HET PELLEN VAN DE BRENT SPAR IS OOK GEVAARLIJK

Deze zomer lag Shell onder vuur omdat het concern het olie-opslagvat Brent Spar in zee wilde dumpen. Dat werd niet geaccepteerd....

SINDS BEGIN juli drijft in de Erfjord in Noorwegen ten oosten van Stavanger, de Brent Spar, het stalen olie-opslagvat dat deze zomer de gemoederen enige maanden bezig hield. Twintig jaar geleden dobberde dit gevaarte ook al in deze fjord, die ruim driehonderd meter diep is.

Toen - in 1975 - werd daar het bovendek met de bemanningsverblijven op het stalen onderstuk getakeld, dat daar in delen vanuit de toenmalige werf IHC Gusto/Wilton-Fijenoord in horizontale positie was heen gesleept. Nu dobbert dit gevaarte weer in dat heldere water, in afwachting van een beslissing over een definitieve bestemming. De slopershamer wordt dat, maar waar en hoe.

Het enorme olie-opslagvat was deze zomer de paria van Europa: politici, milieugroepen en de klanten aan de benzinepomp vonden elkaar. De massale publieke afkeer dwong eigenaar Shell - samen met mede-eigenaar Esso - af te zien van dumpen van het vat in een twee kilometer diepe trog in de Atlantische Oceaan, enkele honderden kilometers ten westen van de Shetland-eilanden. Toen de Brent Spar net was aangekomen op de plaats van de dumping, gaf de Shell-top de sleepbootbemanning opdracht koers te zetten naar Noorwegen.

Het concern zette daarmee de trend voor de komende tientallen jaren. Oliemaatschappijen zullen zich wel twee keer bedenken voordat ze met een afzinkplan komen voor een van de meer dan vierhonderd offshore-installaties op de Noordzee. Enkele tientallen daarvan staan op de nominatie voor afzinken, bij gebrek aan een (goedkoper) alternatief, stellen de olieconcerns.

In afwachting van een alternatief opruimingsplan ligt de Brent Spar aan een paar ankertouwen. De gemeente Suldal zit er niet mee; het contract met Shell (tot juli volgend jaar) spekt de gemeentekas met bijna twee ton. En ook enkele bewoners aan de rand van de fjord, in wier achtertuin Shell ankers heeft gezet, krijgen een vergoeding.

Deze zomer bloeide het toerisme er wat extra. Onze Erfjord was even wereldnieuws, dat kan geen kwaad, redeneren ze bij het plaatselijke toeristenbureau. Het kreeg tussen juli en september wat meer telefoontjes dan gebruikelijk met vragen over de omgeving.

Daarbij waren ook enkele belletjes over dat vermaledijde gevaarte, dat zich fraai laat fotograferen vanaf de weg langs de fjord, meldt een informatrice verlekkerd. Die mini-hausse in belangstelling heeft het toeristenbureau moeiteloos kunnen verwerken. Het seizoen is voorbij; de wanden van de fjord zijn besneeuwd en de omgeving is in een diepe winterslaap gedompeld.

Dit geldt niet voor enkele onderzoekers van Shell Expro in Aberdeen. Zij zijn, sinds het debâcle deze zomer, naarstig op zoek naar een andere oplossing voor de Brent Spar. In een advertentie heeft de oliemaatschappij een ieder opgeroepen een handje te helpen. Elk idee zal worden bestudeerd, is de belofte. Op één na. Dumpen is taboe, zo luidde de order van Shell-topman drs C. Herkströter begin november.

Het olievat is een soort dobber, gemaakt van dun plaatstaal. Het steekt, volgeladen, meer dan 110 meter onder water. Slechts een klein deel, hoofdzakelijk het bovendek, is dan nog te zien. Het vat is opgebouwd uit zes compartimenten, waarin in principe driehonderdduizend barrel olie - vergelijkbaar met een supertanker - tijdelijk kan worden opgeslagen.

Het reuzenvat is tot eind jaren tachtig in gebruik geweest als tijdelijke opslag voor aardolie uit het Brent-veld, het grootste olieveld op het Engelse deel van het Continentaal Plat. Regelmatig werd de opgeslagen olie in tankers overgepompt voor transport naar land.

Het vat raakte werkeloos toen een pijpleiding naar het noordelijke puntje van Schotland in bedrijf kwam. De opslagtanks werden in 1991 voor de laatste keer ontdaan van olie, en vervolgens vol zeewater gepompt.

