Het moet socialer!

In China beginnen elk jaar miljoenen studenten aan een technische opleiding. Toch hoeft Nederland niet voor zijn vooraanstaande positie op de wetenschapsranglijsten te vrezen. Mits, zeggen deskundigen, we grootscheeps inzetten op vernieuwing in de sociale wetenschappen.

MARTIJN VAN CALMTHOUT

Alexander Rinnooy Kan, toen nog de eeuwig aimabele voorman van de zogeheten KIA-coalitie, het monster- verbond van wetenschappers, werkgevers en werknemers dat kenniseconomie Nederland een warm hart toedraagt, had het er hoorbaar moeilijk mee. Jawel, legde hij april dit jaar in de media uit, er zijn zorgen over onze droom om in 2020 tot de topvijf van kenniseconomieën in de wereld te behoren. Maar er zijn zeker lichtpunten: neem het sterk gedaalde aantal voortijdige schoolverlaters. Of het Topsectorenbeleid. Alleen zou stevig investeren in (hoger) onderwijs, wetenschap en innovatie werkelijk geen kwaad kunnen. Een miljard of 6, was zijn schatting voor de komende jaren. Dat zou mooi zijn.

Rinnooy Kan sprak in Nieuwspoort bij de presentatie van de tweede analyse van de toestand van onze kenniseconomie, een document dat de ietwat verwarrende naam KIA-foto droeg. Die KIA-foto is geen echte foto, maar een bonte cirkelgrafiek die in een explosie van kleuren een momentopname wil zijn van kennisland Nederland. Groen voor waar het beter gaat, oranje waar het beter kan, rood voor waar het niet vlot - of erger. De KIA-foto 2012 is voornamelijk rood en dat lijkt slecht nieuws.

Maar, zegt Rinnooy Kan die dag tegen verslaggevers, er is zeker nog geen reden tot wanhoop. Het moet niet alleen beter, het kán ook beter. 'En het belangrijkste: de politieke ambitie, een topvijf als kenniseconomie, is niet weg. Integendeel.'

Het klonk allemaal zo zorgelijk dat begin september de nieuwe Global Competitiveness Index,voor 2012, van het World Economic Forum bijna ongeloofwaardig overkwam. Zorgenkindje Nederland bleek in die ranglijst van innovatielanden op de beoogde vijfde plaats te staan na Zwitserland, Singapore, Finland en Zweden.

Nederland is inmiddels dankzij een gestage opmars ook ruim voorbij Duitsland. Dit alles ondanks het wegbezuinigen onder kabinet-Rutte I van miljarden aan aardgasbaten (FES-gelden) voor onderzoek; alles ook in weerwil van klaagzangen uit de wetenschap over het nieuwe Topsectorenbeleid, waarin onderzoek dichter naar negen belangrijke industrietakken wordt geduwd.

Die innovatiekracht komt niet uit de lucht vallen. Het anker daarvoor, aldus de recente analyses van kenniseconomieën door de Europese Commissie, is solide wetenschap die kennis levert waarop innovatie kan worden gebouwd. Volgens de Innovation Union Scoreboard 2011 van de EU is Nederland geen innovatieleider, dat zijn steevast Zweden, Finland en het niet-EU-land Zwitserland. Maar we zijn wel een prominente innovatievolger die, met een vergelijkbaar budget en wetenschappelijk personeelsbestand, in feite boven verwachting presteert.

'Relatief sterk in open en aantrekkelijk research-systeem, financiering en intellectueel eigendom', vat het rapport de Nederlandse situatie welwillend samen. Uit inkomsten op octrooien alleen al haalt Nederland tussen de 2 en 3 procent van zijn bruto binnenlands product binnen. De relatieve toppositie van de Nederlandse wetenschap, vooral te danken aan de fundamentele natuurwetenschappen, bepaalt in hoge mate het positieve oordeel over Nederland.

Zweedse paradox

Een zwak punt van de Nederlandse innovatiemotor is volgens de EU-analyse dan ook niet de wetenschap, maar vooral een schrijnend gebrek aan investeringen vanuit het bedrijfsleven. De Nederlandse industrie en het midden- en kleinbedrijf spenderen, blijkt uit een vergelijking op landenniveau, hooguit eenderde van wat in Zweden praktijk is.

Die hoge inbreng van de Zweedse industrie, zegt in Rotterdam hoogleraar innovatie-economie Roy Thurik, is de bepalende factor voor de Zweedse toppositie op de innovatieranglijsten. Lang verbaasden economen zich over Zweden, waar relatief hoge investeringen in hoger onderwijs en wetenschap maar geen vruchten leken af te werpen in de vorm van innovatie. Pas toen innovatief ondernemerschap werd gestimuleerd, werd die 'Zweedse paradox' doorbroken en kwam het succes.

In Nederland is er geen sprake van zo'n paradox, denkt Thurik. 'Nederland spendeert eerder te weinig dan te veel in de wetenschappen. Maar hogere investeringen in onderwijs en wetenschappen leveren dus ook niet vanzelf meer op, zolang er geen breed gevoel voor ondernemerschap aan is gekoppeld.'

