Het nieuwe taboe op de oorlog

Thomas von der Dunk

Geachte aanwezigen,

de titel van deze Arondéuslezing, "het nieuwe taboe op de oorlog", heeft U mogelijk verbaasd. Hoezo taboe? - zo vraagt U zich misschien af. Het gaat toch niet om een vorm van verdrongen verleden, zoals Vichy in Frankrijk, of de slavernij bij ons? Er wordt toch sinds jaar en dag uitvoerig aandacht aan de Tweede Wereldoorlog besteed, op tentoonstellingen, in boeken, in het onderwijs? Vormt de Holocaust niet ongeveer hèt morele ijkpunt dat bij nieuwe dreigende massamoord het instinctmatige handelen van westerse politici, de Nederlandse inclusief, bepaald? Van Joegoslavië tot Libië nu?

En ook als het gaat om de Nederlandse bijdrage indertijd, van economi­sche collaboratie tot actief SS-lidmaatschap en meevechten aan het Oost­front, dan is de Wilhelmina-mythe dat 'heel Nederland' collectief in het verzet zat, toch allang van tafel? Dat in geen enkel westers land zoveel joden zijn weggevoerd, en dat veel Nederlandse instanties - van de politie tot de spoorwegen - daaraan zonder al te veel obstructiepogingen lijdzaam hebben meege­werkt, dat wordt toch niet meer verzwegen? Dus: wat nieuw taboe op de Oorlog? Wordt de Bevrijding niet elk jaar herdacht met als nadrukkelijke boodschap: dat nooit weer? Past niet ook de (nog jonge traditie) van deze lezing in dit kader?

Inderdaad, de Bevrijding wordt elk jaar herdacht, met als boodschap: 'dat nooit weer'. Maar die herdenking begint iets plichtmatigs en iets hols te krijgen, als men zich niet altijd meer tot in detail durft af te vragen: wát dan precies 'nooit weer'. Er valt een toenemende angstvalligheid te bespeu­ringen om ontsporingen van toen, en de aard en oorzaken daarvan, voor het heden relevant te verkla­ren. Dat is de aard van het nieuwe taboe op de Oorlog. Jarenlang werd, te pas en te onpas, zodra zich een maatschappe­lijk verschijnsel voordeed dat - laat ik het zo maar even onder­koeld formule­ren - politiek abject werd bevonden, dat als 'niet poli­tiek-correct' werd beschouwd, om de huidige politiek-correcte term voor onwenselijke ver­schijn­selen te bezigen, bijna volauto­ma­tisch naar De Oorlog verwezen: had de desbetref­fende persoon, die de gewraakte abjecte uitlatingen of voorstel­len had gedaan, zich wel gerealiseerd in wiens voetsporen hij daarmee getreden was? Zeer makkelijk werden, toen, allerhande van onge­noe­gen dat het politieke daglicht niet kon velen bolstaande sentimenten in een automa­tische reflex als 'racis­tisch' of 'fascistisch' betiteld.

Maar nu er, sinds 1945, meer reden is om waakzaam te zijn dan ooit, wordt eenieder die vandaag, verwijzend naar het verleden, voor bepaalde tenden­sen, en vooral voor het voor 'normaal' verklaren van bepaalde opvattingen waarschuwt, meteen van demonisering beticht: hij zou met zijn kritiek miljoenen kiezers schof­feren. En juist tussen die beschuldiging van 'demo­nisering', de omvang van de groep die dan 'gedemoniseerd' zou worden en de relevantie van die waak­zaamheid bestaat een verband, ik kom daar later op terug.

Waar het om gaat: naarmate er, zoals nu, meer reden is om te waarschu­wen, durft men dat vanwege de omvang van het te bekritiseren verschijnsel minder te doen. Naarmate iets feitelijk gangbaarder wordt, is het namelijk zeker in een ruzie mijdend en naar consen­sus­ stre­vend land als Nederland moeilijker om vol te houden dat iets niet gangbaar zou behóren te zijn. Wij zijn uit dien hoofde snel geneigd om iets voor 'normaal' in de normatieve betekenis van het woord te beschou­wen, zodra het normaal in de zuiver constaterende betekenis van het woord geworden is.

Ook dat vergt enige toelichting - of voor de goede verstaander misschien ook niet. Die actualiteit verklaart in elk geval waarom mijns inziens het thema van deze Arondeuslezing geen ander kon en mocht zijn dan het door mij gekozene, omdat er sinds de vorige, in onschuldiger tijden gehouden Arondeuslezing van afgelopen jaar wel in de politiek iets cruciaals is gebeurd - en daarbij, als het gaat om het niet ter discussie mogen staan van de vanzelfspre­kend­heid van wezenlijke rechtsstatelijke normen en waarden, een lijn overschre­den is. Het zou bij de vaststelling van het thema van de lezing voor vandaag idioot zijn geweest, als ik dat alarmerende gegeven volkomen had genegeerd in plaats van tot onderwerp had gekozen, als ik gedaan zou hebben, alsof er niet iets cruciaals zou zijn gebeurd.

Dat maakte het onder­werp van deze lezing moreel in feite onver­mijde­lijk - elke andere keuze, waarbij met een grote boog om de actualiteit zou worden heengelo­pen, zou, ten over­staan van die rechtstatelijke normen en waarden, op laffe vaandel­vlucht zijn neergeko­men. Wat ik ga zeggen is, omdat het niet-normale intussen normaal dreigt te gaan worden, ongetwij­feld omstre­den - maar daarom destemeer noodza­kelijk.

