Het straatboefje in onszelf

Een cultuurfilosofische benadering is vereist die niet stoelt op vijanddenken, die weigert in wij-zij-culturen of in hier-daar-termen te denken Het Marokkaanse straatboefje is mondig, berekenend, assertief, individualistisch - de ideale, westerse staatsburger kortom....

door Mohammed Benzakour

DE AFGELOPEN tijd is heel wat afgediscussieerd over het onfatsoenlijk gedrag van Marokkaanse jongeren, met als tijdelijk hoogtepunt 'de zaak-Ede'. Daags na de aanslagen in Amerika meldde de pers dat Marokkaanse jongens op straat 'feestvierden'. Dat dit later werd tegengesproken, mocht niet verhullen dat enkelen enthousiast foto's van Osama bin Laden verspreidden, onder het motto 'hij is onze leider, hij durft het op te nemen tegen Amerika, de anderen zijn allemaal slaafjes van Amerika.'

Reeds lang vóór de zaak-Ede wisten Marokkaanse jongeren regelmatig de aandacht op zich te vestigen. Op stranden en zwembaden zouden ze meisjes lastigvallen, op de Schiphol-lijn staan ze berucht om hun vaardigheden laptops te verdonkeremanen, in Amsterdam-Oost en -West zijn op gezette tijden gewelddadige confrontaties met de wijkpolitie; op Kanaaleiland in Utrecht zouden ze het leven zuur maken van veel buurtbewoners en tennisverenigingen.

Hoe klein ook de probleemgroep in numerieke zin, niet te ontkennen valt dat de impact van hun gedrag groot en vervelend is en dat het moeilijk te vergoelijken valt.

In de discussies die volgden, was men het over één ding al snel eens: het intimiderende, agressieve en respectloze gedrag van deze jongens dient harder aangepakt te worden. Volkskrant-redacteur Schöttelndreier doorbrak afgelopen zomer met aplomb het multiculturele fatsoen door in een hitsig stukje te betogen dat die 'plaag van diehards' nu maar in eigen kring opgelost moet worden, desnoods middels sancties zoals 'inning van boetes via de kinderbijslag'. Criminoloog Werdmölder ging in Reflex een stap verder en pleitte eenvoudigweg voor 'het terugsturen van de lastpakken naar Marokko', omdat daar de straatterreur harder zou worden aangepakt.

Op juridische aspecten zal ik niet ingaan, evenmin laat ik het gegeven onbesproken dat talloze leefgemeenschappen in de gebieden van herkomst uitstekend functioneren zonder interventie van ook maar één politieagent. Enfin, interessant is de constatering dat de stoere roep om harde maatregelen steeds vaker gezocht wordt bij de Ander, de Vreemde of, in het geval van Werdmölder en de zijnen, zelfs Elders. Waar de een de minderheidsgemeenschap de zwartepiet toeschuift, ziet de ander plompverloren het ei van Columbus glimmen aan de overkant van de Middellandse Zee.

En als we aan deze gespierdheid de diepte-analyses toevoegen van Groningse antropologen als Frank van Gemert ('Het is nu eenmaal hun cultuur'), dan zien we dat 'cultuur' een begrip is geworden dat zich steeds meer ontpopt als een vrijbrief om niet te hoeven nuanceren, om moeilijke vraagstukken te omzeilen. Immers, in deze perceptie, volgens welke de multiculturele coëxis tentie steeds meer een idee-fixe is, wordt 'Marokkaanse straatterreur' beschouwd als een zuiver uitheems importproduct, als een Plaag die samen met de migratie heimelijk Nederland is binnengesmokkeld, kortom: als iets dat buiten onze beschaving staat, of althans hoort te staan, en dus als zodanig letterlijk buiten onze beschaving dient te worden gesteld: weg ermee, terug naar Afrika!

Menselijk gezien is het een begrijpelijke reactie, maar de vraag is of er wel een Ander of een Elders is? Immers, wat nu als blijkt dat deze Plaag geenszins uit een ander werelddeel afkomstig is, maar juist het fijnzinnige product is van ónze realiteit; een voortbrengsel van ónze eigen beschaving, van deze era, zoals Frankenstein, Dracula en mr. Hyde gotische monsters zijn uit de Victoriaanse tijd?

