Het slimste jongetje

Bijna tien jaar liet hij niets van zich horen, geen interviews, geen nieuwe platen, geen concerten. Net toen écht niemand meer verwachtte dat Bowie zou terug- keren, deed hij dat toch. Met een uitgekiende marketing- strategie.

Op 25 juni 2004, tijdens een optreden op het Hurricane Festival in Duitsland, voelt David Bowie pijn in zijn borst. Na afloop laat hij zich onderzoeken, waarna medische ingrepen plaatsvinden. Een lichte hartaanval maakt een einde aan de tot dan toe behoorlijk succesvol verlopen Reality Tour, vernoemd naar de goed ontvangen plaat uit 2003.


Sindsdien is het stil rond Bowie. Hij geeft geen concerten meer, brengt geen plaat meer uit, houdt geen interviews. Enig lichtpuntje voor liefhebbers van zijn muziek is het nieuws dat het Victoria & Albert Museum in Londen vanaf aankomende 23 maart een tentoonstelling aan Bowie zal wijden - een groots overzicht waaraan Bowie weliswaar geen directe medewerking verleende, maar waarvoor het museum wel zijn archieven en kledingkasten mocht plunderen.


Op nieuwe muziek rekent eigenlijk niemand meer. David Bowie speelt al tijdenlang verstoppertje. Hij geeft niet thuis wanneer op 8 januari vorig jaar wereldwijd zijn 65ste verjaardag wordt gevierd, hij gaat niet in op uitnodigingen om tijdens de opening van de Olympische Spelen vorige zomer in Londen zijn oude hit Heroes te zingen. Hij blijft zich hullen in stilzwijgen.


En dus slaat het in als een bom, op 8 januari van dit jaar, Bowies 66ste verjaardag. Ineens is daar die clip op het internet. Met een nieuw, mooi gezongen liedje Where Are We Now?. En dat niet alleen: op zijn site verkondigt Bowie dat op 11 maart een compleet nieuw album zal verschijnen: The Next Day.


De verwachtingen worden van meet af aan lekker opgepookt als producer Tony Visconti, met wie Bowie veel van zijn klassiekers uit de jaren zeventig opnam, direct wereldkundig maakt dat hij ook ditmaal met Bowie de studio is ingedoken.


En als de naam van het nieuwe album wordt onthuld - dezelfde hoes als die van het meesterwerk "Heroes" uit 1977, maar dan met een groot wit vierkant over Bowies gezicht - geeft dat alleen maar meer voeding aan de geruchten dat The Next Day zal teruggrijpen op Bowies jaren in Berlijn, waar hij met Brian Eno en Iggy Pop zijn creatieve hoogtepunt beleefde.


Begin vorige week volgde opnieuw een strategische zet. Onverwachts verscheen een tweede, nieuw Bowienummer met clip op internet: het lekker rockende The Stars (Are Out Tonight), met een tekst waarin Bowie zich lijkt af te zetten tegen de (zelf)verheerlijking van beroemdheden. Gevolgd door wederom een plotseling bericht: sinds vorige week donderdag is The Next Day alvast te beluisteren op iTunes, voorafgaand aan de officiële release.


Die buitengewoon slimme marketingstrategie - radiostilte, uiterst gecontroleerd details van zijn nieuwe album vrijgeven, zinspelen op de magische jaren zeventig - is misschien wel het opmerkelijkst aan deze 'nieuwe' Bowie .


Tuurlijk, ook in zijn hoogtijdagen was het zomaar uitbrengen van een nieuwe Bowie nooit genoeg. Bij elke muzikale richting die hij insloeg, creëerde hij een nieuw type en een nieuw imago,van Ziggy Stardust via de Tin White Duke naar de Pierrots ten tijde van Scary Monsters (1980).


De vernieuwingen zitten hem nu niet zozeer in de muziek of aankleding, maar in de wijze waarop hij zijn nummers aan de man brengt. Waar een artiest rond de release van zijn plaat, ofwel met een tournee, ofwel met interviews de aandacht op zich vestigt, kiest Bowie voor absolute stilte. Dan ineens is er op internet de muziek, voor iedereen toegankelijk. Daar kunnen we het mee doen.