Na drie jaar studie, een dertigtal detailonderzoeken, besloot Shell tot het afzinken van het vat, als oplossing met de minste risico's voor het personeel en voor het milieu. Bovendien was dumpen de goedkoopste oplossing.

Vijftien jaar gebruik heeft zijn sporen achtergelaten in de opslagcompartimenten en in de talloze pijpleidingen aan boord van de offshore-constructie. Om te beginnen ligt er driehonderd ton waterig slib op de bodem van de opslagtanks. De concentraties aan zware metalen en radioactieve stoffen daarin zijn laag.

Het slib zou kunnen worden gedumpt in de oceaan, stelde het Noorse onderzoeksbureau DNV half oktober, nadat het in opdracht van Shell de Brent Spar ondersteboven had gekeerd voor een nauwkeurige inventarisatie van de inhoud van het opslagvat.

In de Brent Spar zit 75 tot 100 ton olieresidu, dat deels drijft op het ballastwater. Aan de binnenkant van de pijpen aan boord heeft zich in de loop der jaren een dikke laag enigszins radioactief ketelsteen afgezet, naar schatting negen ton, die via de gebruikelijke kanalen zou kunnen worden verwerkt en tijdelijk opgeslagen.

Het aantal alternatieven voor dumpen in de diepzee is gering. De afgelopen jaren heeft Shell gekeken naar horizontaal ontmantelen. Het vat wordt dan eerst gekanteld, daarna in delen op pontons naar een werf gesleept - Shell had diverse plekken op het land langs de Engelse kust op het oog - daar in de takels gehangen en in stukken gezaagd. Op papier een simpele operatie, in werkelijkheid een karwei met een groot ongevalsrisico voor het uitvoerende personeel.

Het vat kan worden gekanteld door ballastwater uit de opslagtanks te pompen. Bijna twintig jaar geleden is het gevaarte op een vergelijkbare manier rechtop gezet. Zo'n kanteloperatie vereist grote precisie en beheersing, anders komt er een te grote druk op de plaatstalen wand, waardoor scheuren niet denkbeeldig is.

De licht gebogen platen zijn maar twintig millimeter dik, ze zijn vastgenageld op horizontale en verticale spanten. Die stalen wanden geven het vat onvoldoende stevigheid. Het opslagvat werkte volgens het verdringingsprincipe: werd er olie uit de opslagcompartimenten gepompt, dan werd tegelijkertijd zeewater naar binnen gelaten. Zo blijven de krachten op de stalen wand minimaal en kon worden volstaan met dun plaatstaal.

INDERTIJD ZIJN er tijdens het rechtop zetten in de Noorse fjord - wat van tevoren uitgebreid was geoefend met een schaalmodel - te grote krachten op de constructie uitgeoefend, groter dan volgens het ontwerp toelaatbaar was. Dat heeft de stevigheid van het vat geen goed gedaan. Begin 1977, het vat was nog geen half jaar in gebruik, ging er echt iets mis. Er werd olie uit de opslagtanks gepompt, zonder dat ter compensatie voldoende zeewater naar binnen ging. Aan de onderkant, waar de waterdruk het grootst was, werd de stalen wand naar binnen gedrukt, met als gevolg enkele meters grote gaten in twee van de zes opslagtanks.

Over die gaten zijn, om wat meer stevigheid te krijgen, enkele platen provisorisch vastgemaakt, echter niet lekvrij zodat sindsdien slechts vier van de zes opslagcompartimenten in gebruik zijn geweest.

Dat ongeval heeft Shell een flinke kater bezorgd en heeft een misschien wel doorslaggevende rol gespeeld bij de uiteindelijke beslissing tot afzinken. Het is niet denkbeeldig dat tijdens het kantelen naar horizontale positie ook weer onevenredig veel eenzijdige druk op de wand wordt uitgeoefend.

Het alternatief is ontmantelen in verticale positie, in vakjargon 'pellen'. De kosten van die operatie werden indertijd door Shell begroot op honderd miljoen gulden, vergelijkbaar met de horizontale optie, maar vier maal duurder dan laten zinken in de Atlantische Oceaan.