In zekere zin, zegt Barend van der Meulen van het Rathenau Instituut in Den Haag, is het Topsectorenbeleid van kabinet-Rutte I een poging in die richting. 'Vaak wordt dat voorgesteld als de wetenschap die naar de industrie wordt gedwongen. Ik zie het meer als een poging om de industrie eindelijk weer aan de slag te krijgen.'

Nederland aan de top, eventueel nog wat meer industriële interesse en de missie is volbracht? Forget it, zegt de Tilburgse hoogleraar innovatiemanagment Geert Duysters. 'Als je ziet wat er vanuit Azië aankomt, kunnen we absoluut niet achteroverleunen en genoegzaam vaststellen dat we in het Westen toch zo goed zijn en zoveel creatiever dan die lui daarginds. Dat dachten we destijds ook over Korea, (Samsung), en Japan (Sony). Nou, China en India worden vele malen groter.'

Dédain over de Aziatische wetenschap is in elk geval volkomen misplaatst, vindt Duysters. 'Ik weet uit eigen waarneming: ze worden heel snel beter en zijn hoe dan ook met heel veel: in China beginnen ieder jaar meer dan twee miljoen studenten aan een technische opleiding. Lang niet allemaal westers niveau, maar laat dat eens 10 procent wel zijn. Ze gaan volledig over Europa en Nederland heen rollen, wat we ook bedenken.'

Dat geldt ook voor de vooraanstaande Nederlandse positie op wetenschappelijk gebied. Er zit een omwenteling in het internationale kennislandschap aan te komen, zegt bijvoorbeeld het Spaanse onderzoeksbureau Scimago. Dat deed in zijn jongste jaarverslag een voorspelling van de krachtverhoudingen in de internationale wetenschap in 2018. Een methodologische oefening, zegt hoofdonderzoeker Felix de Moya Anégon behoedzaam, maar zijn resultaat is fascinerend.

De Moya's cijfers hebben betrekking op de wetenschappelijke productiviteit van landen, gemeten naar aantallen wetenschappelijke artikelen. In de huidige wereld voeren de VS de lijst aan, gevolgd door China, Groot-Brittannië, Duitsland, Japan, Frankrijk, Canada - en het kleine Nederland toch nog op plaats 14. Bij het doortrekken naar de toekomst van de publicatietrends en investeringen in hoger onderwijs nadert er met rasse schreden een omslagpunt. In 2018, voorziet Scimago, voert China de lijst riant aan, gevolgd door (nog steeds) de VS en het Verenigd Koninkrijk. India wordt tegen die tijd groter dan Frankrijk. Nederland wordt op een 17de positie ruim voorgegaan door Iran, Brazilië, Maleisië, Taiwan en Zuid-Korea, die dan allemaal meer wetenschap produceren.

Schreeuwende behoefte

Kortom: over misschien maar vijf jaar begint de Aziatische vloedgolf aan hoger onderwijs en wetenschap voelbaar te worden in kennisland Nederland. En erger, zegt innovatieprof Duysters, precies op die plaats waar Nederland relatief zwak staat: de techniek. 'Het is een bekend verhaal, maar Nederland heeft een schreeuwende behoefte aan meer technici, op elk niveau, en ze zijn gewoon niet te vinden. Onze technische faculteiten zijn niet groot. Gelukkig zijn we op een beperkt aantal gebieden wel toonaangevend. De techniek zit helaas echter niet in de Nederlandse volksaard. En met de Aziatische opmars zal het heel lastig zijn om onze voorsprong op die gebieden te behouden.'

Waar het op neerkomt, zegt Duysters, is dat na de maakindustrie, die naar Azië is verplaatst, binnenkort ook de kennisindustrie meer en meer naar het Verre Oosten verplaatst gaat worden. 'Bedrijven als Philips doen dat nu al. En geef ze eens ongelijk, ze gaan naar het talent toe. Zoiets is jammer voor Nederland, dat een kennisland wil zijn. Maar voor bedrijven en individuele wetenschappers is het volkomen begrijpelijk.'

Zelf raadt hij zijn studenten, in Tilburg maar ook aan de TU Eindhoven, van harte aan om de kansen in Azië te grijpen. 'Mensen die daar eenmaal zitten, zijn buitengewoon enthousiast over wat er allemaal kan en gebeurt.'

Maar als we het uitgerekend op de technologie gaan afleggen, wat blijft er dan nog over? Duysters: 'Nederland is goed in logistiek en heeft een sterke handelsgeest. Dat zijn de zaken waarmee we uit de voeten kunnen, ook in Europa. Nederland als toevoerhaven van Europa, als bemiddelaar, als tusseninveau; dat idee. Daar moeten we veel meer dan nu een punt van maken.'

