Het product van hun frustraties

HOE realistisch waren de Realisten eigenlijk, of misschien zelfs: hoe reëel waren ze?..

Michaël Zeeman

De vraag is minder hoogdravend dan ze lijkt. De literatuur, zeker die van het Realisme, is immers altijd gebruikt als middel om contact te krijgen met het verleden. De grote boeken zijn er om gelezen te worden ter verstrooiing of ter vorming, maar stellig ook om iets aan de weet te komen. Hoe zat een burgerlijk vrouwtje in de Franse provincie, midden 19de eeuw, precies in elkaar? Lees Madame Bovary. Hoe was de stemming onder de Russische adel tijdens Napoleons veldtocht naar Moskou? Pak Oorlog en vrede erbij. Hoe tevreden was de Hollandse burgerij in de eerste helft van de eervorige eeuw? Sla er de Camera Obscura maar op na.

De literatuur is, nadat de geschiedschrijvers het vertrouwde gezelschap van de verhalenvertellers hadden opgegeven, een bron van illustraties, van uitbreiding en uitdieping geworden voor historici. Wat de bronnen verzwijgen, melden de schrijvers - en dat is vrijwel alles wat niet hard, feitelijk en boekhoudkundig is vastgelegd, kortom alles wat er werkelijk toe doet. De literatuur is misschien geen alternatief voor de zuivere historische bron, ze is er meer dan een welkome aanvulling op. Zeker die van de grote 19de-eeuwse Realisten.

Maar zijn die Realisten wel te vertrouwen? Hun boeken zijn in de eerste plaats het product van hun verbeelding en zij hebben zelden het unieke oogmerk gehad nauwkeurig verslag te doen van de gebeurtenissen van hun tijd, of de precieze omstandigheden waaronder die plaatsvonden. Een schrijver is een individu, en zelfs als hij een panorama schetste van de samenleving van zijn tijd, zal hij daarbij hoogst persoonlijke keuzes hebben gemaakt. 'Madame Bovary, dat ben ik': Flaubert zei het al.

Hoe eigenaardig wordt, anders gezegd, je beeld van het verleden als je op de schrijvers afgaat?

Peter Gay, de cultuurhistoricus van het burgerlijk onbehagen van de late 19de eeuw, heeft die vraag aan de orde gesteld in zijn bijdrage aan de 'Norton Lectures', die hij twee jaar terug in New York gegeven heeft, en in Savage Reprisals werkt hij haar omstandig uit.

En hij vertrouwt ze niks, die schrijvers: de titel van zijn boek zegt het al. Het gaat om afrekeningen, bij Dickens, Flaubert en Thomas Mann, de drie auteurs die hij aan een nadere analyse onderwerpt, om wrede afrekeningen zelfs. De suggestie van Bleak House, Madame Bovary en Buddenbrooks dat zij een waarheidsgetrouw beeld bieden van een bepaalde klasse in een welomschreven periode, is misleidend. Stuk voor stuk zijn het namelijk, volgens Gay, veeleer de producten van beschadigde, verknipte en met hun psychische lasten worstelende persoonlijkheden, die hun boeken gebruikten om gelijk te halen.

Wie denkt dat Bleak House of welke andere roman van Dickens ook, ons iets zinnigs meldt over de armoede van het Londense proletariaat in de 19de eeuw of over de verhouding tussen rijk en arm in die samenleving, komt bedrogen uit. Leg er de politieke en sociale geschiedenissen van die tijd maar naast en je ziet waar het kiert.

En Madame Bovary? Flauberts wraakoefening op de Franse provinciale bourgeoisie, die hij zo had leren verafschuwen. Thomas Mann was gefrustreerd tot op zijn lendenen en dus schreef hij Buddenbrooks.

Gay laat zijn eigen favoriete analytische instrument los op de persoonlijkheden van de schrijvers, op hun brieven en hun dagboeken, en dat is dat van de psychoanalyse. Hij is de grote biograaf van Freud en zijn imposante vijfdelige geschiedenis van de 19de-eeuwse bourgeoisie is gebouwd op een fundament van freudiaanse inzichten. Die hele eeuw heeft hij indertijd op de divan geduwd, om haar verlangens en teleurstellingen, haar angsten en onderdrukte passies, alles wat verborgen gebleven was, bloot te leggen. Het succes van die procedure - en hoeveel aanmerkingen er ook op te maken zijn, het was een onthullende onderneming - heeft bij hem een rotsvast geloof doen postvatten in de verklarende kracht van de psychoanalyse.

En daar gaan ze nu dus, de drie grote schrijvers, Charles Dickens, Gustave Flaubert en Thomas Mann, allemaal de kamer van de dokter in, hun boeken onder de arm.

Maar het enige dat het geknijp in hun miserabele zieltjes aantoont, is wat een armzalige theorie die psychoanalyse toch eigenlijk is. Mot met mam, daar komt het in alledrie de gevallen kortweg op neer. En ja, dan weet je het wel: dat komt nooit meer goed. Zelfs een boek, een heel oeuvre schrijven helpt niet.

Gay leest die boeken, een tot anderhalve eeuw na hun verschijnen, namelijk in de wetenschap dat hun auteurs gekweld werden door oude frustraties en hij leest ze als het product van die frustraties.

En dan is iedere vrouw bij Dickens een afrekening met zijn ervaringen met vrouwen, of ze nu een heilige is, een helleveeg, of geen van beiden. Het mogelijke realistische karakter van zijn boeken maakt ruim baan voor het autotherapeutische. Voor Flaubert en Thomas Mann geldt iets vergelijkbaars. Wie hun boeken leest om iets aan de weet te komen over de geur, de kleur en de smaak van het verleden, komt bedrogen uit: we lezen verstoorde teksten, kijken niet naar tekeningen maar vertekeningen, we zitten, met andere woorden, in een patiëntendossier te bladeren.

Wat een misverstand - en wat een treurige manier van lezen.

In de eerste plaats gelooft niemand dat je de Realisten net zo kunt lezen als een zuivere historische bron. Een roman is geen kroniek, zelfs een verzameling persoonlijke brieven laat zich niet vergelijken met een diplomatieke correspondentie. Wie een roman gebruikt om dichter bij het verleden te komen, leest die in samenhang met ander historisch materiaal. De roman bevestigt indrukken, verbijzondert bestaande beelden, vult aan waar andere bronnen grote leemten vertoonden. Romanschrijvers liegen de waarheid.

Gay bestrijdt een opvatting die niemand aanhangt - en dan win je gauw.

In de tweede plaats is dat freudianistische geleuter dat hij bedrijft inmiddels erger aan het worden dan de kwaal die hij ermee meent te kunnen diagnosticeren. Het werk van een aantal grote schrijvers reduceren tot de uitdrukking van hun ellendige geestestoestand verspeelt meer dan het verklaart. Het miskent de complexiteit van frustraties en de omgang daarmee, het miskent, op een manier die Sigmund Freud zelf van weerzin vervuld zou hebben, de ingewikkelde natuur van de verbeelding en scheppingskracht. Misschien zijn de boeken van Dickens, Flaubert en Thomas Mann ook te duiden met behulp van hun nare belevenissen, maar dat kan nooit het enige zijn. Daarvoor is het werken aan zo'n boek een veel te langdurige, omslachtige en ingrijpende bezigheid.

Hun versie van het Realisme zal dus wel vertekeningen bevatten, maar beter een niet geheel vlakke spiegel dan in het geheel geen spiegel. Wie heeft leren lezen, slaagt er wel in tekening en vertekening uit elkaar te halen.

Meer over