinzoon van James II, de laatste koning uit het huis Stuart, die in 1688 door zijn schoonzoon, Willem van Oranje, was verdreven. In de jaren daarop probeerden James' aanhangers, de jacobieten, vanuit Frankrijk de troon terug te winnen, daarbij gesteund door de katholieken, de Ieren en de Schotten, die geen heil zagen in de politieke unie (de Act of Union) met Engeland. Een poging van James III om in 1715 George I, die het jaar daarvoor via een ingewikkelde verervingsafspraak Queen Anne was opgevolgd, met een leger van tienduizend man te verdrijven, mislukte. George reageerde hardhandig: de opstand die tegelijkertijd door de in Engeland overgebleven jacobieten was begonnen, werd met een ongeteld aantal executies beantwoord.

Na vier jaar volgt een nieuwe poging, dit keer met behulp van Spanje, dat 29 schepen en vijfduizend soldaten heeft uitgerust. Maar men is de haven van Cadiz nog niet uit, of de complete vloot vergaat; een groep van driehonderd Spanjaarden die vooruit is gestuurd en in Schotland is terechtgekomen tracht een garnizoen te vestigen bij Loch Alsh, maar wordt verslagen bij Glenshiel.

George, tevens keurvorst van Hannover, sterft in 1727. Onder het regime van zijn zoon, George II, leidt het jacobitisme aanvankelijk een wat kwijnend bestaan, maar als in 1743 Lodewijk XV, de Franse koning die tot dan toe het bewind aan kardinaal De Fleury had moeten overlaten, de macht geheel naar zich toetrekt, komt er weer vaart in de jacobitische zaak. In 1744 stuurt Lodewijk, met in zijn hoofd de ambitie de Engelse troon te annexeren, een vloot. Maar men is de haven van Duinkerken nog niet uit, of het begint te stormen. Geen schip dat het overleeft.

Inmiddels staat Charles in Parijs te popelen van ongeduld. Door het verlies van zijn marine is Lodewijk wat voorzichtiger, maar hij is bereid Charles te steunen als deze in 1745 met twee Franse fregatten koers zet in de richting van Ierland. Het is het begin van een krankzinnige geschiedenis. Via Ierland bereikt Charles de Hebriden. Hij gaat aan land op Eriskay, waar hem eerst nog te verstaan wordt gegeven dat hij beter naar huis kan gaan. Hij blijkt alleen een zeer gebrekkig Engels te beheersen. 'Sir, I am come home.' Hij reist verder, op 25 juli bereikt hij via Loch nan Uamh het Schotse vasteland. En het lukt hem: binnen een maand heeft hij de steun van enkele belangrijke clans in de Hooglanden, en op 19 augustus roept Charles zijn vader - bij verstek - uit tot koning van Schotland en Engeland en zichzelf tot regent.

De periode die vervolgens aanbreekt staat bekend als The '45. Plotseling herinneren talloze clans zich allerlei vetes vroeger, men sluit zich aan bij het leger van de in Italië geboren en naar verluidt buitengewoon charismatische Stuart. Steeds meer beginnen de Highlanders erin te geloven dat ze een kans maken het huis Hannover (het latere huis Windsor) uit Londen te verdrijven.

Charles maakt een omtrekkende beweging langs de Engelse garnizoens bij Fort Augustus en Fort William, hij bereikt Perth, en trekt van daaruit naar het zuiden. Via Dumblane en Sterling komt hij half september aan in Edinburgh. Londen wordt wakker en stuurt een leger. Er wordt slag geleverd bij Prestonpans, aan de Firth of Forth ten oosten van Edinburgh. Veel ellende zou zijn voorkomen als Londen een grotere militaire inspanning zou hebben geleverd, en de rebellie al in dit stadium had kunnen bezweren. Vermoedelijk zou ook de latere barst in het Schotse zelfrespect minder voelbaar zijn geweest, aangezien de illusie die Charles door zijn aanvankelijke succes wist te wekken, nooit zo'n uitvergrote omvang zou hebben bereikt.

Na het treffen bij Prestonpans ging het ongehinderd verder, op een weg waarvan niemand precies wist waar hij zou eindigen - niet politiek, niet militair. Op 1 november 1745 besluit Charles met zijn vijfduizend manschappen tot een mars op Londen. Door stug vol te houden bereikt hij een maand later Derby, nog geen 200 kilometer van de hoofdstad. Maar de militaire steun die hij van Frankrijk verwacht, blijft uit, zoals ook het enthousiasme voor de jacobitische zaak op Engels grondgebied minder groot is dan was gehoopt. Op 6 november begrijpen de Highlanders dat ze bezig zijn aan iets onmogelijks en als bekend wordt dat George II hen met een leger dat zes keer zo groot is, bij Onden staat op te wachten, besluit men tot wat in twintigste-eeuws Duits een planmässiger Rückzug wordt genoemd.

