HET MAAKBARE LANDSCHAP

Gaan we in 2020 recreëren in Winschoten aan Zee? Het zand, lange tijd innig gekoesterd, is op z'n retour, het water maakt een glorieuze comeback....

Elke vierkante meter is minstens veertien keer door mensenhanden gegaan, geen hoekje is overgeslagen en alles wat op natuur lijkt, is geen natuur maar cultuur. Het Nederlandse landschap is als een Unvollendete. Altijd op de schop. En dat moet ook wel, want als je het op slot zet, wordt het een groot park. Een park, dat betekent de dood in de pot.

Aan de vooravond van de eeuwwisseling wordt een nieuw hoofdstuk opgeslagen, dat op zijn minst paradoxale trekken vertoont. Het water dat altijd als bedreigend is ervaren, wordt genereus binnengehaald. Nederland ontpoldert, laat stukken uiterwaard onderlopen en graaft gaten (in het zand) waar nooit water is geweest. Terwijl we het land uithollen, spuiten we eilanden op in zee, voor een tweede Maasvlakte of de nieuwste uitbreidingswijk van Amsterdam. En dat allemaal omdat Nederlanders het landschap als een kneedbaar werktuig beschouwen, waar nu eens de boeren het voor het zeggen hebben, en dan weer de natuurbeschermers.

De natuur heeft nu een streepje voor.

Dat is wel eens anders geweest. Natuur, dat was vooral in de naoorlogse jaren een ondergeschoven kindje in het landschap. Als de DAF maar in de berm of aan de rand van de Hoge Veluwe geparkeerd kon worden, was de recreant al tevreden. Want het land was voor de productie. Elke vierkante meter diende te worden benut.

De grond werd gaandeweg zo gerationaliseerd dat het relatief gezien de grootste opbrengst van de Europese Gemeenschap kende. Ooit toonde minister Braks van Landbouw zijn collega uit Australië het land met de verbijsterende toelichting: we zijn net zo'n grootmacht als jullie, op dit kleine postzegeltje wordt net zo'n productie gehaald als in een heel continent.

Pas toen het besef doordrong dat er behalve overproductie ook nog zoiets als een aantrekkelijke leefomgeving nodig was, met ademend groen, werd de natuur bevrijd. Maar wat voor natuur? Zij was bemest en vermoord of lag op de intensive care.

Als we de natuur niet onderhouden, verloedert ze. Heidevelden vergrassen, duinen bestaan bij de gratie van helmgras. Zelfs de wildernis (vroeger op atlassen nog wel aangeduid als woeste grond) is kunstmatig. Drente mag dan doorgaan voor hét ongerepte platteland, geen landschap is na de oorlog zo vaak omgeploegd. De Boschplaat op Terschelling had zich nooit kunnen ontwikkelen tot een flora- en fauna-reservaat als de mens geen stuifdijken had aangelegd. Een oerlandschap? Mooi niet. Maar geen nood. Enkele decennia na de aanleg van de stuifduinen kreeg de Boschplaat desondanks het predikaat Europees natuurgebied.

Terwijl de natuur verkommerde, floreerde het landschap. Landschapsarchitecten roemen de variëteit die nergens ter wereld zo groot is. Doorkruis je vijftig kilometer Nederland, dan passeer je veenweidegebieden, rivieren en uiterwaarden, bossen, plassen, stuwwallen of terpen en allerlei varianten daarop. Kom daar maar eens om in Frankrijk of Duitsland. Saai? Nee, het is eerder té afwisselend. 'Ik ben altijd blij als ik in Frankrijk een uur door hetzelfde landschap kan rijden', zegt stedenbouwkundige Dick Frieling.

Alles is gepland, niks is spontaan in het Nederlandse landschap. Ja, het onkruid dat door de straatstenen schiet. Soms jubelen natuurbeschermers als de spoorbermen onverwachte flora tonen. De mens heeft in ons landschap niets aan het toeval overgelaten. Rivieren zijn gevangen in een corset van dijken, de kustlijn is strakgetrokken, de lagune is een rustig binnenmeer geworden. Waar de stad ophoudt, begint het platteland. Waarom zo rigide? Omdat we koste wat kost geen België wilden worden, rustte er een taboe op lintbebouwing. Vandaar de Hollandse ziekte van puistjes aan ieder dorp, met daarin identieke rijtjeswoningen en overal een Prinses Margrietstraat.

Wij mogen dan af en toe fulmineren tegen de monotonie en schier stalinistische regelgeving die ervoor zorgt dat elke vlek verzekerd is van drie typen scholen, het is juist de ordening die buitenlanders fascineert. Een Amerikaanse architect bezoekt in Nederland, als het even kan, altijd de Afsluitdijk, die ziet hij als dé manier waarop je met een lineaal een streep op de landkaart zet om het water te beteugelen.

