ReportageSpanje

Het Spaanse dorp van Maria en Jesús ademt de dood

Nergens in Europa – behalve dan rond de poolcirkel en op plekken in Scandinavië – is de bevolkingsdichtheid zo laag als in het binnenland van Spanje. Koffie met cognac, kaarten en een broodje in het troosteloze dorpscafé, is alles wat de achterblijvers rest. Want alle industrie is verdwenen ren de landbouw is in crisis. Is er nog hoop? 

Maria Agustín Alegre en haar man Jesús Campos García, Collados.Beeld Cesar Dezfuli

In het dorp Collados, diep weggestopt in het binnenland van Spanje, zijn er meer doden dan levenden. Kleurige plastic boeketjes sieren de grafnissen op het kerkhof. Van verse bloemen is geen sprake, zelfs de doden krijgen weinig bezoek. De kerk van de Geboorte van Onze Vrouwe staat op instorten. En de kapel van de Heilige Andreas is veranderd in een geitenstal, het stro ligt op de grond.

Hier in Collados wonen nog maar twee mensen. Het zijn Maria Luisa Agustín Alegre (75) en haar man Jesús Campos García (79). Hun huis staat wat achteraf, omgeven door ruïnes. Het is het enige in het dorp waarvan de rolluiken niet gesloten zijn. 

Toen er deze winter uitzonderlijk veel sneeuw viel, raakte het echtpaar ingesneeuwd. Dagenlang zaten ze vast. ‘Er was nog maar een paar centimeter van het raam vrij’, vertelt Maria Luisa. Jesús windt zich erover op dat de sneeuwschuiver pas verscheen toen de sneeuw al was gesmolten. ‘Zijn wij geen Spanjaarden soms?’, roept hij uit.

In het midden van het dorp staat, tegen beter weten in, een klimrek. Ja, zegt Maria Luisa, toen ze jong was, waren hier veel meer mensen. ‘Toen woonden de omaatjes hier nog. Die hielden de boel netjes en in de weekenden en de vakanties kwamen de kinderen op bezoek.’ Maar nu? ‘Ze zijn weggegaan, en niet meer teruggekomen’, zegt Jesús.

Juan Manuel Pérez Olivar (62), Miravete.Beeld RV/Cesar Dezfuli

Maria Luisa en Jesús bleven samen achter. En als zij er niet meer zijn, dan sterft ook dit dorp. Zo staan de zaken ervoor in de Spaanse provincie Teruel, waar heel veel dorpen zijn zoals Collados.

‘Ons volk sterft uit’

Het lijkt een niet al te opmerkelijk verhaal. Overal ter wereld trekken mensen naar de stad en blijven dorpen, vooral de kleinste, achter zonder bewoners. Het is een proces dat al gaande is sinds de opkomst van industriesteden en de mechanisatie van de landbouw. In Spanje vond vooral in de jaren vijftig en zestig, toen het land zich op een dood punt bevond onder aanvoering van generaal Franco, een massale trek naar de stad plaats.

En toch is er op dit moment iets uitzonderlijks aan de hand in het Spaanse binnenland. Het besef dringt door: er moet iets gebeuren, anders is er straks helemaal niemand meer over. Nergens in Europa – behalve dan rond de poolcirkel en op plekken in Scandinavië – is de bevolkingsdichtheid intussen zo laag. ‘Er is sprake van demostanasie’, zegt Tomás Guitarte, leider van de burgerbeweging Teruel Bestaat. ‘Ons volk sterft uit, doordat de staat geen actie onderneemt.’

Guitarte bezet sinds kort een zetel in het Spaanse parlement. ‘Twintig jaar lang hebben we op straat gestaan om te demonstreren, maar er werd niet naar ons geluisterd’, vertelt hij, in een verder lege kroeg in provinciehoofdstad Teruel. De sprong naar de politiek bleek een succes. De ene zetel van Teruel Existe (Teruel Bestaat) is noodzakelijk om de socialistische regering van Pedro Sánchez overeind te houden. Het bracht Guitarte in de positie om van alles terug te vragen: wegen, spoorlijnen, internet. Bovendien is heel Spanje nu doordrongen van de problematiek van Teruel.

Dat is niet alleen de verdienste van Guitarte. In 2016 kwam het boek La España vacía (Het lege Spanje) uit, geschreven door essayist Sergio del Molino. Hij beschreef hoe dramatisch de situatie in de binnenlanden is. Het boek maakte grote indruk op de Spaanse intellectuele elite – niet in de laatste plaats omdat veel Spanjaarden nog altijd met één been in het dorp van hun grootouders staan. Ze houden er huizen aan en brengen er vakanties door.