Bij verticale ontmanteling wordt eerst het bovendek eraf getild en daarna gesloopt; de tank zal daardoor omhoog komen. Vervolgens wordt geleidelijk water uit de opslagtanks gepompt, terwijl aan de bovenkant een staalschil wordt weggesneden en geknipt. Dit kan alleen in diep water, bijvoorbeeld in een diepe fjord in Noorwegen, of zoals Shell indertijd verkoos, in een inham aan de westkust van Schotland. Dat is Loch Kishorn, een niet al te diepe (tachtig meter) zeearm, waar het opslagvat pas naar binnen kan als een deel van de ballast is verwijderd.

Shell is gaan twijfelen over die verticale optie. De afgelopen maand zijn in Aberdeen bij Shell Expro, de verantwoordelijke voor alle Brent Spar-operaties, simulaties en berekeningen uitgevoerd waaruit bleek dat bij het omhoog komen van de tank onaanvaardbare grote krachten op de wanden zullen worden uitgeoefend. 'Het is op de rand van wat technisch nog kan', meent Shell-verantwoordelijke Eric Faulds.

Bovendien is de vraag of er voldoende drijfvermogen kan worden geschapen. De twee lekke compartimenten zijn buren; het waterdicht maken door duikers is nagenoeg onuitvoerbaar. Dit kan volgens prof. ir S. Hengst van de vakgroep maritieme werktuigbouw van Technische Universiteit Delft betekenen dat er uit de tegenoverliggende compartimenten vanwege de benodigde balans geen water kan worden gepompt om drijfvermogen te creëren.

Hengst werkte in de jaren zeventig bij het toenmalige RSV-concern. Als verantwoordelijke voor offshore-constructies was hij betrokken bij de bouw van de Brent Spar. 'Verticaal pellen is technisch haalbaar. Maar wanneer je tweederde van het drijfvermogen kwijt bent, wordt dat erg moeilijk', zegt hij.

Voldoende drijfvermogen is nodig om te compenseren voor met name de vaste ballast onderin de Brent Spar, die diende om het vat een zo laag mogelijk zwaartepunt te geven. Daar zit zevenduizend ton hematiet - een soort ijzererts - ingebed in beton. Deze ballast is net zo zwaar als het staalplaat van het hele vat.

Dat keiharde goedje is er niet uit te halen. 'Maar onmogelijk, dat hoor je een constructeur nooit zeggen. Zeker in de offshore is technisch alles mogelijk', zegt een woordvoerder van IHC Gusto Engineering.

EXTRA DRIJFVERMOGEN is bijvoorbeeld te creëren door op drijvende vlotten grote drijflichamen aan de buitenkant vast te maken. Dat maakt de operatie wel extra ingewikkeld. Bovendien, stelt het offshorebedrijf Heeremac uit Leiden in een studie in 1994, kan nog steeds de onderste dertig meter van de kapotte tanks - tot aan de gaten - worden gebruikt voor deballasteren.

Zo'n operatie is verre van eenvoudig, maar technisch uitvoerbaar, stelde Heeremac toen. 'De zwakte van de stalen constructie was ons bekend, anders hadden we indertijd geen aanbieding gedaan', zegt een woordvoerder van het bedrijf nu. Heeremac heeft zich weer aangemeld om het karwei te klaren. Ook het ECN in Petten heeft, samen met het Noorse offshore-bedrijf Aker, ingeschreven.

Bij Shell liggen bijna vierhonderd voorstellen met oplossingen. Bovendien hebben zich enkele grote consortia aangemeld voor het werk, zonder dat ze direct hebben aangegeven hoe ze dat willen uitvoeren. Die consortia moeten diverse technieken in huis hebben: kennis over het ontwerpen en de bouw van offshore-constructies, maar ook over ontmantelings- en afvalverwerkingstechnieken.

In de loop van volgend jaar zullen vijf of zes van de inschrijvers worden uitgenodigd, met een gedetailleerd ontmantelingsvoorstel te komen, waarmee ook de Engelse regering uit de voeten kan. Want die is nog steeds voor dumpen.

Hengst: 'Zo'n ontmantelingsprocedure moet tot in detail worden voorbereid, en elke verrassing moet van tevoren worden voorzien. Vervolgens moet dat gecompliceerde karwei worden uitgevoerd terwijl de hele wereld op je vingers kijkt. Ze hadden dat ding indertijd gewoon moeten laten zakken.'

Broer Scholtens

Meer over