Er zijn een paar scenario's denkbaar, mijmert in Leiden prof. Paul Wouters, directeur van het CWTS, het Centrum voor Wetenschaps- en Techniekstudies. Verreweg het verstandigst is doen waar we zelf wat aan hebben, en daar nog veel beter in worden. 'Nederland is een dienstenland, of de bèta's dat nou wel of niet leuk vinden. In het hoger onderwijs zie je dat volledig terug, viervijfde van alle studenten en docenten doen iets in de alfa- of gammahoek. Dat zijn nu niet de vakken waarin we wetenschappelijk gezien internationaal toonaangevend zijn en als we Nederland hoger op de ranglijsten willen krijgen, zit daar de ruimte. En op de snijvlakken tussen alfa, bèta en gamma.'

Inhaalslag

Meer geld is daar zeker een oplossing. Voor meer onderzoekers. Maar zeker ook voor een veel betere infrastructuur voor onderzoekers, ook buiten de exacte vakken, vindt Wouters, die van origine wetenschapssocioloog is. Vooral in de sociale wetenschappen is een enorme inhaalslag te maken, denkt hij. 'Dataverzameling en dataverwerking hebben daar echt nog een pre-industrieel niveau. Mensen zijn letterlijk nog in de weer met schoenendozen en kaartjes. Een moderne data-infrastrucuur is van onschatbare waarde; dat alleen al zou de Nederlandse sociale wetenschappen in een klap op een hoger niveau tillen, ook internationaal.'

Nederland, schrijft ook de Amsterdamse econoom en publicist Ewald Engelen, is voor ongeveer 80 procent een diensteneconomie, waarin we vooral goed zijn in adviseren en beleid maken. Innovatie en techniek? Vergeet het, vond hij eerder in een snijdende kritiek op de Topsectoren. 'Economen, bedrijfskundigen, rechters en advocaten, sociale wetenschappers: dat is wat we nodig hebben. En wel de allerbeste, in alle opzichten.'

Directeur Chris Sigaloff van Kennisland, de particuliere denktank in Amsterdam die in 2010 de Kenniseconomie Monitor uitbracht, onderstreept dat Nederland in feite het verkeerde spel speelt. 'Als dat spel Kenniseconomie heet, worden we binnenkort gegarandeerd van het bord gevaagd', zegt ze stellig.

Sigaloff: 'De oude riedel dat je met kenniseconomie groei genereert, die alle maatschappelijke problemen oplost, is echt achterhaald. Vergrijzing of problemen in de zorg los je niet op met robots. Maatschappelijke problemen vergen maatschappelijke oplossingen.'

Nederland, zegt Sigaloff, moet ook wetenschappelijk veel meer voorop willen lopen in heel andere vormen van innovatie. Niet zozeer technisch als wel sociaal. 'We zoeken nieuwe definities en methoden van innovatie voor het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. Dat is een duidelijke opdracht aan de wetenschap. Grappig genoeg niet zozeer een opdracht aan de natuurwetenschappen en de techniek, maar aan de sociale wetenschappen en de geesteswetenschappen. We zijn een wetenschapsland van beta's en medici. Maar in werkelijkheid moet Nederland het van sociale wetenschappers hebben.'

CWTS-wetenschapswatcher Paul Wouters schat dat we dat kunnen. 'Zoals in de 17de eeuw een netwerk van relatief kleine steden het kon opnemen tegen giganten als Londen en Parijs, kan een goed netwerk van Nederlandse universiteiten een geweldige synergie genereren. Daar moeten we vol op inzetten.'

Dit is het laatste deel van een drieluik over de waarde van de Nederlandse wetenschap. Eerdere afleveringen verschenen op 13 en 20 oktober in de bijlage Wetenschap.

WETENSCHAPSLAND

Uit de eerste twee delen: Nederland scoort internationaal als derde wetenschapsland van de wereld, en is de vijfde kenniseconomie.

Met ongeveer 13 miljard euro per jaar voor wetenschap en research & development doen we niet veel onder voor koplopers als Zweden, Finland en Zwitserland. Met rond de vijftigduizend wetenschappelijke arbeidsplaatsen ook niet. Bovendien: onze wetenschap is gemakkelijk 1.000 miljard euro waard.

DAAR KOMEN DE BRIC

Wat voor wetenschapslanden zijn de snelst rijzende economieën? Ze komen eraan, maar van heel ver, is de boodschap van steeds meer studies. China telt anderhalve onderzoeker per 1.000 inwoners, Brazilië 0,7 en India nog pas 0,2. Investeringen in onderzoek bedragen, volgens cijfers van de Wereldbank over 2010, in China 1,5 procent, in India 0,8 procent en in Brazilië 1,2 procent van het bruto binnenlands product. In de wetenschapsranglijsten staat China als land internationaal op de 22ste plaats, aldus een recente Finse studie. India bezet positie 29 en Brazilië 31. Nederland staat nog steeds op plaats 3, afgemeten aan het aantal invloedrijke wetenschappelijke publicaties, na de VS en het Verenigd Koninkrijk.

undefined

Meer over