Alvorens echter toe te kunnen lichten, waarom de morele lessen van 'De Oorlog' nu in elk geval relevanter zijn dan ze de afgelopen zestig jaar ooit zijn geweest, moet ik eerst iets over de Bezetting zelf zeggen. Daaraan voorafgaande nog even tussendoor, mocht bij de chronologische fijnproe­vers onder U dienaangaande nu al een vraagteken zijn gerezen, kort als toelichting waarom ik zojuist sprak van 'relevanter dan ooit in de afgelo­pen zestig jaar', en niet van de afgelopen zesenzestig - de Oorlog is immers al ruim een jaar met pensi­oen.

Wel: dat hangt uiteraard samen met de, tot op de dag van vandaag, met de eufemistische term 'Politionele Acties' gebagatelliseerde poging van Nederland om, kort nadat het zelf van de Duitsers was bevrijd, het Indone­si­sche streven om zich definitief van de Nederlandse overheersing te bevrij­den, met grof geweld neer te slaan. Slechts weinigen, toen door de nog zeer koloni­aal denkende meerderheid van de Nederlandse bevolking en pers gedemoni­seerd, zagen in dat een volk dat zelf net bevrijd was, toch weinig recht had om een ander volk zíjn zelfbevrijding te ontzeggen: dat een volk dat net zelf bevrijd was er door het voeren van een neokoloniale herove­ringso­orlog blijk van gaf in een bepaald opzicht toch niet bijster veel van de eigen zeer recente onderdrukking te hebben geleerd.

Dat een 'slachtoffervolk' gaandeweg in een 'dadervolk' kan verande­ren - op een ander vlak zien we dat met de Israëli's en de Palestijnen - komt vaker voor, maar gebeurde hier toch wel bijzonder snel. Nog de Poncke Princen-affaire maakte in de jaren negentig - dus een halve eeuw na dato - duidelijk dat nog niet iedereen in Nederland zich een historisch evenwichti­ge kijk op de zaak had eigen gemaakt. Pas Ben Bot kon in een nieuw millenni­um namens de regering erkennen dat Nederland indertijd gewoon aan de foute kant van de geschiedenis was beland. Dit even als korte toelichting bij die keuze voor zestig in plaats van zesenzestig jaar.

Maar nu dus de Bezetting zelf, en waarom die nu als morele maatstaf relevanter is dan zij in elk geval ooit in die afgelopen zestig jaar is ge­weest. De vijf jaren tussen 1940 en 1945 vormen, van de inlijving bij Napoleons keizerrijk tussen 1810 en 1813 afgezien, sinds de Opstand tegen Spanje het enige moment dat Nederland zijn zelfbeschik­kingsrecht volledig kwijt was. Ik zeg volledig, want over de mate van zelfstandigheid van het Koninkrijk Holland in de vier aan Napole­on voorafgaande jaren, toen diens broer Lodewijk hier de monarchale scepter zwaaide, valt te twisten, en hetzelfde geldt, in wat mindere mate, voor de Bataafse Republiek die hier in 1795 na de zogeheten Bataafse Omwente­ling met militaire en politieke hulp van het revolutionaire Frankrijk tot stand kwam.

Waar het om gaat: in de bijna tweehonderd jaar die inmiddels sinds het herstel van de onafhankelijkheid in 1813 verstreken zijn, vormt 40-45 de enige periode waarin een aantal basiswaarden van de Nederlandse samenle­ving en rechtsstaat geschonden werden - ook nog los van de totale ontrech­ting plus deportatie ván en de massamoord óp de joden. Die rechtsstatelijke basiswaarden waren overigens sterk het product van de door de idealen van de Verlichting geïnspireerde Bataafse Omwente­ling (niet zozeer van de Opstand) die, historisch pikant genoeg, gedeeltelijk juist tijdens de Napole­ontische tyrannie - die in de praktijk (weer) allerlei vormen van willekeur liet zien - middels wetgeving werden gecodificeerd.

Om de belangrijkste daarvan te noemen: de gelijkheid van alle burgers voor de wet. Bij de Bataafse Revolutionairen zelf vertaalde zich dat zelfs al in algemeen mannenkiesrecht, dat evenwel na enkele jaren, een paar staatsgre­pen verder, weer van tafel verdween: zowel Lodewijk Napoleon als Nape­lon als hun beider opvolger koning Willem I waren autocraten. Le ménage­rie du roi - de dierentuin van de koning: dat was de gangbare publie­ke benaming voor de Eerste Kamer in de jaren voorafgaand aan Thorbecke. Ook Thorbec­ke heeft weliswaar de monarchale autocratie in 1848 door een parlementair systeem vervangen, maar van een herstel van het algemeen mannenkies­recht was geen sprake: dat zou nog zeventig jaar op zich laten wachten, toen tevens ook het vrouwenkiesrecht werd geïntro­duceerd.

De democratie in Nederland is dus eigenlijk pas van 1917 - de rechtsstaat is daarentegen veel ouder. Het is, waar we gewend zijn beide termen in een adem te noemen, en daardoor ook wel eens gedachteloos door elkaar te gebruiken, noodzake­lijk te benadrukken dat het niet om synoniemen gaat - evenmin als dat voor 'vrede' en 'veiligheid' geldt, ook al zo'n vast begrip­pen­paar in politieke vertogen. De rechtsstaat draait om het feit dat de wet voor iedereen geldt. De democratie om het feit dat iedereen ook meebeslist welke wetten vervolgens voor iedereen gelden. Het Nederland van koning Willem I en Thorbecke was wel een rechtsstaat: de wet gold voor iedereen gelijk, ieder mocht hetzelfde wel en niet, en de onafhankelijke rechterlijke macht velde op basis van dat gelijke recht haar oordeel. Alleen was het in de tweede helft van de negentien­de eeuw nog maar een minderheid die via het censuskiesrecht invloed had op de vraag, wat dan wel precies iedereen mocht of niet mocht.

