Het stadje waar alle schurken het leven lieten

In Tombstone ligt de waarschijnlijk beroemdste plek uit het Wilde Westen: de OK Corral, waar de befaamde shoot-out plaats vond met legendarische namen als sheriff Wyatt Earp, Doc Holliday en desperado Ike Clanton....

De afslag naar Shakespeare lost op in een wolk zand die over de weg jaagt. De tumbleweeds, die in de betere western altijd zo gemoedelijk voorbijtuimelen, schieten als vuurpijlen over de weg. Bij vlagen verdwijnen de berm, de bewegwijzering en het schaarse verkeer uit beeld. Hoe hebben de pioniers die er in autoloze eeuwen doorheen trokken dit in hun huifkarren ooit overleefd?

Een woestenij vonden de negentiende-eeuwse Amerikanen het. Niemand kwam op het idee het goddeloze en onvruchtbare New Mexico als staat in de VS op te nemen. New Mexico was een stuk land waar je doorheen moest op weg naar het westen, naar het goud in Californië. Met dat doel werd in de jaren tachtig van de negentiende eeuw de Southern Pacific Railroad door beide staten geleid. Op strategische plekken verrezen stadjes, waar voedsel en vooral water konden worden ingeslagen. Het Wilde Westen dankte zijn naam aan de explosieve combinatie van verpauperde jonge mannen, sterke drank en wetteloosheid. Stadjes als Shakespeare, Steins en het wereldberoemde Tombstone vormden het decor van menige schietpartij die vrijwel altijd onbestraft bleef.

Steins lijkt op het eerste gezicht op het ratelslangenverblijf in Burgers' Zoo: manshoge cactussen tegen uit afvalhout opgetrokken schuurtjes, een authentiek ogende koets met doorgeroest plaatwerk, inderhaast achtergelaten railbouwmachines en vooral veel zand bepalen het aanzien. De economie van het gehucht dreef op water, omdat de stoomlocomotieven van de Southern Pacific afhankelijk waren van de toevoer uit de nabijgelegen Doubtful Canyon. Water deed een dollar het vat. De treinen, die er noodgedwongen stopten, brachten klandizie mee. Genoeg voor drie saloons, twee bordelen, een hotel en een winkel. En voldoende om een bevolking van 1300 mensen in leven te houden. Toen de Southern Pacific na de Tweede Wereldoorlog op diesellocomotieven overging, werd Steins een dode stad.

De winkel is er nog. Linda Link, de eigenaresse, verkoopt cactuszaden, cola en spoorwegparafernalia. Ze laat een oude foto van Steins in de jaren twintig zien: een welvarend stadje waarvan een zielige verzameling houten keten is overgebleven. Linda en haar man graven alles uit wat de moeite van het bewaren is. Zo is er in Steins' Mercantile een klein, oersaai museum van oude flessen. Maar ook een in volle glorie herstelde pioniershut en een kleine bibliotheek met zeldzame boeken. Linda vertelt dat ze een jaar of acht geleden was vastgelopen in haar stadse bestaan. Toen echtgenoot Larry haar belde met de mededeling dat hij een spookstad had gekocht, bedacht ze zich maar één moment: 'Ik ben bereid alles op te geven, behalve mijn sanitaire voorzieningen.' 's Nachts slapen Larry en Linda een eind verderop in een trailerpark langs Interstate 10.

Voorbij de grens tussen New Mexico en Arizona wordt het ongemerkt drukker langs de I-10. Coyote-lijken en grote billboards langs de weg bereiden de automobilist voor op de nabijheid van mogelijk de beroemdste plek uit het Wilde Westen: de OK Corral. Tombstone, de plek waar de wereldbefaamde shoot-out at the OK Corral plaatshad, ligt er stilletjes bij. De schaduwen vallen lang door de straten. Een verveeld kijkende namaakcowboy laat zijn kat aan een touwtje uit, twee mannen met voor het effect zwartgeverfde tanden staan te grappen in de deuropening van het kantoor van de sheriff en een evangelist sleept een tweemans hoog kruis op zijn rug door de straten. 'Omdat God van mij houdt', staat er op een kaartje dat een van zijn collega's me in de hand drukt. De kruisdrager heeft wel een wieltje onder zijn last gemonteerd.