Criminaliteit, geweld en agressie kennen vele risicofactoren, die nagenoeg als bekend mogen worden verondersteld: jong zijn, man zijn, gebroken gezinnen, lage welstandsklasse, slechte schoolprestaties, aanleg tot alcohol- en druggebruik en, sinds enkele jaren, allochtoon zijn. Frustrerend is dat zulke factoren weinig aanknopingspunten bieden voor verandering. Preventiebeleid loopt doorgaans vast in de modder van de maatschappelijke status quo en beleid van zero-tolerance blijkt spanningen tussen politie en buurtbewoners alleen maar verder op te drijven. Het heeft er alle schijn van dat we naar diepere wegen moeten zoeken, willen we de alledaagse straatterreur enigszins bezweren of althans inzichtelijk maken.

Sinds Joseph Conrads Heart Of Darkness lijkt vast te staan dat wanneer de mens aan zichzelf wordt overgelaten, ongehinderd door zoiets als een gemeenschap en een gemeenschappelijke moraal, hij met lege handen komt te staan. Dat hij dan vroeg of laat tot beestachtigheid vervalt. Die les is ons in de honderd jaar na het verschijnen van dat raadselachtige boek talloze keren ingepeperd, maar kan in dit SBS 6-tijdperk, waarin consumentisme het enige overgebleven massageloof is, niet vaak genoeg worden herhaald. In een technologische wereld waar stijl een religie is en vorm de inhoud overheerst, brokkelen menselijke relaties gemakkelijk af. Denkbeelden over identiteit en Goed en Kwaad vervagen tot iets ongrijpbaars. Veel voetbalhooligans en straatagressors, zoals de groep die Meindert Tjoelker doodschopte, zijn doordeweeks brave huisvaders met een vaste baan.

De wanhoop van het verlies van het Grote Verband, de permanente staat van neurotische verlorenheid waaraan iemand ten prooi valt wanneer hij enkel aan zijn eigen geest en lichaam is overgeleverd, krijgen we dagelijks voorgeschoteld, zappend, shoppend, chattend, surfend. Wat steeds opvalt, is de sensatie van de kick. Voor hoeveel jongeren betekent uitgaan niet 'uit je dak gaan'; voor hoeveel jongeren betekent je voetbalclub steunen niet 'een middagje ongebreideld vloeken en matten'?

Veel televisiemateriaal weerspiegelt een tijdgeest waarin geweld geen middel maar een doel op zich is geworden. Fight Club, Natural Born Killers, Baise-moi, het zijn films die op aanstekelijke wijze tonen welk een euforisch gevoel het geeft elkaar de hersenen in te slaan of lukraak te doden. Dit gewelddadige nihilisme staat niet op zichzelf, maar is een echo van een reeds lang ingezet proces van algemeen fatsoensverval. Welke jongere 'vousvoyeert' zijn leraar of moeder nog, wie houdt nog de deur open voor een dame, wie staat nog zijn zitplaats af aan een bejaarde? Het klinkt ouderwets moralistisch, ik weet het, maar te ontkennen valt het niet.

Het panorama van agressie en geweld strekt zich ook uit over volwassenen. Ouders die leerkrachten bedreigen of zelfs molesteren als het kind zijn beklag doet. Ook gaan ze op de vuist vanwege voordringen bij het loket of omwille van een parkeerplaats. 'Hufterig', zo typeerde onlangs een grote politiek partij de huidige samenleving.

Hoe dan ook, straatterreur - Marokkaans of niet - is irrationeel, maar daarom niet onbegrijpelijk, ook al blijft het in hoge mate een onvoorspelbaar fenomeen. Ofschoon allerlei aanwijsbare oorzaken voorhanden zijn, blijft mistig wie of wat direct verantwoordelijk of schuldig is. De ouders? De school? De politie? Het welzijnswerk? Allen lijken schuld te hebben, maar maatschappelijk gezien heeft niemand schuld.

Deze paradox is onvermijdelijk wanneer straatterreur voortdurend als een politiek-bestuurlijk probleem wordt beschouwd (politiecommissarissen en ministers worden ter verantwoording geroepen, men pleit voor meer blauw op staat en voor meer camera's in metrostations), terwijl veel erop wijst dat we eerder van doen hebben met een civiel probleem. Met een defect van ons eigen cultureel-maatschappelijk stelsel. Schrijver James Ballard verwoordde het zo: 'Straatgeweld is de poëzie van de twintigste eeuw'.

Voor de specifieke groep Marokkaanse boefjes van de tweede en de derde generatie komt er een dimensie bij. Wie zich verdiept in hun alledaagse leefwereld, beseft dat in afnemende mate sprake is van een gemeenschap die deze jongens een beeld van zichzelf geeft, of waaraan ze zich kunnen spiegelen. Buiten de eigen vriendengroep bestaat voor hen geen enkele gemeenschap, de Nederlandse noch de Marokkaanse. Hun ouders genieten weinig gezag voor ze en de buitenwereld ervaren ze als vijandig ('Ede is een politiestaat', 'portiers zijn racisten'), waardoor ze komen te zweven in een maatschappelijk vacuüm.