Ook bij het strafrecht werden straffen niet al bij voorbaat aan de maat­schappelij­ke positie van de dader aangepast. Dat was tijdens het ancien régime wezenlijk anders: omdat een edelman geacht werd principieel anders te voelen en te denken dan een boer, werd hij voor een moord ook princi­pieel anders gestraft - indien met de dood, dan met het eervolle zwaard, en niet met de eer­loze galg. Nog een laatste overblijf­sel daarvan vormt het krijgsrecht: een aparte rechtspraak voor een aparte groep burgers met aparte straffen. Toen in 1946 in Neuren­berg een aantal nazi-topstukken ter dood werd veroordeeld, verzochten de twee militairen onder hen, de generaals Jodl en Keitel, veelzeggend, om de kogel in plaats van de strop. Die gunst werd hen overigens geweigerd.

Met de gelijkheid voor de wet, die onze oude Republiek in de door sommige hedendaagse politici weer als voorbeeldig aangeprezen VOC-tijden niet kende, hangt niet alleen direct de vrijheid van godsdienst samen, maar ook de gelijkheid van godsdienst. Van het een noch het ander was tijdens de zeventiende en achttiende eeuw sprake: er bestond maar één, van staats­wege ook materieel sterk bevoordeel­de, officieel toegestaan kerkge­noot­schap, dat dan ook als de Heerschende Kerk bekend stond: de toen als 'Gereformeerd' betitelde latere Nederlandse-Hervormde Kerk.

Alle andere godsdienstige denomina­ties werden hooguit getolereerd, in het katholieke geval slechts tegen betaling van een jaarlijkse donatie - de zogeheten recognitiegelden - in de publieke kas van het stadsbestuur, en soms ook nog een som in de particu­liere kas van de dienstdoende burge­meester. Corruptie was in de Gouden Eeuw namelijk schering en inslag - het recht was gewoon te koop. De vervulling van officiële staatsamb­ten - en dat ging van raadpensionaris van Holland omlaag tot stedelijk kolenzakken­sjouwer in Harlingen - stonden alleen voor lidmaten van de Heerschende Kerk open: doopsgezin­den, katholie­ken en joden konden elke sollicita­tiepo­ging vergeten.

Dat veranderde in 1795 fundamenteel: ongeacht geloof, herkomst of stand had iedere wettige ingezetene van Nederland dezelfde rechten en plichten (met uitzondering dus van de heel concreet politieke van het kiesrecht). Ook gelijkheid van geloof: dat betekende niet dat elke gelovige alles mag - een groot misverstand - maar dat als de aanhanger van het ene geloof iets mag, de ander dat ook mag - of het nu om religieu­ze manifes­tatie middels kledingattributen in de openbare ruimte, of om religieu­ze regels voor de voedselbereiding gaat.

Dat wetten geduldig zijn, en de feitelijke gelijkstelling van bijvoorbeeld met name de katholieken nog lang op zich liet wachten en hun maatschap­pelij­ke emancipatie vele decennia vergde, is natuurlijk een tweede. Waar het om gaat: iedereen werd in Nederland in beginsel door de staat in gelijke gevallen gelijk behandeld. Daartoe was de rechterlijke macht, conform Montesquieu's beginsel van de trias politica, ook onafhan­kelijk van de politieke - bij ons geen telefoonrechtspraak, waarbij politieke macht­hebbers in een juridisch proces interveniëren, zoals in Rusland of China.

De enige periode waarin, sinds de Franse Tijd, dit alles niet voor Neder­land gegolden heeft, en dit fundamentele uitgang­punt van de rechtsstaat ruw terzijde werd gescho­ven, was die van de Duitse Bezetting. Van gelijke behandeling ongeacht ras of geloof was geen sprake meer, van eerlijke, onafhankelijke rechtspraak evenmin - ook de naam­gever van deze lezing werd daar, als bekend, in 1943, na zijn heldhaftige aanslag op het Amster­damse Bevol­kingsregister, het slachtoffer van. Een kleine persoonlijke noot: hij werd op één dag na precies achttien jaar voor mijn geboorte geëxecu­teerd, en was toen bijna zo oud als ik nu.

En dat brengt ons op de actualiteit. Voor het eerst sinds 1945 hebben we in Den Haag namelijk te maken met een politieke stroming van grote omvang (die bovendien - ongeacht de formele gedoogconstructie - feite­lijk, zij het ook zonder eigen ministers, meeregeert) die uitgangspunten huldigt en standpun­ten verkondigt die haaks staan op de beginselen van de rechts­staat. Nee: tot genocide of oorlog roept zij niet op - tot het tweede is Nederland niet eens meer in staat, en voor het eerste zou Europa wel meteen een stokje steken - maar zij bepleit wel fundamenteel verwerpelijke dingen. Het soort dingen, dat sinds 1945 terecht taboe was en voor alle fatsoenlij­ke partijen een reden vormde om een zeer heldere grens te trekken en de eventuele bepleiters daarvan op grote afstand te houden.

