Het nadeel van een gelukkige jeugd Gontsjarovs 'Oblomov' is een ziektegeschiedenis zonder diagnose

Tussen 1924, het sterfjaar van Lenin, en de ontmanteling van het communisme, kon in Rusland nauwelijks een negentiende-eeuwse schrijver worden herdrukt of er werd op zijn minst een aantekening aan de tekst toegevoegd waaruit bleek dat ook Lenin er het een en ander over te berde had gebracht....

'Zo'n soort van Russisch leven heeft bestaan - zo'n leven als dat van Oblomov. De hele tijd lag hij op zijn bed en maakte plannen. Sindsdien is er veel tijd verstreken. Rusland heeft drie revoluties doorgemaakt, maar de Oblomovs zijn gebleven. Oblomov was namelijk niet alleen een landeigenaar, hij was ook een boer; en hij was niet alleen een boer, maar ook een intellectueel; en hij was niet alleen een intellectueel, maar ook een arbeider en een communist. Het is voldoende om naar onszelf te kijken, zoals we hier zitten te vergaderen, zoals we in commissies werken, om vast te stellen dat de oude Oblomov gebleven is, en dat we hem moeten wassen, reinigen, uitkloppen en schoonschrobben, zodat hij voor ons weer van enig nut kan zijn. Wat dat betreft hoeven we ons geen enkele illusie te maken.'

Los van het - achteraf beschouwd - nogal onheilspellende karakter van die mededeling (het Russische woord voor 'reinigen' heeft ook de politieke betekenis 'zuiveren'), komt het erop neer dat Lenin in de hoofdfiguur van Gontsjarovs beroemde roman vooral een typisch Russische luiwammes heeft gezien - iemand die eens flink door elkaar zou moeten worden geschud, teneinde zijn capaciteiten te kunnen ontplooien in en voor de maatschappij. Daarmee wijkt de opvatting van de grondlegger van de Sovjet-Unie niet wezenlijk af van de gangbare: Gontsjarov zou in het boek slechts het portret hebben geschilderd van een bewegingloze nietsnut, een eeuwige uitsteller, een goedwillende maar totaal apathische marmot die slechts met de grootste moeite zijn bed uitkomt.

In zijn geschiedenis van de Russische literatuur heeft Karel van het Reve erop gewezen dat het met Oblomovs luie karakter nogal meevalt, al was het maar doordat hij in het eerste deel van het boek op één ochtend zes verschillende bezoekers ontvangt. Arthur Langeveld, van wiens hand zojuist een nieuwe vertaling verscheen, houdt het in zijn nawoord vooral op indolentie: Oblomov, zo zegt hij, is het slachtoffer van een bepaalde geestesgesteldheid die hem belet zich op wat dan ook te concentreren en die hem verhindert allerlei normale taken uit te voeren. Maar indolentie betekent lusteloosheid, vadsigheid, onverschilligheid - en het is de vraag of juist die begrippen Oblomovs psychologie wel op een adequate manier weergeven.

Het verhaal zelf is snel verteld. Het zou gemakkelijk binnen de grenzen van een novelle hebben gepast. Ilja Iljitsj Oblomov, een stuk in de dertig, is eigenaar van een landgoed met 335 zielen, waar hij een idyllische jeugd heeft doorgebracht. Hij is er in geen jaren teruggeweest, hoewel de opbrengsten stelselmatig achteruit gaan. Hij bewoont in Sint-Petersburg een stoffig huurappartement, waar hij samen met zijn knecht Zachar zijn dagen voornamelijk vult met nietsdoen. Oblomov heeft een jeugdvriend die in alle opzichten zijn tegenpool is, Stolz genaamd. Deze stelt hem voor aan een zekere Olga, op wie hij verliefd wordt. Met het landgoed gaat het steeds slechter, en een voorgenomen huwelijk gaat niet door. Olga trouwt met Stolz.

Opnieuw daalt Oblomov verder op de maatschappelijke ladder. Hij trekt in bij een hospita, Agafja, die veel en vet eten voor hem klaarmaakt. Ze wonen in een onaanzienlijk deel van de stad. Hij verwekt bij haar een zoontje, Andrej, en sterft enige jaren later aan een hartstilstand.