César Izquierdo (27), El Pobo.Beeld RV/Cesar Dezfuli

Del Molino benadrukt dat Spanje qua oppervlakte een enorm land is, anderhalf keer zo groot als Duitsland maar liefst. De bevolking klit echter samen in Madrid en aan de kust. In het binnenland wonen bedroevend weinig mensen. Een voorbeeld is de regio Aragón, waarin Teruel ligt: qua oppervlakte groter dan Nederland, maar met slechts 1,3 miljoen inwoners (van wie de helft in de regionale hoofdstad Zaragoza).

Ook de energiecentrale gaat dicht

Het ‘leeggelopen Spanje’ werd de afgelopen jaren een begrip. Tijdens de verkiezingsdebatten in 2019 nam het onderwerp steevast een blokje in. De nieuwe regering heeft zelfs een minister voor de Demografische Opgave – en dan wordt niet, zoals elders ter wereld, de overbevolking bedoeld.

De ontvolking wordt deels veroorzaakt doordat de industrie verdwijnt. Manuel Cirujeda (62), een mijnwerker die vanaf het eerste uur betrokken is bij Teruel Bestaat, kan erover meepraten. Toen hij 43 was, sloot de kolenmijn waar hij werkte en werd hij met vroegpensioen gestuurd.

Nu zit hij op het plein van het mijnstadje Alcorisa. Uit de luidsprekers schalt stipt om één uur folkloristische muziek. Daarna een mededeling: er zijn vandaag ‘speciale pinchos’ (hapjes) te verkrijgen.

‘Ik was natuurlijk blij toen ik niet meer hoefde te werken’, zegt Manuel. ‘Maar je denkt ook: ben ik nergens meer goed voor? Naar de kroeg dan maar?’ Hij heeft het over zijn eigen leven – maar het had net zo goed op de provincie Teruel kunnen slaan.

Wat zijn de plannen van de minister voor de Demografische Opgave?

Basisvoorzieningen als onderwijs en gezondheidszorg overal garanderen, met onder andere een dokter aan huis als er geen gezondheidscentrum is.

Het Spaanse wegennet moet echt een net worden, en niet een spinnenweb – met Madrid in het midden – zoals nu.

In alle dorpen openbaar vervoer naar de belangrijkste plaats in de streek.

Stereotypen ontkrachten en het imago verbeteren van de gebieden die het meest worden geraakt door de ontvolking.

Migranten aantrekken, ook van buiten Europa. Voor geëmigreerde Spanjaarden moet ‘een rode loper worden uitgerold’; ze krijgen hulp bij terugkeer.

Internet, zowel breedband als ­mobiel (3G), in het hele land.

Dit is een wingewest voor de rest van Spanje, klaagt hij. ‘Ze komen en pakken wat ze pakken kunnen. Of het nu steenkool is, klei of leonardiet (een soort bruinkool, red.). De fabrieken staan altijd elders, daar zijn de banen. Het is regelrechte kolonisatie.’ De energiecentrale van Teruel, een van de laatste grote industriële werkgevers, gaat dit jaar op slot. Op de verkeersborden is de naam van de centrale al doorgekrast. ‘Naar de werkloosheid’, staat er nu, of ‘in de stront’.

Ook bij Teruel Bestaat is veel chagrijn over de sluiting van de centrale. ‘Ze waren in Madrid in 2019 zo druk met partijpolitiek’, sneert parlementariër Tomás Guitarte, ‘dat ze vergaten dat er ook echte problemen bestaan.’ Hij wil dat er op z’n minst een overgangsplan komt, een plan voor nieuwe banen, zodat er niet een heel contingent arbeiders op straat komt - de tijd van de goudgerande vroegpensioenen is voorbij.

Want wat komt er voor terug? Windmolens en zonnepanelen. Manuel Cirujeda, de mijnwerker, lacht schamper. ‘Ze denken zeker: het is daar niets dan woestenij, we kunnen doen wat we willen. Maar werk levert het nauwelijks op. Opnieuw zijn we veroordeeld te produceren voor de rest van het land. En ondertussen zitten we hier, met ons mobiele netwerk en onze telefoonlijnen die het niet doen.’