Ideologisch zijn er, naast tijdgebonden verschillen - anti-islamisme in plaats van antisemitisme bijvoorbeeld, waarbij het Eurabische kalifaat in de plaats van de joodse wereldsamenzwering gekomen is, en de Protocollen van Zion voor taqqya-theorieën hebben plaats gemaakt- in elk geval de nodige overeen­kom­sten tussen het rechtse populis­me van de jaren dertig en van vandaag: de retrospectie­ve valse idylle van een zuiver 'Nederland voor de Neder­landers' (of Lim­burg voor de Limburgers), het evidente vijand­beeld, de met haat­zaaien jegens minderheden gepaard gaande xeno­fobie, de gekun­stelde zwart-wit-tegen­stelling tussen 'het volk' en 'de elite', een Rousseauniaans idee van een door die elite genegeerde volonté generale, het gebrek aan openbare interne discussie, de hang naar een sterke leider die in direct contact zou staan met het volk en die ook als enige naar buiten het woord voeren mag.

Zeker: het democratische parlementaire stelsel staat nu niet ter discus­sie - maar wel in feite de daaraan ten grondslag liggende ideologie. Een demo­cratische vorm impliceert niet altijd ook automatisch een democratische gedachte. En zeker: de knokploegen blijven tot een paar parle­mentariërs met losse handjes beperkt, wier percen­tage overigens dat van Marokkaan­se jongeren met een justitieel verleden inmid­dels ruim­schoots overtreft.

De PVV bepleit openlijk discriminatie van een deel van de ingezetenen in Nederland op basis van de demonisering van een religie: denk aan de voorstellen van haar lijsttrek­ker in deze provincie bij de jongste Statenver­kie­zingen inzake hoofddoekjes in de bus. Over priesterboorden en keppel­tjes ging het niet. Ook voert deze partij, haar aanvoerder en enige eigenaar voorop, tamelijk stelselmatig een hetze van verdachtmakingen tegen de rechterlijke macht, waarbij Berlus­coni als voorbeeld lijkt te dienen. Het voorstel om rechters niet voor het leven te benoemen, maar periodiek te beoordelen op grond van de vraag of ze wel zo streng straffen zoals het de de volksonderbuik belieft, vormt daarvan de kroon: onze eigen variant van de telefoon­recht­spraak waarmee de stoelpoten onder de trias politica worden wegge­zaagd. De soms zeer concrete bemoei­enis met rechtsza­ken spreekt boekde­len.

Daarbij komt dan nog het gebrek aan inhoudelijke verantwoording en financiële contro­le, die eigen zijn aan de dictatoriale structuur van deze zogenaamde 'partij' - van de NSB bijvoorbeeld kon je daarentegen nog gewoon lid worden - en die haaks staan op de beginselen van democratie. Dat geldt eveneens met nadruk voor de schimmige financiering. Ik zwijg dan nog over de fact-free-politics en het met grove leugens gepaarde complot­denken, waaraan zich vooral de partijideoloog van de PVV bezon­digt - ook dat hebben wij in deze omvang, en vooral bij een groepering met deze invloed in de politiek, sinds 1945 niet gezien.

De CPN bijvoorbeeld, bij wiens politieke onafhanke­lijkheid even­eens op grond van buitenlandse financiering terecht vraagtekens werden geplaatst, had in elk geval één ding moreel wezenlijk op de PVV voor: zij sloot niet burgers op basis van hun geloof of herkomst doelbewust uit. Toch bevond zij zich, ondanks een aanvankelijk electoraat van de omvang van tien procent, mede vanwege haar interne dictatoriale inslag decennia lang in Den Haag in een isolement: een cordon sanitaire van links tot rechts, waar dit in het geval van de PVV nu door rechts doorbroken is.

En dat is de tweede reden, waarom een vergelijking met het beladen Nederlandse verleden leerzaam is: het snelle verschuiven van normen en waarden onder druk van een agressief populisme, het gemak waarmee door een deel van de maatschappelijke elite uit politiek opportunisme vervolgens basale uitgangspunten worden opgegeven en dingen aanvaardbaar, 'nor­maal' gevonden worden, die men even eerder nog volstrekt onacceptabel en ondenk­baar had geacht. Een deel van de huidige bewindslieden bijvoor­beeld verkondigt thans standpunten, die zijzelf nog geen twee jaar geleden scherp van de hand zouden hebben gewezen, en waarop zij, als wij straks ook de PVV weer over­leefd hebben, zonder twijfel met schaamte zullen terugkij­ken.

Te denken valt speciaal aan de omgang met vluchtelingen en vreemdelin­gen, waarbij niet meer een eerlijke beoordeling van afzonderlijke asylaan­vra­gen centraal staat, maar de wens om koste wat kost zoveel mogelijk mensen buiten de poorten te houden. In dat opzicht doet de benepen Nederlandse houding enorm denken aan die van Den Haag in de jaren dertig, toen het om (al dan niet joodse) vluchtelingen uit het Derde Rijk ging: er werden toen regelmatig met even groot gemak politieke vluchte­lingen naar Duits­land de grens over gezet als nu naar Irak en Afghanistan. Dat gebeurde niet alleen om vooral het bevriende staatshoofd Hitler niet voor het hoofd te stoten, ook de latente xenofobie in Neder­land zelf speelde daarbij een rol, en een obses­sieve angst bij bevolking en autori­teiten voor 'het communisme', die niet voor de huidige voor 'de islam' onder­deed.