Deze jongens komen tot zelfkennis, maar niet doordat ze in het dagelijkse leven staan met een filosofie, een geloof, een ideaal, een visie op hun bestaan. Ze leren zichzelf zien, enkel en alleen door het feit dat het rauwe straatleven hun als een fait accompli wordt opgediend. Daar het hun ontbreekt aan échte vrijheid simuleren ze die vrijheid, waarbij ze in permanente staat van conflict verkeren met de hen omringende gezapige, kleinburgerlijke wereld; de massa's en instituties, de machthebbers, de ouders, de tradities, de religie, 'de gemeenschap'.

Jongens, kortom, die niet, in tegenstelling tot wat velen menen, hun identiteit nog móeten vinden, maar die hun identiteit allang en op eigen kracht hébben gevonden in het Buitenstaanderschap. En wel een op het scherp van de snede balancerend buitenstaanderschap, waar ze niet zelf voor hebben gekozen, maar dat hun is opgelegd.

Geboren en opgegroeid in de volkswijken en binnensteden van de Randstad, beantwoorden ze perfect aan het idee van modern westers staatsburgerschap: ze zijn mondig, berekenend, assertief, eigengereid, expressief, individualistisch. Anders dan bijvoorbeeld Turken (die zich grotendeels manifesteren als een gezagsgetrouw, hecht, en tamelijk saai collectief) kun je stellen dat deze jongens de libertijnse allegorieën vormen van deze tijd: anti-ideologisch, anti-autoritair, anti-patriarchaal. Aan hun taal is soms nauwelijks een touw vast te knopen: een wonderlijke mix van flarden Berberdialect en scheutjes Marokkaans-Arabisch, gelardeerd met Afro-Amerikaanse rapliners en hippe Amsterdamse kreten. Hun vaderland, Marokko, kennen ze van de schotelantenne of van horen zeggen, of, in het gunstigste geval, van die tweejaarlijkse, stiervervelende zomervakanties vol stofwolken en lauwe Coca-Cola.

De schade die dit heeft aangericht, in hun verloren levens, de bedreiging die het voor ons allemaal meebrengt, kan moeilijk worden overschat. Duizenden vervreemde jonge Marokkanen, van wie het leeuwendeel hier is geboren en getogen maar die zichzelf beschouwen en beschouwd voelen als paria's binnen Nederland; het is een situatie die ernstig en ontwrichtend genoeg is, maar waar stoere versimpelingen of gespierde leuzen het zicht op vertroebelen.

Toch hoor ik mezelf in gesprekken steeds zeggen dat we niet zo moeten overdrijven. Dat we nu zo geschokt raken omdat we niets meer gewend zijn. Dat de media het zo breed uitmeten omdat het komkommertijd is, omdat het de gevoelens van onveiligheid zo lekker bevestigt en aanwakkert. Dat het vroeger niet anders was, met dat verschil dat toen de relschoppers nog een voorwendsel hadden, een ideaal - een rechtvaardiger samenleving - om voor te vechten en dat reden gaf de politie uit te dagen. Intussen weten we dat het nu anders, existentiëler ligt: het geweld is zinloos, omdat er domweg weinig zin is.

Wie dit beseft, kan moeilijk volhouden dat Marokkaanse straatterreur een verschijnsel is dat afkomstig is van buiten onze landsgrenzen. Aannemelijker lijkt het deze straatterreur - evenals de almaar toenemende rassenhaat en islamfobie, serieverkrachtingen, seriemoorden, voetbalvandalisme, straat agressie - als een Plaag te zien die ónder ons is, of zelfs: ín ons. Ze bedreigt onze onschuld niet van buitenaf, maar zit diep verborgen in de krochten van onze postmoderne cultuur; een cultuur waar de Marokkaanse boefjes een eigenzinnige incubus van vormen.

En om deze incubus te doorgronden (en wellicht te bezweren, al ben ik daar weinig optimistisch over), is een andere analyse vereist. Een meer cultuurfilosofische benadering die niet stoelt op vijanddenken, die weigert in wij-zij-culturen of in hier-daar-termen te denken; een benadering die zelfonderzoekend is, die de complexiteit van het huidige samenleven als uitgangspunt neemt, en die, kortom, ervan uitgaat dat er allang geen Buiten of een Ander meer is.

Meer over