Einde van de handeling: 'Op het naburige kerkhof rust zijn lichaam onder een eenvoudige steen, tussen de struiken, in stilte. Seringetakken, daar door een liefhebbende hand geplant, dromen boven zijn graf en de alsem geurt onverstoorbaar.'

Deze novelle-achtige inhoud is uitgesmeerd over ruim vijfhonderd bladzijden, maar anders dan men op grond van die lengte zou verwachten, laat de schrijver zeer veel details in het ongewisse. De vadsigheid van de hoofdpersoon komt regelmatig en overvloedig ter sprake, maar zij wordt zodanig beschreven dat het eerder om een symptoom gaat dan om een dieper liggende oorzaak. De indruk die daardoor ontstaat is die van een ziektegeschiedenis waarbij elke diagnose angstvallig wordt vermeden, en die de patiënt bespreekt als een klinisch geval zonder over de oorzaak van de besmetting of aandoening te willen speculeren. Die oorzaak zou immers tevens het begin zijn van de oplossing, en het is juist die uitweg die voor de patiënt ontoegankelijk is.

Oblomov mist de minimale hoeveelheid zelfkennis die vereist is om uit de beklemming van de vicieuze cirkel te ontsnappen. Het lawaai dat vanaf de straat in zijn appartement doordringt en dat hem steeds heviger op de zenuwen werkt, doet hem slechts terugverlangen naar de vredige stilte van zijn jeugd - waarmee de schijnbare oplossing een onderdeel van het probleem is geworden.

De dagelijkse, aan gooi- en smijtfilms herinnerende ruzies met zijn huisknecht, Zachar, eindigen in scheldkanonnades over en weer, die aan de verteller het adequate commentaar ontlokken dat ze niet alleen elkaar maar ook zichzelf niet meer begrijpen.

Oblomovs hartstocht voor Olga, en het vooruitzicht dat ze zich samen op zijn landgoed zullen vestigen, worden gefnuikt door de onbereikbaarheid van de zorgeloze toestand die hij in zijn jeugd heeft achtergelaten: 'Want wie door zo'n ongeluk als hartstocht wordt getroffen, voelt zich precies als iemand die terecht is gekomen op een uitgesleten, onbegaanbare bergweg waar de paarden struikelen en de ruiter uitgeput raakt, maar gelukkig is het geboortedorp al in zicht: dàt moet je goed in het oog houden en zien dat je zo snel mogelijk van de gevaarlijke plek wegkomt. . .'

Omgekeerd tracht Olga een onmogelijke metamorfose tot stand te brengen. Zij probeert niet alleen Oblomov te beletten om na de lunch automatisch te gaan slapen, ze wil hem ook bewegen om boeken en kranten te lezen, om op zijn landgoed orde op zaken te stellen, 'hem een doel in het leven te geven'.

Geïsoleerd van de context klinkt dat misschien allemaal wat sentimenteel en hoogdravend, maar waar het om gaat is dat dat doel voor Oblomov op een even Beckettiaanse manier ontoegankelijk is als Godot voor Estragon en Vladimir. Het bereiken van een doel is alleen weggelegd voor 'anderen', en al na een van zijn eerste uitbarstingen tegen Zachar heeft Oblomov geformuleerd dat hij zelf niet tot die 'andere' wereld behoort:

'De ''ander'' slaapt bijna niet, de ''ander'' geniet van het leven, komt overal, ziet alles, bemoeit zich overal mee. . . En ik! Ik ben geen ''ander''! zei hij bedroefd en verzonk weer in gepeins. Hij haalde zelfs zijn hoofd onder de deken vandaan.'

Het gevoel geen deel te hebben aan de werkelijke wereld die door energieke en wilskrachtige 'anderen' wordt bevolkt, het gevoel 'minder echt' te zijn, slaat in het derde deel van de roman om in een hevige existentiële twijfel. Hij begint Olga te mijden en haar bestaan tegenover anderen te ontkennen. Hij wordt onzeker. 'Het was of hij midden in een bos stond, 's nachts, wanneer je in elke struik of boom een struikrover, vampier of wild dier ziet.'