Een opvallend verschijning: de jonge boer

Het is niet alleen de industrie die verdwijnt - ook de landbouw maakt een zoveelste crisis door. Op een koude, gure ochtend zit de jonge landbouwer César Izquierdo aan de bar in zijn dorp El Pobo. De kroeg is nauwelijks als zodanig te herkennen: een vervallen wit pand, met een uithangbord van een biermerk.

Maar de veertig inwoners van El Pobo weten de bar ook zo wel te vinden. Eén voor één druppelen ze binnen, vanaf negen uur in de ochtend: voor een kop koffie met cognac, een potje guiñote (zo’n typisch kaartspel van het lege Spanje), een broodje, en zo de hele dag door, tot het bier in de avond.

Mariano (75), Plou.Beeld RV/Cesar Dezfuli

Boven de bar hangt de geijkte tekst dat er geen alcohol wordt verkocht aan minderjarigen. Een overbodige mededeling: César is met zijn 27 jaar de jongste van het dorp. Met de andere boeren bespreekt hij hier het laatste nieuws. Een terugkerend onderwerp is de - in hun ogen onrechtvaardige - manier waarop in Spanje de Europese landbouwsubsidies worden verdeeld.

Om in aanmerking te komen voor de landbouwgelden, moeten boeren minstens 20 procent van hun inkomen uit het boerenbedrijf halen. Veel te weinig, vindt César. Volgens hem wonen veel boeren in de stad en verschijnen ze alleen in het weekend om hun land te bewerken. Salonboeren, zo heten die hier. ‘Ze zien de opbrengsten uit de landbouw als een extraatje. Dat maakt het voor ons als professionele boeren erg moeilijk om te concurreren. Op deze manier zal er binnen de kortste keren niemand meer hier in het dorp wonen.’

‘Vrouwen zijn schaars’

César wil hier blijven, in El Pobo. Hij houdt van het buitenleven, het werken met dieren, de jacht. En dat er geen leeftijdgenoten zijn, vindt hij niet erg. ‘Ik heb geleerd om samen te leven met andere generaties’, zegt hij. Het enige probleem is: vrouwen zijn hier schaars. ‘Het is moeilijk’, zegt hij, ‘om iemand te vinden die hier wil komen.’

Volgens Sergio del Molino, de schrijver, is het lot van het lege Spanje bezegeld: hij denkt dat het in deze contreien nooit meer vol zal worden. Maar Tomás Guitarte, de voorman van Teruel Bestaat, wil daar niets van weten. ‘Ik ben optimistisch’, zegt hij. ‘We moeten het land herbevolken. In de Middeleeuwen wisten ze al hoe dat moest: toen gaven ze grond weg, nu kan het met belastingvoordelen.’

En wie weet wat de toekomst zal brengen? ‘Nu is het al mogelijk om op afstand te werken’, overweegt Guitarte. ‘Dat had ook niemand een paar jaar geleden gedacht.’

Ángel Marzo Bachiller (30) is zo iemand die de hoop in Teruel levend houdt. De meubelmaker uit Calamocha werd gekozen als hoofdrolspeler in een reclame van het Spaanse postbedrijf Correos. Zijn beeltenis prijkte rond Kerst metershoog op de Gran Vía in Madrid en stond paginagroot in de kranten. De bijbehorende slogan: #YoMeQuedo, oftewel #IkBlijf.

Javier Millán (54), Campos.Beeld RV/Cesar Dezfuli

Nog niet zo lang geleden werkte Ángel in de bouw, vertelt hij in zijn werkplaats. Maar hij kreeg het aan zijn rug en moest op zoek naar iets anders. In het begin maakte hij meubels voor vrienden, uit liefhebberij. ‘Toen heb ik besloten een eigen bedrijf te beginnen’, zegt hij. ‘Ik wilde hier niet weg.’ Hij laat de ruwe stammen zien die achter zijn loods liggen: notenhout, dennen, olijfboom, alles uit de omgeving. De meubels die hij maakt verkoopt hij online.

Ook zijn vriendin, Cecilia Rodríguez (34), is geboren in Calamocha. Ze vertrok om te studeren, later om te werken, tot in de Verenigde Staten aan toe. Nu is ze terug. Ze vond een baan als docent Engels op een talenschool. Soms voelt het alsof ze hier de laatste overlevenden zijn, zegt Cecilia. ‘En toch blijf ik nu hier. Iedere ochtend als ik de kraanvogels hoor, ren ik naar het raam. Echt waar, iedere dag. Waar anders heb je dat?’

Meer over