Sterker: de angst de roep van het Gesundes Volksempfinden te missen en anderhalf miljoen kiezers te 'demoni­seren' - zoals de standaardreactie van de PVV bij elke kritiek op haar doen en laten luidt - heeft inmiddels bij de regeringscoalitie tot een grootschalig wegkijken geleid als er weer eens discutabele, of zelfs ronduit schunnige uitspraken worden gedaan. Menig minister 'ziet geen probleem' omdat de PVV zich aan de gemaakte beleids­afspraken houdt, of beperkt zich tot een agreement to disagree - alsof het om een meningsver­schil inzake de villa­subsidie of de kilometerheffing zou gaan, en niet om een doordachte en vrij syste­matische aanval op fundamen­tele rechtstatelijke waarden. De gewenning gaat kennelijk snel.

Ook al zal de formele rechts­staat er niet direct aan onderdoorgaan - als gezegd, dan komt Brussel er wel tussen - het komt niet alleen aan op wat op coalitiegedoog­papier staat, maar ook op het maat­schappelijk klimaat. En daaraan levert de premier indirect een zeer verwerpelijke bijdrage, als hij, omwille van het politieke gemak nu, in een interview stelt dat de PVV een heel normale partij is, die zich keurig aan de afspraken houdt. Een heel normale partij? Sinds wanneer valt het leidersbeginsel, de ondermijning van de trias politica en de demoni­sering van een hele religieu­ze bevolkings­groep met de morele uit­gangspunten van het liberalisme te rijmen? Helaas zijn er bij VVD en CDA maar weinigen, die hier principieel stelling durven nemen - juist vanwege hun isolement dienen hier Weisglas en Winsemius, Klink en Hirsch Ballin met ere te worden genoemd.

Elders domineert de opportunistische gemakzucht - zoals die ook in het inmiddels beladen verleden heeft gedomineerd. Misschien in één opzicht te beladen, wat samenhangt met de langdurige plaatsing van De Oorlog in een soort historische buitencategorie: als een menselijke natuurramp die ons van buitenaf overkomen is. Die heeft er ook voor gezorgd dat de NSB als de absolute belichaming van het Kwaad is gaan gelden - en ook haar toenmali­ge kiezers nadien werden 'gedemoniseerd'. Maar de gemiddelde NSB-kiezer - en de gemiddelde kiezer in de jaren dertig überhaupt - was moreel echt niet veel slechter dan de gemiddelde kiezer nu. En zeker in de beginja­ren was de NSB vooral een uitgesproken Nederlandse kleinburgerpartij, waarvan de partijlanddagen toen vaak nog meer weghadden van knusse fami­lieu­itjes dan van nazi-militaristisch geparadeer.

Er is dus ook weinig reden om aan te nemen dat het succes van een nieuwe valse profeet in Nederland per definitie uitgeslo­ten zou zijn. Zeker: ook ditmaal geldt vooralsnog de fameuze openingszin uit Der achtzehnte Bru­maire des Louis Bona­parte van Karl Marx: dat in de geschiedenis alles twee maal gebeurt, de eerste keer als tragedie en de tweede keer als farce. Maar ook een farce werkt politiek tamelijk ­ontwrichtend - zoals indertijd al gold voor de staatsgreep van Napoleon III. Ook al valt het PVV-wereld­beeld zeker niet één op één met het NSB-wereldbeeld samen: morele verloedering gaat sluipend.

Misschien was de gemiddelde kiezer van toen zelfs, gezien ook de kleinere omvang van het NSB-electoraat gemeten aan die van het PVV-electoraat, net als de gemiddel­de politicus toen, beter tegen bepaalde abjecte gedachten bestand, omdat hij nog over een helderder moreel kompas beschikte. Er bestond in het Interbellum een sterker ideologisch bewustzijn van niet over te schrijden morele grenzen, van Goed en Kwaad, dat het uiteimdelijk van de ook toen natuur­lijk al in Nederland breed aanwezige neiging tot vooral-niet-nodeloos-moeilijk-doen won: de NSB was en bleef in de jaren dertig een politieke outcast.

Met de uiteinde­lijk op totale ontideo­ligisering uitlo­pende ontzuiling is dat normbewustzijn ver­vaagd: alles werd onderhan­delbaar - de onuitstaanbaar pedante dominee in de Nederlander die iedereen de les leest, verloor het steeds meer van de onuitstaan­baar pragmatische koopman die zich soepel aan elke nieuwe situatie aanpast zolang dat materieel eventjes voordeliger is. Verheven princi­pes worden van­daag makke­lijker voor een extra schotel linzen ingewisseld dan vroeger, waaraan niet alleen een met het neolibera­lisme sinds de jaren tachtig toegenomen cynisme en egoïsme, maar ook een groeiend hier-en-nu-denken debet is. Politici willen hun persoonlijke carrièreplanning, die steeds meer centraal is komen te staan, niet meer laten doorkruisen door hinderlij­ke incidenten als morele obstakels.

Dat alles draagt bij aan het nieuwe taboe op de Oorlog vandaag de dag: in abstracto 'nooit weer!' belijden op 4 en 5 mei is prima en prachtig, maar val ons niet met mogelijke consequenties voor ons alledaags functioneren lastig. Vergelijkingen op dit vlak, vanwege het nondiscriminatiebeginsel en de rechtsstaatskwestie legitiem, zijn inmiddels taboe geworden, omdat zij in hun praktische consequenties veel onge­makkelijker zijn geworden dan voorheen: door de omvang van de PVV zou zij de andere partijen verplich­ten tot perma­nent fundamenteel ruziemaken, waardoor de dagelijkse politieke standaard­agen­da ernstig in het ongeregelde raakt.