Bowie moet zich het afgelopen tien jaar wel eens hebben afgevraagd wat zijn rol nog is in de popwereld. Tot 2003 bracht hij met een zekere regelmaat albums uit die na een dramatisch slechte periode, zo tussen 1985 en 1995, weer behoorlijk ontvangen werden. Al parachuteerden ze Bowie niet meer terug in de voorhoede van de popmuziek, waar hij zich in de jaren zeventig met albums als Ziggy Stardust & The Spiders From Mars (1972), Station To Station (1976) en Low (1977) nadrukkelijk een plek had verworven.


Hoewel de platen die hij vanaf Outside (1995) uitbrengt altijd 'zijn beste platen sinds 1980' worden genoemd, hij bereikt er geen nieuw publiek mee. En zijn oude fans adoreren toch vooral een Bowie van vroeger. Of dat nu de androgyne glamrocker van 1972 is, of de muzikale avant-gardist die in 1977 met Brian Eno onder invloed van Duitse elektronische muziek een nieuw muzikaal idioom ontwikkelde.


David Bowie hoeft natuurlijk helemaal niets meer te bewijzen. Hij kan gewoon platen maken als hij daar zin in heeft, elke platenmaatschappij ontvangt hem met open armen. En al kent het gemiddelde publiek zijn recente platen niet, iedereen weet nog altijd dat David Bowie de man is van nummers als Golden Years, Ashes To Ashes of Let's Dance.


Maar 'gewoon' een nieuwe plaat maken, daar voelt Bowie blijkbaar niks voor. Al vanaf de allereerste contacten met producer Tony Visconti en de beoogde New Yorkse studio, bezweert Bowie dat alles in de grootste geheimhouding dient te gebeuren. Een technicus die zijn mond voorbijpraat, ziet Bowie met zijn gevolg stante pede naar een andere studio verhuizen.


In het voorjaar en de zomer van 2011 worden de basistracks opgenomen, waarna Bowie met Visconti een jaar uittrekt voor het schrijven en inzingen van de liedteksten. In die periode (najaar 2011 - najaar 2012) laat Bowie nog altijd niks los. De tentoonstelling David Bowie Is wordt dan al in het Londense Victoria & Albert Museum voorbereid. Hij had toen kunnen bekendmaken dat hij in dezelfde periode als die van het grote overzicht een nieuwe plaat zou uitbrengen, maar dat hield hij tot begin dit jaar voor zich.


En nu valt alles heel geraffineerd samen. The Next Day ligt twee weken voordat de tentoonstelling begint in de winkels. Dat betekent minstens een maand lang gratis publiciteit. Eerst een paar weken plaatbesprekingen, gevolgd door beschrijvingen van de tentoonstelling die op voorhand al een enorme hit is: de eerste drie weken van David Bowie Is zijn al uitverkocht.


Bowie heeft de verdwijntruc heel handig gespeeld. Naarmate de verdwijning langer duurde, zou de aandacht bij terugkeer alleen maar groter zijn. Wellicht geeft hij daarom niet thuis bij zijn verjaardag, werkt hij daarom niet mee aan de vele jubileumedities van klassieke Bowieplaten als Ziggy Stardust en Station To Station, en bedankt hij daarom voor de Olympische Spelen. Zonder commentaar.


Maar dat hebben we eigenlijk ook niet nodig. The Next Day is muzikaal vooral een vervolg op de licht belegen rock-'n-roll van Reality. Niks meer en niks minder. Daar nu toch zo veel aandacht mee krijgen is knap.


De plaat wordt wereldwijd onthaald als de Grote Comeback. Hij krijgt het toch maar voor elkaar dat de popwereld naar deze release uitkijkt, zoals er in de jaren zeventig naar een nieuwe Bowie werd uitgekeken.


Meer over