100 jaar Volkskrant

Het slachtoffer van de Watersnoodramp had destijds in de Volkskrant nog geen stem

De Volkskrant wordt dit jaar 100. In aanloop naar het jubileum blikken we in een serie terug: hoe ging de krant de afgelopen honderd jaar om met het nieuws dat zich voordeed? Vandaag aflevering 2: de Watersnoodramp van 1953.

De Volkskrant van 3 februari 1953 Beeld De Volkskrant
De Volkskrant van 3 februari 1953Beeld De Volkskrant

Voor iemand die net ‘de vreselijkste nacht van zijn leven’ achter de rug had, kwam het naamloze slachtoffer van de Watersnoodramp van 1953 nog redelijk uit zijn woorden. ‘Om vier uur in de nacht dreven de laden van het dressoir reeds in de kamer’, noteerde de toegesnelde verslaggever van de Volkskrant – eveneens een anonymus. ‘Met ontzetting geslagen, wachtten mijn vrouw en twee kinderen op de huiskamertafel toen ik met het jongste kind, de driejarige Anneke, door het water waadde naar de dijk, waar ze in veiligheid zou zijn.’

De reportage was nog geen gangbaar genre in de Volkskrant van die tijd. De huiver om zich van deze Amerikaanse nieuwigheid te bedienen, hing mogelijk samen met het streven naar objectiviteit en zakelijkheid, waarmee het optekenen van hoogstpersoonlijke – en niet te verifiëren – ervaringen in strijd zou zijn. Of met de aarzeling van verslaggevers om zichzelf via een ooggetuige ‘in een stuk te schrijven’. Want dat was alleen weggelegd voor de feuilletonisten en voor een enkele kunstcriticus van naam, maar niet voor het schrijvende voetvolk dat op 1 februari 1953 naar de rampgebieden in Zuidwest-Nederland werd gestuurd.

Slagveld

De stem van individuele slachtoffers ontbrak dan ook goeddeels in de Volkskrant van maandag 2 februari en de daaropvolgende dagen. De ‘speciale verslaggevers’ ter plekke gaven vooral uitdrukking aan de algehele ontsteltenis over aard en omvang van de schade. Alsof zij zichzelf zagen als de vertolkers van de stemming in het land. Uit de gedragen toon van hun berichtgeving bleek: wij schrijven letterlijk geschiedenis.

Zij beschreven het getroffen gebied als ‘het slagveld waarop Nederland de strijd tegen zijn grootste vijand verloor’. En ze vergeleken de vloed van 1953 met de meidagen van 1940. Ook toen werd een hardwerkend, vredelievend volk – kernwoorden in het nationale zelfbeeld van die tijd – overrompeld door een machtige vijand. En ook toen had het volk ‘een volle dag nodig gehad om de verschrikkelijke werkelijkheid tot zich te laten doordringen’.

Na een paar dagen konden de eerste feiten en cijfers van de ramp worden opgetekend, en daarvan ging een ontnuchterende invloed uit. Een man van 46 jaar had zijn vrouw en twaalf kinderen verloren. In Halsteren werden enkele dagen na de ramp nog ruim tachtig inwoners vermist. Een uitgeputte koerier bracht ‘de verbijsterende tijding dat in een schuur op Goeree-Overflakkee nog 180 lichamen liggen opgestapeld’.

Schuldvraag

Voor een eventuele schuldvraag werd de tijd nog niet rijp geacht. Maar een van de speciale verslaggevers nam daar toch vast voorzichtig een voorschot op. Waren er door een slechte coördinatie van de reddingacties niet nodeloos veel slachtoffers gevallen? Was het niet een beetje gênant dat Nederland slechts één ‘helicoptère’, of ‘hefschroefvliegtuig’, beschikbaar had voor de evacuatie van slachtoffers? En had Nederland niet eerder en dringender een beroep op materiële hulp moeten doen bij bevriende naties?

De vraag of de ramp met wijs beleid voorkomen had kunnen worden, kwam nog even niet aan de orde. Wel kondigde de minister van Verkeer en Waterstaat, Jacob Algera, op 11 februari een onderzoek aan naar de afsluiting van zeearmen, de eerste aanzet van het Deltaplan.

Lees ook de eerste aflevering in deze serie: De Russen: dat waren de booswichten in januari 1940.

Meer over