De directeur van het Vormgevingsinstituut, van Britse afkomst, vergelijkt Nederland met een woestijn. Hoe langer je naar zo'n hoop zand kijkt, hoe subtieler de verschillen worden. Zo kun je ontdekken dat er bij de aanplant van populieren één boom zowaar een meter uit de rij springt. Ben je in andere landen vooral blij als je iets opgeruimds ziet, hier ben je bezorgd bij de aanblik van troep. Daardoor is Nederland zó uniek dat het anderen jaloers maakt, vooral de Fransen. De Fransen willen hun land boetseren en beheersen zoals Nederlanders dat al eeuwen doen. Dat lukt niet, ze lopen op tegen de schaal en tegen zichzelf.

Over natuur bestaan hardnekkige misverstanden. Als stedelingen zeggen: we gaan de natuur in, dan bedoelen ze het boerenlandschap. Natuur is niet hetzelfde als landschap. Natuur, zo formuleert de Wageningse emeritus-hoogleraar landschapsarchitectuur Meto Vroom, 'is alles wat groeit en bloeit, maar vooral niet volgens menselijke bedoelingen. Natuur en landschap kunnen niet zonder elkaar. Landschap heeft natuur nodig, anders is het geen landschap.'

Romantici hebben altijd gedweept met de natuur, ook al is die niet zo ongerept, zegt sociaal geograaf Rob van Engelsdorp Gastelaars. Het valt hem op dat er de laatste tijd ook een tweedeling tussen 'blauw' en 'groen' is gegroeid. De groene partij, zegt hij, is geïnteresseerd in Ot en Sien-landschappen. Zoals het vroeger was, moet het blijven, met een ooievaar op het nest, en pittoreske klinkerstraatjes. Tegenover het traditionele groen staat de blauwe partij, waartoe voornamelijk technocraten, zoals biologen en ingenieurs, behoren. Zij geven niet zo zeer om de nostalgische als wel om de potentiële schoonheid van het landschap. Welke schatten openbaren zich als de toplaag van de bodem wordt afgegraven? Wat gebeurt er als een gebied aan de oever van de Waal de vrije hand wordt gelaten?

De milieu organisaties bepalen indirect de vorm van het landschap. Hun stem telt als er bijvoorbeeld een hogesnelheidslijn door de Randstad of een natuurontwikkelingsgebied in de uiterwaarden moet worden aangelegd. Dankzij hun bemoeienis is de overheid overtuigd geraakt van het nut van ecologische verbindingszones, die verschillende natuurgebieden aan elkaar koppelen. Het is een groen wegenstelsel voor padden, dassen en muizen, dat pas op langere termijn realiteit zal zijn.

Vroom ergert zich wel eens aan de houding van milieu organisaties. Toen hij als adviseur werd ingeschakeld bij de tracébepaling van de hogesnelheidslijn, eisten natuurbeschermers een ecologische zone, omdat er ooit, in een verre onzekere toekomst rekening moest worden gehouden met overstekende dieren.

Door de nadruk op het milieu is de landbouw meer naar de achtergrond gedrongen. Weliswaar slokt landbouwgrond nog steeds de meeste ruimte op in Nederland (70 procent tegenover bijna 8 procent wonen en 13 procent natuur), maar de boeren worstelen om te overleven. Landbouwgrond wordt onttrokken ten behoeve van de recreatie, wordt in Groningen onder water gezet of in Zuid-Holland bebouwd met het Bentwoud. Ze wordt opgeslokt door de stad en doorsneden door de hogesnelheidslijn.

Belangrijker is dat het platteland als idylle zijn glans heeft verloren. Vuile stad, schoon land - die tegenstelling is verdwenen sinds over de landerijen de plaag van gifgronden, mestoverschotten, zure regen en varkenspest jaagt.

Boeren hebben het niet meer voor het zeggen. Bepaalden ze tot voor twintig jaar nog het aanzien van Nederland, tegenwoordig sluit er elke dag wel een boerenbedrijf en worden de boerenzonen werkloos. Ze missen de toegang tot een belangrijk orgaan als de Landinrichtingsdienst, die sinds kort is omgedoopt tot Dienst Landelijk Gebied. Tot overmaat van ramp is het CDA verdreven uit het landsbestuur.

Vraag je wie de baas is van het land, dan antwoordt stedenbouwkundige Frieling zonder aarzeling: de Rabobank (vroeger Boerenleenbank). 'Die bepaalt hoe het landschap eruitziet en doet dat volgens mij nog zorvuldig ook. Als iemand belang heeft bij duurzame landbouw is het wel de bank, want het land en het huis, dat zijn de bronnen van inkomsten, dat is de financiële zekerheid van de boer.'

