Het Turkse leger wil niet echt hervormen

Het zit wel snor met de bereidheid van de Turkse strijdkrachten om te democratiseren en zich zonder morren terug in de kazernes te trekken....

Ofschoon zij doortrokken zijn van het kemalisme, nog steeds de vrijwelonomstreden staatsideologie, hebben de militairen zich opmerkelijk flexibelgetoond. Telkens als de situatie dat vereiste, hebben ze aan het kemalismeeen nieuwe invulling gegeven.

Als de Europese Unie de strijdkrachten maar de tijd gunt zichgeleidelijk terug te trekken uit de burgerlijke instituties, komt hetallemaal wel goed. Ze hebben echt het beste voor met de natie, vertrouw zenou maar.

Bovenstaande hartenkreet valt te lezen in het jongste nummer van hetgezaghebbende Amerikaanse blad voor internationale betrekkingen ForeignAffairs. Daarin analyseren drie Turkse specialisten de rol van destrijdkrachten van het begin van de moderne republiek tot de recentstehervormingen van de regering-Erdogan in 2004 en 2005.

De montere toon verbaast niet echt: de auteurs zijn wel bijzonder nauwverbonden met hun onderwerp. Nihat Ali -zkan is majoor b.d., Dogan Akyazis majoor in actieve dienst en politicoloog Ersel Aydinli werkte eerst alscontraterrorisme-expert bij de politie van Istanbul.

In dertien pagina's geven de auteurs een gedegen achtergrond over debijzondere rol die de strijdkrachten hebben gekregen - en vooral genomen - in de jonge republiek. Zij citeren chefstaf generaal Hilmi -zkök dieverklaart dat 'de militairen het land redden en tegelijkertijd de politiekestructuur verwoestten die was gebaseerd op het sultanaat en het kalifaat.Zij bouwden een nieuw, modern systeem gebaseerd op maatschappelijke macht.Deze verandering was voor Turkije net zo belangrijk als de Renaissance wasvoor het Westen en deze verandering werd geleid door militairen.'

Nog steeds worden de strijdkrachten beschouwd als de betrouwbaarsteinstitutie van het land. Voor het grote publiek is het legeronvoorwaardelijk verbonden met de natie. Dat geldt net zozeer voor demilitairen, die zichzelf zien als bewakers van de seculiere staat zoalsvader des vaderlands Atatürk die heeft geconcipieerd.

Die staat is in hun ogen onvolmaakt, te gefragmenteerd in religieuze,sectarische of etnische delen. Turkije vertoont geen cohesie, isonvolwassen en moet bij de hand worden genomen. Dat hebben de militairendan ook met regelmaat gedaan: staatsgrepen in 1960, 1970, 1980 en delaatste ingreep in februari 1997, toen de democratisch gekozen regering vande islamist Necmettin Erbakan werd gedwongen tot aftreden (de 'fluwelencoup').

Grote troost voor het publiek was daarbij dat na elke coup demilitairen na betrekkelijk korte tijd vrijwillig plaats maakten voor eenburgerlijk bestuur. Daarop valt wel wat af te dingen: niet alleen hebbende coups effectief de vorming van een een professioneel politiek enbestuurlijk kader belet, keer op keer bleken de militairen nadien hunpositie hebben versterkt.

Ja, betogen de auteurs, maar de laatste jaren hebben de militairenvrijwillig stukje bij beetje hun machtspositie prijsgegeven. Ze trokkenzich terug uit de Mediaraad, de Raad voor het Hoger Onderwijs en vorig jaarnog voor een deel uit de machtige Nationale Veiligheidsraad die zij sindszijn oprichting na de coup van 1980 domineerden.

Oftewel, de strijdkrachten zijn best hervormingsgezind, staan open voordemocratisering en als de EU ze de ruimte geeft, dan komt het allemaalgoed.

Doet de EU dat niet en verslapt de externe steun voor de hervormingen,dan kan Brussel de 'grote consensus' tussen militaire en burgerlijkeautoriteiten in gevaar brengen, aldus de auteurs.

Dat laatste is een nogal kromme redenering, die illustratief is voorde vaak zo bevoogdende redeneertrant van het Turkse establishment. Het gaater niet om of de (militaire) elite de tijd rijp acht voor een democratischbestaan in de EU, maar of de burgers dat willen.

Het leger is allang niet meer de door Atatürk voorziene voorhoede opde weg naar het Westen, het is een starre hoeder van de staat geworden. Destrijd tegen de politieke islam en het Koerdisch nationalisme verdraagtzich niet met meer burgerlijke vrijheden.

Sterker nog, die veronderstelde dreigingen worden juist gebruikt. Nietalleen om meer faciliteiten als moderne luchtdoelraketten te krijgen, maarook om critici als Orhan Pamuk, Hrant Dink en Joost Lagendijk de mond tesnoeren op basis van een dubieus artikel in de strafwet.

Zo veranderingsgezind zijn de strijdkrachten dus helemaal niet, albeweert Foreign Affairs het tegenovergestelde.

Eric Outshoorn

Meer over