Dat men nu, terwijl zulke verwijzingen op grond van het boven betoog­de in ieder geval rele­van­ter zouden zijn dan ooit, dus zo stekelig reageert op iedereen die een vergelij­king tussen het heden en het beladen verleden wil maken, hangt daarmee samen: want wie als politicus de mogelijke relevan­tie van een vergelij­king erkent - een vergelij­king is overigens geen gelijk­stelling - ondervindt daarvan nu bij zijn doen en laten in Den Haag veel directer hinder dan indertijd bij een machteloze splinter als de Cen­trum­par­tij. In het geval van de PVV plaatst de acceptatie van die relevantie de politicus immers, omdat de PVV wel een machtsfactor is, meteen voor lastige dilemma's over wel of niet samen­werken, dilemma's, waarvan men bij het pragmatisch politiek zakendoen juist niet al teveel last wil hebben. En dus heet zo'n machts­factor omwille van het dagelijkse Haagse gemak 'een hele normale partij'.

Daarbovenop komt een zekere en als zodanig best begrijpelijke ver­moeidheid, omdat er in het verleden wel eens erg vaak en makkelijk naar De Oorlog verwezen en met Anne Frank geschermd werd om een thema taboe te verklaren en een ontluikende discus­sie erover in de kiem te smoren. De reactie is dan snel: toch niet weer - ook, als een refereren aan De Oorlog dan juist veel relevanter is dan ooit in de afgelopen zestig jaar, zoals ik zojuist heb betoogd. Het veel­vuldige gebruik van een aantal termen in onschuldiger naoorlogse decennia dan het huidige heeft sowieso tot een bepaalde gewen­ning, en dus ook tot een bepaalde blindheid geleid, want wie te vroeg en te vaak waarschuwt, wordt, als het urgent wordt, niet meer zo snel geloofd. Alarm­bellen gaan niet meer branden omdat ze in het verleden te vaak bij vals alarm zijn afge­gaan.
Maar er zijn ook wat dieperliggende oorzaken, die het nieuwe taboe op vergelijkingen met De Oorlog verklaren, oorzaken, waardoor zulke vergelij­kingen ongemakkelijk worden wanneer ze in de praktijk plots dichtbij komen en geen verre abstracties meer blijven.

De Tweede Oorlog geldt in Nederland als het absolute kwaad - misschien meer dan voor welk ander land in Europa. Dat hangt natuurlijk samen met het feit dat Nederland sinds de neergang van de Republiek na de Gouden Eeuw op het internationale toneel steeds meer een toeschouwersnatie is geworden en in de aan de Duitse inval voorafgaande eeuw bijzonder weinig had meegemaakt. Denk aan de reactie van koningin Wilhelmina op die inval van 10 mei 1940, die als een ongekende schanddaad gehekeld werd. Wel: dan had zij de voorafgaande maanden toch niet echt opgelet. Precies zo'n zelfde 'ongekende' schanddaad had begin april 1940 plaats gevonden met de Duitse inval in Noorwegen en Denemarken: ook twee neutrale landen die plotse­ling de wereldoorlog werden ingesleurd.

In die geschonden neutraliteit, die in Nederland niet alleen als een praktische nood­zaak, maar ook als een blijk van eigen morele voortreffe­lijkheid werd gekoesterd, zit ongetwijfeld een belangrijke bron van de kijk op de Oorlog als het absolute kwaad: ons onschuldige land, dat part noch deel had aan Europese machtspolitieke spelletjes, was dit van buitenaf plotseling overkomen. En anders dan in België, dat al bij het eerste grote treffen in 1914 - en overigens niet voor het eerst - in een bloedig slagveld was veranderd, kwam die schok in Nederland des te harder aan. Temeer daar het hierbij, anders dan bij het Duitsland van 1914, ook nog eens om een uitgesproken duivels schurkenbewind ging: op de korte oorlogsstrijd van vijf dagen volgde een Bezetting van vijf jaar, die Neder­land met een nietsontziende dictatuur confronteren zou.

Door dit in één keer als nieuwe ervaring samenvallen van beide zaken - oor­logs­geweld èn terreurbewind - werd de eerste en enige confron­tatie met een moderne oorlog op eigen bodem door de Nederlanders als een veel duister­der onderbreking van de normale gang van zaken ervaren dan in landen waar men recent al eens met een oorlog, en dan dus nu ook nog eens met een dictatuur had kennis gemaakt.

Het Nederlandse zelfbeeld was (en is) er een van uitgesproken vredelie­vendheid - ondanks alles wat Nederland zelf in de aan 1940 voorafgaande decennia in Indië had gedaan. "Daar werd wat groots verricht", zo luidde het gangba­re positieve oordeel in het Interbellum over onze koloniale activi­teiten - in dit geval was het letterlijk Colijns oordeel over Van Heutsz' optreden in Atjeh, waarbij hij zelf overigens betrokken was geweest. In die dagen was het de Duitse dichter Theodor Fontane die de Nederlandse geweldda­dig­heid hekelde, in een gedicht over een door Nederlandse troepen aange­richt bloedbad onder Balinese vrouwen, waarin de gangbare koloniale mengeling van inhalige koopmansgeest, ploerterige cultuurbarbarij en hypocriete zendingsdrang aan de kaak gesteld werd. De rake slotzin daarvan wil ik U niet onthouden - nadat hij beschreven heeft hoe de laatste dorpeling door de beschaving brengen­de kolonisator is afgemaakt, besluit Fontane, kort maar afdoende: Mynheer derweilen, in seinem Kontor, Malt sich christlich Kulturelles vor.