Het moreel is niet om over naar huis te schrijven, zeker niet bij 'Bonnie Prince Charlie' zelf, die nauwelijks nog met zijn officiers communiceert en 'alleen verantwoording schuldig is aan zijn vader en aan God, en geen verdere adviezen nodig heeft'. Het is een strenge winter, en als men in Schotland terug is, blijkt het politieke draagvlak eerder zwakker dan sterker. Charles blijkt niet langer vanuit Edinburgh te kunnen opereren, hij moet verder naar het noorden en laat voor zijn leger kwartier maken bij Inverness. Inmiddels maken de Engelsen van de gelegenheid gebruik hun troepen naar Stirling en Aberdeen te sturen, onder aanvoering van de Hertog van Cumberland, de zoon van George II. Hoewel aanvankelijk Glasgow en Dumfries nog steun verlenen aan de rebellen, slagen deze er niet in het optimisme te repareren: vanaf maart 1746 is er geen twijfel meer aan dat de opstand totaal is mislukt.

Op 15 april bereikt Cumberland het havenstadje Nairn, benoorden Inverness. Het is duidelijk dat de Engelsen de rekening komen vereffenen. Bij de plaats waar de laatste Keltische koning, Macbeth, werd vermoord (in 1055), moet eens en vooral een eind komen aan de onwil van de Highlanders zich te schikken onder het Engelse gezag.

VOOR Charles zijn de vooruitzichten hopeloos. In een allerlaatste poging en wetend dat er de volgende dag zal worden gevochten, entameert hij een nachtelijke verrassingsaanval op Cumberlands troepen, maar hij is niet in staat Nairn voor het aanbreken van de dag te bereiken. Er valt natte sneeuw. Het enige wat hem overblijft, is zijn uitgeputte en hongerige manschappen op te stellen op een strook hei halverwege Nairn en Inverness, Culloden Moor. Hij heeft vijfduizend man, dertien kanonnen, en een verzwakte cavalerie. De clanhoofden die hem trouw zijn gebleven, weten dat Cumberland bijna twee keer zoveel soldaten heeft, die stuk voor stuk beter zijn getraind. Wat ze nog niet weten, is dat de Engelsen massaal gebruik zullen maken van musketten, en dat zij met hun ouderwetse zwaarden kansloos zijn. En wat ze misschien niet eens verwachten, is dat veel soldaten, die alleen maar Keltisch (Gaelic) spreken, de door Charles - met zijn Italiaanse accent - uitgevaardigde orders niet eens zullen verstaan.

Het blijkt allemaal aan het eind van de ochtend als de Battle of Culloden in minder dan een uur in een massaslachting is geëindigd. Aan Engelse zijde sneuvelen driehonderd soldaten, aan Schotse ruim twaalfhonderd. 'Bonnie Prince Charlie' weet te ontkomen, en zal een half jaar later verkleed als kamermeisje op een schip naar Frankrijk worden gezet. Als een verdwaasde alcoholist zal hij 42 jaar later sterven in Rome, in de armen van zijn onwettige dochter. Cumberland houdt op een barbaarse manier huis onder de clans die de opstand hebben gesteund, wat hem de bijnaam The Butcher oplevert, en nog eens een aantal doden waarvan het aantal nooit meer is achterhaald. Het enige wat vaststaat, is dat nergens zoveel bloed de grond is ingegaan als hier.

Midden op het slagveld staan in een slordige cirkel twaalf kale berken. Her en der verspreid ligt een handvol zwerfkeien, waarin aan het eind van de vorige eeuw de namen van de Highland-clans zijn gebeiteld, MacGillivray, MacGregor, MacLachlan, MacPherson. Iemand heeft dat een toepasselijk idee gevonden. De wonderlijkste inscriptie staat op de steen die aan de Engelsen is gewijd. In hoofdletters: Field of the English. They Were Buried Here. Niets laat het nog zien, je hebt al je fantasie nodig om waar te nemen dat er bobbels in de aarde zitten, die om te beginnen al geen bobbels zijn. Twaalf berken, met wat hei eromheen. Het hadden er ook dertien of negentien kunnen zijn. Het absurde is even aanwezig als onzichtbaar.

Meer over