In financiële zin mag de Rabobank een grote vinger in de pap hebben, politiek gezien zijn de provincies de baas. Zij bepalen het aanzicht van het platteland met groenstructuren, recreatiegebieden en landbouwpercelen. Nadat het rijk de grote lijnen heeft aangegeven. Nog niet zo lang geleden liep er een strikte scheiding tussen snelweg en ommeland. Daaraan kon je zien waar Rijkswaterstaat het voor het zeggen had en waar de provincie. De grens is aan het vervagen. Tegenwoordig bepaalt een groep deskundigen van provincie en waterstaat hoe de strook langs de weg eruitziet.

Hoe staat het met de landbouw, nu het zo goed gaat met de natuur? Begin jaren zeventig waarschuwde de Club van Rome voor de catastrofe die de wereld stond te wachten als de economische groei niet krachtig werd beteugeld. Dat was het begin van het einde van de hegemonie van de landbouw. Daarvoor had Nederland driftig ruilverkaveld om de efficiency te vergroten en was uitgegroeid tot dé voedselleverancier (Frau Antje) van de Europese Gemeenschap. De kracht van Nederland was een spotgoedkoop voedselpakket, zo omvangrijk dat een eventuele hongersnood buiten de deur kon worden gehouden. Maar wat we inleverden, was ons landschap. De bonte leefomgeving van weleer, met een potpourri van kaasboerderijen, gemengde bedrijven en keuterboeren. Dat had plaatsgemaakt voor een grootschalige agro-industrie. Tuinderijen waren geruisloos kassensteden geworden.

Groot, groter, mega. Het tij keert, voorspelt Dirk Sijmons, als landschapsarchitect lid van menige commissie en op zijn vakgebied opinion leader. Graan zal wel verdwijnen naar Noord-Frankrijk, en de melkveehouderijen gaan op in mega-stallen met koeien die nooit meer een grasspriet zullen zien. Als er nog ergens een koe in het wild graast, is die gesubsidieerd. Terwijl het landschap, opnieuw vanwege die zo hoog mogelijke productie, uniform is gemaakt, zou er volgens Sijmons in de toekomst juist per kavel gedifferentieerd moeten worden. Hoe meer variatie, hoe lucratiever er 'geboerd' kan worden. Daarin zit volgens hem ook de ruimtelijke opgave.

Als de contrasten een kans krijgen, keert ook de levendigheid terug. Dat de verlaging van het grondwaterpeil de weidevogels verdreef, was misschien dertig jaar geleden een noodzakelijk kwaad. Tegenwoordig wordt dat effect niet automatisch geaccepteerd. Sijmons weet nog hoe tot voor kort over de natuur werd gedacht. Tot eind jaren zeventig bereikten het ministerie waar hij werkte, louter jobstijdingen: de laatste vlinder op de Lemelerberg, verdwenen plantensoorten. Er was, zegt hij, geen eer aan te behalen. Totdat ergens in een uithoek van Flevoland, in het diepste stuk van de polder, dat nog steeds niet was drooggevallen, het wonder zich voltrok. Het daar geplande industriegebied Lage Vaart 2 gaf een teken van leven. Daar trad, zegt Sijmons, de natuur op als kraakbeweging. 'Plotseling ontdekte men dat er onder ieder landschap een prinses lag die alleen maar wakker gekust hoefde te worden.'

De Oostvaardersplassen als breekijzer in het denken over de natuur in dit kunstmatige, vormgegeven land. Was natuurbescherming tot dusver al blij dat de kievit in de wei werd geduld, hier werd het bewijs geleverd dat natuur ook afgedwongen kon worden. Als je maar een gunstige biotoop creëert, de combinatie van moeras, vrije vegetatie en heckrunderen die het gras kort houden. In de Oostvaardersplassen mogen de kadavers blijven liggen, vijf kilometer oostwaarts moeten ze worden opgeruimd. Veel boeren begrijpen dat niet, maar hun stem klinkt zachter en zachter.

Inmiddels geniet de opvatting dat je agressief moet optreden om het milieu te stimuleren, brede steun. Het was nota bene minister Kroes van Verkeer die destijds voorstelde stukken langs de rivier onder water te zetten om het oeverlandschap te verlevendigen. Dankzij het Wereld Natuur Fonds bestaat er nu een kralensnoer van zogeheten natuurontwikkelingsgebieden, waar de mens met tegenzin geduld wordt. Bij de Oostvaardersplassen staat een bordje dat zelfs de bevoorrechten van Staatsbosbeheer op afstand houdt.

