Het sadisme van prijsuitreikingen

Amsterdamprijs. Juryberaad. Ineens, na maanden onderhandelen met collega-juryleden over wie van de genomineerde kunstenaars de prijs het meest zou toekomen, droomde ik over een bak....

Wieteke van Zeil

Fred Oster stond erbij. ‘Mag ik Simon Tahamata?’ Cavia Simon snuffelt wat, rent richting poortje 1, 1.000 gulden. Stopt weer, haalt zijn poot over zijn snufferd en rent door het poortje met 10 cent.

Op de poortjes van het Amsterdams Fonds voor de Kunst stond 35.000 euro. Drie keer. En er waren zeven cavia’s: Yasmine Allas, schrijfster. Cappella Amsterdam, wereldberoemd koor. Erik Kessels, fotocurator/reclameman. Krisztina de Châtel, choreografe. Mediamatic, multimedia-instituut. Parra, illustrator. En Alex van Warmerdam. Grote Alex.

Creatieven die op hun gebied nauwelijks genoeg geprezen kunnen worden. Wie was er ooit op het idee gekomen een kunstprijs te organiseren voor álle disciplines? Was het niet al moeilijk genoeg bij de Libris, de Turner, de AKO of de Pritzker? En die lui hoeven alleen maar schrijvers met elkaar te vergelijken, alleen architecten of alleen beeldend kunstenaars.

Wij niet. Wij maakten rekensommen met ongelijke eenheden. Cappella Amsterdam vergelijken met Mediamatic, dan kan je toch net zo goed de voordelen van een jampot en een fietsventiel afwegen? Hoe langer het duurde, hoe meer het allemaal iets Van Warmerdammeriaans kreeg. Dialogen langs de zijlijn van de realiteit. Die Van Warmerdam hing toch al als een schaduw boven ons, want succesvol in élke kunstvorm die hij aanraakt.

Zes jaar geleden werd de Amsterdamprijs voor de Kunst ingesteld. Een efficiënte oplossing: er gingen achttien Amsterdamse kunstprijzen in op. Was er lekker veel geld te verdelen. Drie kunstenaars is het gegund, ieder jaar. Op zich niks mis mee. Er is zo veel talent in Amsterdam, dat zich nationaal en internationaal manifesteert. Waarmee ze met een beetje goeie wil natuurlijk ‘ambassadeurs voor de stad’ genoemd kunnen worden.

Aan de jury de taak te vergelijken. F. Starik, winnaar van vorig jaar, speculeerde op het verloop van de juryvergaderingen in een gedicht dat hij voordroeg tijdens de uitreiking. ‘Erik Kessels. Iemand? Ach wat. Het blijft toch een reclameman./Die heeft geld zat.’ En Van Warmerdam, die won toch onlangs al een ton? Er werd ongemakkelijk gelachen in de zaal. Niemand wist nog wie zou winnen.

Ze streden als in een marmottenrace om een prijs. De zeven nerveuze cavia’s, uit hun habitat getrokken, moesten bij de uitreiking nog bijna anderhalf uur wachten voor ze werden verlost. Wie dat bedenkt, ziet sadisme aan voor sportieve strijd. Drie winnaars uit zeven kandidaten maakt immers ook vier openbare verliezers. Die het na afloop lachend op een drinken zetten, zo zijn ze dan weer wel die kunstenaars – het is toch gratis.

Starik kreeg geen gelijk. Het werd Kessels, die gevonden foto’s tot kunst maakt. En Parra, de onbekende voor de kunstwereld die stilletjes zijn eigen habitat, de jongerenscene in Amsterdam, aankleedde met zijn vormgeving. En Krisztina, de mastodont – de zaal huilde bijna met haar mee.

De uitslag bleek een conversation piece – iedereen met een glas in de hand had wel een argument, ook voor Mediamatic, Cappella en Yasmine. We stonden er wat bedremmeld bij, wij juryleden, wetend hoe de cavia’s vlak voor de poortjes waren blijven steken. Van Warmerdam bezag het, schudde zijn eerbiedwaardige hoofd. Hij sprak. Blij dat Parra gewonnen had. Hij had er zelf niet aan moeten denken te winnen. Anders werd ie toch maar ‘zo’n prijzenvarken’. En vertrok.

Wieteke van Zeil

Meer over