In Nederland keek men daar toen wat anders tegen aan, om het vriende­lijk te formuleren - en nog steeds hebben wij grote moeite om eigen geweld­daden te erken­nen. Ik heb er straks al kort aan gerefereerd: voor de heroveringspoging van 'Ons Indië' is nog steeds de verbloemende term 'Politionele Acties' in zwang. Verzet tegen het 'wettig' Nederlandse ge­zag ­- of het nu gaat om de Javanen in 1945 of de Belgen in 1830 - wordt niet gezien als een vraagstuk voor de politiek, maar voor de politie; ook als het vervolgens het leger is dat ingrijpen moet. En als zulk ingrijpen volle­dig ont­spoort, dan heten dat hooguit - zoals in de officiële notas over het Neder­landse naoorlogse (sic!) optreden in Indië - excessen, maar nooit oorlogs­misdaden. Zodra iemand die term gebruikt of dreigt te gebruiken, komt hem dat steevast op woedende reacties te staan. En net zomin als Nederlandse soldaten oorlogsmisdaden kunnen plegen, kunnen zij oorlog voeren. Nog steeds betitelen we eigen militair optre­den bij voor­keur als vredes­mis­sie of humanitaire interven­tie. Oorlog voeren: dat is iets voor enge imperia­listische grootmachten, niet voor het goedwil­lende Nederland. Wij voeren geen oorlog, wij handha­ven slechts de orde. Wel, de orde handhaven: dat deed de hertog van Alva in 1568 ook.

Dit scheve zelfbeeld heeft er niet alleen voor gezorgd dat de Tweede Wereldoorlog als 'De Oorlog' bekend is komen te staan - en niet onze eigen oorlog in Indonesië. Ook kon de eigen Nederlandse bijdrage aan dat Kwaad dat zich vervolgens gedurende vijf jaar op Nederlandse bodem afspeelde, daardoor lang geen plaatsje in het historische nationale zelfbeeld krijgen: een boze buitenstaander had ons onverhoeds bruut van onze vrijheid beroofd - iedereen was in de Oorlog 'goed', van dat paar procent notoire landverraders afgezien, die verenigd waren in de NSB. Geen groter scheld­woord lange tijd dan NSB-er (voordat 'fascist' en 'racist' furore maakten): dat stond voor landverraad.

Dat collaboratie gedu­rende de vijf bezettingsja­ren in alle soorten en gradaties plaats vond, dat velen op bepaalde momen­ten wegkeken, dat dat omwille van het naakte overleven voor velen soms gedeeltelijk onvermij­delijk was, ook voor 'goede' Nederlanders: dat is iets wat pas heel gaande­weg in het geschieds­verhaal van 'De Oorlog' kon worden verdiscon­teerd. En bij het grote pbliek is dat zelfs nu nog niet altijd geland. Dat nog steeds sterk doorwer­kende zwart-witte Goed-Fout-beeld maakt elke verwij­zing naar de Oorlog tot op de dag van vandaag nog veel beladener dan als zodanig al gerecht­vaardigd zou zijn: alsof de Tweede Wereldoorlog hele­maal los staat van de rest van de geschiedenis, en vooral helemaal los van ónze overige geschiedenis, en wat daarin gebeurd is, niets met algemenere karakter­trekken van de mensheid heeft van doen.

Is het toeval dat het morele probleem van de vaak sluipende collabo­ra­tie, van de burgemeester-in-oorlogstijd die zich steeds moet afvragen waar de grenzen liggen, eigenlijk nog nauwelijks een onderwerp is geworden in de Nederlandse literatuur? De Bezetting begon in 1940, dat heeft de recente remake van de tv-serie van Lou de Jong wel aardig duidelijk gemaakt, niet meteen als een ononderbroken terreurbe­wind: het gewone leven ging aanvankelijk, die zomer van 1940, nog gewoon door, ook omdat de nazi's de Nederlanders als stamverwant volk voor hun idealen probeerden te winnen. Pas heel gaande­weg werden de duimschroe­ven aangedraaid, ook voor de joden. Voor de niet-gedeporteerden kwam de grootste ellende, met de Hongerwinter, pas in het laatste oorlogsjaar, dat in dat opzicht in terug­blik de kijk op De Oorlog zeer sterk heeft bepaald.

De Oorlog als belichaming van het kwaad, ook omdat het de enige oorlog is waarmee wij de afgelopen twee eeuwen op eigen bodem kennis hebben gemaakt, en de Nederlander-in-oorlogs­tijd als in overgrote meerder­heid 'goed': dat maakt elke vergelijking natuurlijk meteen tot een morele aanval van de zwaarste soort. En daar komt nog iets belangrijks bij: het Nederlandse volk dat tot dat moment niet één Nederlands volk was, als gevolg van de grote religieu­ze verdeeldheid. Niet toevallig sprak men ook voor De Oorlog van de Nederlandse volksde­len - in meervoud. Volksdelen die door de verzuiling als vertaling van die religieuze verdeeld­heid groten­deels maatschappelijk langs elkaar heen leefden, en eigenlijk weinig gemeen­schappelijks meen­den te hebben, behalve geografische lotsverbon­denheid.