Oud-hoogleraar Vroom is ronduit sceptisch. 'Ik vind dat men doorgeslagen is. Het streven naar meer natuur, biodiversiteit heet dat dan, heeft natuurlijk iets nobels, maar het is tegelijk plaatsvervangend religieus. Omdat vossen in de uiterwaarden niet meer mogen worden afgeschoten, worden de zwanennesten uitgeroeid. De geest is uit de fles, vrees ik. Over het algemeen zijn het te grote, kunstmatige ingrepen, die geen respect tonen voor de cultuurhistorie. Eerst hebben we het water uitgebannen, en nu halen we het weer binnen'

Nederland heeft een haat-liefde-verhouding tot het water. De geschiedenis laat een aaneenschakeling zien van inpolderen, ontwateren, vervenen, plassen maken, weer onder water zetten. Zoals het de Nederlander uitkomt, gebruikt hij het water. Dat is noodzakelijker dan ooit, voorspelt stedenbouwkundige Frieling. Na het gladstrijken van de kustlijn is binnenslands alles zoet gemaakt, ingepolderd en ontwaterd. Dat is als het klei betreft niet erg, maar veen klinkt in. Frielings doemscenario: 'Je blijft malen en het zakt steeds dieper, dus is het tempo waarmee we onszelf de put inmalen veel hoger dan de zeespiegel rijst.'

Dat het water een herkansing krijgt in Holland, waar het ooit is weggemalen, is nog wel logisch, maar waar het nooit deel uitgemaakt heeft van het landschap, zoals in Noord-Brabant, wekt het bevreemding. Daar worden her en der kunstmatige meren aangelegd om de recreatieve behoefte aan een surfplank op de steiger te bevredigen.

En niet alleen in Brabant. Onlangs stond Frieling aan het net voltooide Goese Meer, waar de witte villaatjes zijn uitgerust met een natte voordeur. 'Kennelijk zijn we technisch in staat overal een gat te graven, maar het komt in de hoofden van de politici niet op dat een quasi-Rivièra in Goes ronduit raar is. Schaamt u zich niet een beetje, zou ik tot zo'n gemeentebestuur willen zeggen.'

Dat je de natuur een kontje geeft met behulp van water is een betrekkelijk nieuwe gedachte, die vooral wordt gevoed door angst. Angst voor bebouwing. Waar water is, kan niet worden gebouwd. Althans niet gemakkelijk. En alleen natuur kan de stad een halt toeroepen. Ook al is 13 procent van het land met steden of dorpen bebouwd, toch heeft de Nederlander het idee dat het land vol is. Nederland is geen dichtbevolkt land, maar een dunbevolkte stad, definieert Frieling.

Water, zo menen de landschapsinrichters, kan dat benauwde landschap opentrekken, en dat niet alleen, het kan een achtergestelde regio als Groningen ineens aantrekkelijk maken. Om te voorkomen dat de recreanten naar Toscane of de Ardèche vertrekken, krijgen ze nu ook een alternatief in het noorden. Als alle plannen werkelijkheid worden, verandert Groningen van een kleiig boerenland in een merengebied dat maar liefst een kwart van de oppervlakte inneemt. Winschoten aan Zee, het zou het beeld anno 2020 kunnen zijn.

Sociaal-geograaf Van Engelsdorp Gastelaars denkt dat deze recreatieve ontwikkeling recht doet aan het Nederlandse landschap. 'Nederland vindt zand mooier dan nat. Toen we eind vorige eeuw gingen suburbaniseren, bouwden we de mooiste villadorpen op het zand. Aerdenhout, Blaricum, Baarn. En ook daarbuiten gold het romantische beeld van een zanddorp als ideaal. Dus zag je in Heerhugowaard kronkelweggetjes, maar eenmaal aan de rand: dzjaiing, daar lag weer het land met zijn keiharde verkaveling.'

De oude norm van zand is mooi, nat niet, heeft zijn langste tijd gehad. Duitsers komen op het water af, niet op het zand, en als Nederlanders even doorrijden zien ze in het Teutoburgerwoud of in de Ardennen een veel spectaculairdere natuur dan op de Hoge Veluwe. Het is denkbaar dat we over 25 jaar de Veluwe gaan bebouwen, terwijl we het rivierengebied gaan koesteren, zegt Gastelaars. Eindelijk wordt de emancipatie van de delta, die uniek is voor Europa, bekroond.

Nederland is nog lang niet klaar. Sterker: eigenlijk beginnen we weer van voren af aan. De beken die eerst waren gekanaliseerd, mogen nu weer slingeren; de harde walkanten worden glooiend en natuurlijk gemaakt. We zakken terug in het moeras waar we ons eindelijk hadden uitgevochten.

Jaap Huisman

Meer over