The town too tough to die noemt Tombstone zichzelf. En daar zit - naast de nodige valse commerciële romantiek - wel wat in. Het stadje dankt zijn bestaan aan de zilvermijn die tussen 1877 en 1890 massa's gelukzoekers trok. In die tijd mocht Tombstone zich de snelst groeiende stad tussen San Francisco en St. Louis noemen. Het eind van de zilvermijn betekende meteen het einde van Tombstone. Het stadje liep leeg en zelfs de status van nationaal monument die het belangrijkste 'theater' in 1934 kreeg, kon ernstig verval niet voorkomen. Vijf jaar later verscheen Frontier Marshall, een onbekend gebleven film die de opmaat vormde naar Gunfight at the OK Corral uit 1957, waarin Burt Lancaster, Kirk Douglas en Lee Van Cleef Tombstone wereldberoemd maakten.

Wat er precies voorviel op 26 oktober 1881 staat in de Tombstone Epitaph, die voor een dollar te koop is: 'De rust (na de dood van voormalig Marshall White, red.) bleek een stilte voor de storm die gisteren in al zijn gewelddadigheid is losgebarsten. Met dit verschil dat de bliksem dit keer in een andere buurt insloeg dan die van een jaar geleden. Deze keer trof zijn volle vernietigende kracht diegenen die vroeger de goede naam van dit land bezoedelden. En geen beambte in functie, of een vredelievende en onschuldige burger.'

De getuigenis van Wyatt Earp vertelt de rest: de legendarische Doc Holliday, sheriff Earp en zijn broers Virgil en Morgan worden bedreigd door een meute cowboys onder leiding van desperado Ike Clanton. De bedreiging volgt op een mislukte deal over een beloning voor de meest gezochte veedieven uit de omgeving. Het lijkt erop dat de broers Morgan de beloning zelf willen opstrijken en sheriff Earp erbuiten proberen te houden. Het geharrewar leidt tot een confrontatie tussen Holliday en Ike Clanton in de Alhambra-saloon.

Daarna volgen de gebeurtenissen elkaar snel op. De boeven lopen opzichtig met hun six-shooters te koop. De good guys kunnen weinig anders dan de confrontatie aangaan: ze ontmoeten elkaar in Fremont Street (en dus niet in de OK Corral!). En daar laten de helden hun revolvers spreken. Door een krankzinnig toeval overleven de goeieriken het allemaal en laten alle schurken het leven. Het vonnis van magistraat Wells Spicer meldt dat er onvoldoende bewijs is om Wyatt S. Earp en Doc Holliday, de hoofdverdachten, schuldig te verklaren.

Op het hermetisch afgesloten terrein van de Corral is een crib, een hoerenkeet, hersteld. Op betaaldagen stonden de mannen letterlijk in de rij om voor een dollar even het zware gehak in de zilvermijnen te mogen vergeten. Een prostituee verdiende rond de dertig dollar per dag. Het gepees leidde dikwijls tot drankzucht, druggebruik en zelfmoord. Prostituee Big Nose Kate, de vriendin van Doc Holliday, dreef haar eigen saloon op Main Street en wist zo de dans te ontspringen. De vrouw van een van de Earp-brothers werd het daarentegen te veel; zij maakte er met laudanum een eind aan.

Behalve een inkijkje in de losse zeden op het eind van de negentiende eeuw is er in de corral weinig te beleven. Er is een klungelige reconstructie van de shoot-out te bezichtigen en er is een saloon nagebouwd met het oog op theaterproducties.

Authentiek komt het muf ruikende Bird Cage Theatre over, al is er over de echtheid van de tentoongestelde voorwerpen niets met zekerheid te zeggen. Maar de boel wordt zo slecht onderhouden dat de zaak er uitziet alsof er inderdaad een eeuw lang niets aan is gedaan.

De hoogtepunten in de collectie zijn de farotafel die acht jaar lang continu in gebruik is geweest, de lijkkoets van Watt and Tarbell, die dagelijks reed van 1881 tot 1917 en het fraaie affiche erboven: 'Waarom halfdood rondlopen als wij je voor 22 dollar onder de grond stoppen.' Dat Lilly Langtree, Sarah Bernhardt en Enrico Caruso het theater aandeden, is gezien de vertoonde foto's een feit. Verder gaat het museum gebukt onder een vrolijke potpourri van apocriefe en half-apocriefe verhalen. En dat maakt het een representatief boegbeeld voor Tombstone.

Meer over