In de Oorlog vielen, in de vereni­ging tegen het externe Kwaad en haar ('paar') binnenlandse handlangers, deze scheidslijnen weg; het hoorde tot de naoorlogse teleurstellingen van velen dat de Doorbraak die deze scheids­lij­nen definitief moest doorbreken, mislukte, en de verzuilde samenleving van weleer (voorlopig) weer terugkeerde. De Oorlog bracht de Nederlanders samen, ook achteraf: zij vormt daarmee de heilige graal van de nationale eenheid. Goed of fout in de Oorlog: dat werd het allesbeheersende morele referentiekader nadien. Fouten na de Oorlog werden makkelijker vergeven als men in de Oorlog goed was geweest. En wie in de Oorlog fout was geweest, zat daar eigenlijk zijn leven lang aan vast, omdat dat niet meer goed te ma­ken viel.

De Oorlog was namelijk de enige grote gebeurtenis waar de overgrote meer­der­heid van de Nederlanders, katholiek of protestant, liberaal of socia­list, op dezelf­de manier tegenaankeek - en dus ook tegen de vraag wát inderdaad in die oorlog goed en fout was. De Oorlog is in feite de enige historische gebeur­tenis van belang, waarover we het in grote lijnen eens zijn en die de Neder­landse natie tezamenbindt. Alle andere belangrijke gebeurtenissen uit het Nederlandse verleden zijn, zoals de negentiende-eeuwse historiografie bij herdenking na herdenking leerde, hopeloos omstreden, daar keken de diverse volksdelen vanouds steeds fundamenteel anders tegenaan en daarover werd op de scholen dus ook op heel uiteenlo­pende wijze onderwezen - dat begon eigenlijk al met de kerste­ning door Willi­brord: de opmaat tot Nederland als christelijke natie, of juist de aanvang van het paapse juk?

En dat geldt eigenlijk ook voor alles van belang dat daarna gekomen is. De rol van de Bour­gondiërs, en zeker de Habsburgers, bij de Neder­landse staats­vorming, in relatie tot de verhouding tussen de Noordelijke en Zuide­lij­ke Nederlanden: omstreden. Karel V: de man die Utrecht, Gelderland, Overijssel, Drenthe, Friesland en Groningen aan de rest toevoegde, en dus onmisbaar voor de Zeven Provincies van de Republiek: omstreden - nog in het jaar 2000 bekritiseerde de SGP de aanwezigheid van premier Kok bij de herdenking van zijn vijfhonderste geboortedag. Dan de aard van de Opstand tegen Spanje: libertatis causa of religionis causa, vanwe­ge de vrijheid of vanwege de reli­gie? - omstre­den. De rol van de katholie­ken daarbij: herinneren we ons de Geuzen voor Den Briel of de Martelaren van Gor­cum? - omstreden. Maurits versus Van Oldebarne­velt, vormt rechtzinnig­heid­ of vrijzinnig­heid de oerkern van het Neder­landse nationale karakter?: omstre­den. De rol van de Oranjes bij de Gouden Eeuw, van de stadhouder versus de staten: omstreden. Johan de Witt en stadhouder-koning Willem III, onze twee staatslie­den met de grootste internatio­nale betekenis: omstre­den. Het optreden van de Patriotten en de Bataven, hun rol als grondleggers van onze huidige democra­tie: omstre­den.

De Grondwet van 1798, de allereerste van Neder­land (en een veel helderder dan de huidige, voor een jurist een genot om te lezen, zoals Tjeenk Willink zich eens liet ontvallen): zo omstre­den dat die, vanwege de afwezigheid van de Oranjes daarbij tweehonderd jaar geleden, in 1998 zelfs niet eens officieel herdacht kon worden en men alle aandacht op die van 1848 wierp. De betekenis van Lode­wijk Napoleon voor het huidige koning­schap, om het over Napole­on zèlf dan nog niet eens te hebben: zo omstre­den dat de eerste koning van Nederland twee eeuwen lang überhaupt vrijwel doodge­zwegen is en men in Oranjekring tot aan Juliana toe op het noemen van zijn naam bijkans hysterisch reageerde - ook straks in 2013 wordt vast weer gedaan alsof de monar­chie hier te lande van 1813 dateert, en niet van 1806, ofschoon Willem I zich­zelf, in de toen publiek gangbare bewoor­din­gen, "te ruste legde in het bed van Napole­on".

Maar de Oorlog: die staat pal vereind als dat wat ons in onze nationale geschiedenis nu eens niet verdeelt, maar bindt - dat neemt geen criticus ons dus af. Slechts de Grondwet van 1848 heeft misschien, inclusief Thorbecke als natio­nale pilaarheilige, een sacro­sancte status bereikt die daarmee enigszins verge­lijkbaar is. Alleen gaat het daarbij niet om een bloedstollend dramatische gebeurtenis, maar om een voor de doorsneeburger onleesbaar en voor geen vertaling tot spannende tv-serie vatbaar stuk. En dat ver­klaart ook, waarom een verwijzing naar de Oorlog inmid­dels in Den Haag taboe is geworden, omdat je nog wel met elkaar door dezelfde deur verder moet kunnen gaan - en men dus liever wegkijkt op die momenten dat zo'n vergelijking misschien eens echt relevant zou kunnen zijn op te constateren dat die ene deur-voor-iedereen-tegelijk te nauw geworden is.

null Beeld
Meer over