Recht evenredig met de gewaarwording van allerlei vage angsten groeit Oblomovs besluiteloosheid. Hij valt terug in zijn oude gewoonten en als hij de aftandse kamerjas weer aantrekt waarin hij in het eerste deel van het boek voortdurend heeft rondgelummeld, is het duidelijk dat de lethargie sterker is dan het verlangen eraan te ontsnappen. En met het verlangen verdwijnt ook Oblomovs hartstocht.

De vraag lijkt me niet of Ivan Aleksandrovitsj Gontsjarov met deze roman een psychologisch (of psychiatrisch) portret heeft gemaakt dat zo overtuigend is dat het naar gangbare klinische of therapeutische maatstaven kan worden beoordeeld. In die zin is de veelbesproken 'herkenbaarheid' van de hoofdfiguur - alsof diens luiheid naar een algemeen menselijk kenmerk verwijst - ook eerder een reductie, dan dat zij aan Gontsjarovs werkelijke intenties beantwoordt, laat staan aan zijn literaire talent.

Daarbij staat in ieder geval vast dat Gontsjarov zichzelf beschouwde als de eerste oorspronkelijke romancier in het Russische taalgebied. De romans van zijn collega Toergenjev beschouwde hij meer als uit hun krachten gegroeide verhalen, en hoewel hij in Oblomov een duidelijk waarneembare invloed heeft ondergaan van Gogol, is het niet diens voortdurende satirische toon die bij Gontsjarov de dienst uitmaakt. Eerder is er sprake van de ambitie om met behulp van de verbeelding de verschillende verschijningsvormen van het personage zo coherent mogelijk te verbinden, door handeling, uitspraak, droom en gedachte in één geheel onder te brengen, zonder daarbij de lezer steeds voor de voeten te lopen.

Gontsjarovs tijdgenoten moeten daarvoor minder gevoelig zijn geweest. De steile criticus Nikolaj Dobroljoebov was ontstemd over de a-politieke kleur van het boek. Hij beschouwde de hoofdpersoon als een negatief voorbeeld, en meende dat Gontsjarov de literatuur geen goede dienst had bewezen. Tegelijkertijd - en achteraf is dat alleen maar als een compliment te lezen - schreef hij: 'Gontsjarov is in staat om alle verschijnselen van het leven als in een magische spiegel te vatten; op ieder moment gehoorzamen ze aan zijn wil, ze blijven staan, ze stollen en ze blijven bewaard in onveranderlijke vormen. De schrijver lijkt het leven zelf tot staan te brengen en de vluchtigste momenten voor altijd vast te houden.'

Dat is nog weer eens wat anders dan beweren dat 'de karakters goed uit de verf komen', maar één ding is zeker: ook als alle interpreteerbare aspecten uit de figuur van Oblomov zouden worden verwijderd (interpreteerbaar in termen van psychologie of van het Rusland van de negentiende eeuw), dan nog zouden er voldoende gegevens overblijven om hem als hoofdfiguur te kunnen handhaven - dat wil zeggen: als object van de onvermijdelijke ondergang.

Het is mooi dat uitgeverij Veen de magische spiegel opnieuw heeft opgepoetst en dat daarvoor Arthur Langeveld is uitgenodigd. Hij gebruikt ergens het woord budget in plaats van begroting, maar daar staat tegenover dat hij parmezaankaas schrijft waar andere vertalers kiezen voor parmezaanse kaas.

De curieuze situatie doet zich voor dat het Nederlands taalgebied op dit moment over twee Oblomov-vertalingen beschikt, bij Veen en bij Van Oorschot. Van de twee andere romans die Gontsjarov schreef, bestaat alleen een vertaling van Een alledaagse geschiedenis - lang geleden verschenen bij De Arbeiderspers. Voor het meesterwerk Obryv (Het ravijn), nooit vertaald, heeft Langeveld in elk geval solide geloofsbrieven overhandigd.

Ivan Gontsjarov: Oblomov. Uit het Russisch vertaald door Arthur Langeveld. Veen, ¿ 65,-.

Toneelgroep De Trust speelt Oblomov tot en met 22 februari (behalve zondag) in het Machinegebouw op het Westergasterrein te Amsterdam, 20.30 uur.

Kriterion (Amsterdam) vertoont de film Oblomov op 11, 12, 18, 19, 25 en 26 februari, 14.30 uur.

Meer over