Het paard wacht op de terugkeer van het leven

Zo’n dertig jaar geleden met een van mijn kinderen op zoek naar een toilet in het Brits Museum passeerden we eerst een zaal die vol stond met Griekse vazen, vervolgens een zaal met Chinese houten of terracottapaarden, ter grootte van hobbelpaarden....

Kees Fens

De Londense zaal met paarden heeft de meeste indruk nagelaten, want hier stond in honderden gedaanten beteugeld leven bij elkaar. Een vaas moge een ziel hebben (als de vaas in scherven valt, begint die ziel een eeuwige dwaaltocht) een paardenbeeld lijkt ieder ogenblik tot leven te kunnen komen en weg te springen. Schitterend moet het zijn, met zijn honderden tegelijk die zaal uit, het museum in. Het leven heeft de kunst verslagen.

In het Drents Museum in Assen kwam ik enkele Chinese paarden tegen, van levensgroot tot miniatuur. Ze hebben in de eeuwigheid van tweeduizend jaar onder de grond niets van hun levensdrift verloren. Het levensgrote paard met de prachtige kop – het briesen lijkt net voorbij, de grote lippen lijken nog na te trillen – is haast even schokkend als het leger van levensgrote soldaten dat als in loopgraven in het keizerlijke graf stond opgesteld, om de hoge dode de eeuwigheid door te bewaken. Ik herinner me de eerste filmbeelden van het openen van de dodenstad. Ik was verbijsterd: hier was het leven ondergronds gegaan. En had zich eeuwen weten te handhaven.

Enkele soldaten zijn naar Assen overgekomen, individueel shockeren ze evenzeer als opgenomen in hun legioen. Ze zijn geen standbeelden, ze zijn versteende mensen. Met een hoog gehalte van naleven in zich. Ze kijken je aan en je slaat even je ogen neer. Sommigen leken om ons, bezoekers aan de tentoonstelling, te glimlachen, licht geheimzinnig, ze verraden niets. (Het leger is natuurlijk het enige dat niet uniform is, kleding – wat een verschil aan mutsen! – haardracht, houding, de soldaten onderscheiden zich in alles van elkaar.)

Ik sta naast het paard en wacht op de trillingen die over een paardenhuid kunnen gaan, zoals je wacht tot een van de soldaten een stap vooruit zet. Ik heb nog nooit in een museum zo weinig aan kunst gedacht. Ik hoopte of verwachtte zelfs het ogenblik dat alles tot leven zou komen. De kraanvogel, die in de eeuwige tuin staat, vliegt op. De schitterende zwaan volgt hem. Nooit is het leven zo dicht in de dood benaderd. Het paard, de oren gespitst en dat al twee duizend jaar, wacht op de terugkeer van het leven. Ik verlaat hem niet zonder lichte melancholie om zo veel eeuwen vergeefsheid. Er valt niet te troosten.

Er zijn enkele paarden ter grootte van hun verwanten uit het Brits Museum. Ze komen uit andere graven, waar de dodenstad een verkleining is van de levende stad. Maar ze trillen evenzeer van beteugeld leven. In een vitrine passeert op nog kleiner formaat, een leger. Voorop rijdt de cavalerie: parmantige kleine paardjes met even parmantige ruiters erop, achter hen de infanterie. Dat voetvolk verhoogt ongewild de adel van de paardjes met hun opgezette borst, hun stevige kont, hun zichtbare kracht. Een klein geluid dat op hinniken lijkt, moet hoorbaar zijn. De paardjes vallen elkaar bij. In een andere vitrine staat een groep ruiters zonder paard, naakt, verloren. De paarden hebben de vrijheid gekozen, terug de tijd in.

Een heel klein ruiterbeeldje in jade – het ging als geschenk mee het graf in – verslaat alle paarden in sierlijkheid en geest. De ruiter, diens geest naar het lijkt, houdt de manen vast, de twee zijn een, het paard moet hem naar de hemel vliegen. De twee zijn nog steeds niet aangekomen. Hoewel; wie goed kijkt moet toegeven, dat de mogelijkheid er is. Misschien wordt het beeldje morgen in Assen vermist.

Meer over