Het licht in de arm van Rebekah Chen-Josephson

Met zijn deze week verschenen boek Jews/America/ A Representation stelt de fotograaf Frédéric Brenner een daad van provocerende ernst. Hij portretteerde joodse vertegenwoordigers van het Amerikaanse openbare leven, en zocht sporen van de joodse cultuur op straat....

LANG GELEDEN, het begrip politieke correctheid moest nog worden uitgevonden, schreef Philip Roth een stuk met de titel 'Writing About Jews'. Hij vroeg zich af - het was 1963 - waarom hij er zo vaak van werd beschuldigd dat hij zijn joodse personages zo weinig flatteus behandelde. Onder meer was hem van rabbinale zijde verweten dat zijn werk een verwrongen beeld gaf van de joodse cultuur. Sommige lezers hadden hem zelfs een uitgesproken antisemiet genoemd.

Roth had een verhaal gepubliceerd waarin de hoofdpersoon overspel pleegt met zijn buurvrouw. Kort daarop had hij een laaiende brief gekregen van een lezer uit Detroit, met de vraag of het plegen van overspel soms 'een typisch joodse eigenschap' was. 'Heeft iemand dat dan beweerd?', was Roths reactie. Je vraagt toch ook niet of Anna Karenina, wanneer ze overspel pleegt met Vronski, een typisch Russische karaktertrek vertegenwoordigt?

Ziedaar, in haar meest kernachtige gedaante, de absurde reflexbeweging waarmee weergave onmiddellijk kan worden uitgelegd als typering. 'Een jood is een jood, zoals een tafel een tafel is', heeft Isaiah Berlin opgemerkt, maar anders dan bij uitspraken over tafels, lijkt zelfs de meest neutrale of voorzichtige uitspraak over het jodendom een racistische interpretatie niet uit te sluiten. Het logische onderscheid tussen uitspraak en oordeel kan vrijwel moeiteloos worden opgeheven: jood of niet-jood, iedereen voelt zich vroeg of laat een potentiële handlanger. Zelfs als men op zo'n superieure manier onafhankelijk kan blijven als Philip Roth, wordt men in de verdediging gedwongen. Heeft iemand dat dan beweerd? Ja, dat heeft iemand ooit beweerd.

Het is te danken aan de literaire verbeeldingskracht van schrijvers als Roth dat de echo van de averechtse conclusies voor een belangrijk deel is verstomd. Wie de roman Sabbath's Theater, van ruim een jaar geleden, vergelijkt met dat verhaal uit begin jaren zestig, kan moeilijk tot een andere conclusie komen dan dat die verontwaardigde lezer uit Detroit ('en velen met hem') zijn bezwaren heeft ingeslikt: wat men ook van het boek vindt, het blijft een bewijs van een gigantische emancipatie, een vooruitgang waardoor joodse personages al lang geen speciale behandeling meer behoeven. Althans, zo lijkt het.

Zo lijkt het, want buiten de literatuur gelden nog altijd heel andere regels.

Deze week verscheen in Amerika een boek waarvan je je eerst nauwelijks realiseert hoe bijzonder het is. Zo verging het mij tenminste: een vertraagd doorgegeven reactie die eerst nog een paar minuten in een soort vestibule van het bewustzijn blijft liggen, om dan plotseling met de kracht van een kogel door te dringen - in de trant van: verdomd, iemand is op het idee gekomen en heeft het ook nog uitgevoerd. Tegen alle conventies in. Tegen alle regels en tegen alle beperkingen in. En: tegen het beeldverbod. Het boek heet Jews/America/A Representation en het is gemaakt door de Franse fotograaf Frédéric Brenner.

Het beeldverbod. Exodus 20: 4: 'Ge zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in den hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is.' De foto's van Brenner zijn alleen te bevatten in hun openlijke clandestiene hoedanigheid, als inbreuk op het tweede gebod van het Judaïsme. En het feit dat Brenners verzameling als representatie is bedoeld, en dat het tot in de titel van zijn boek wordt aangekondigd, moet in eerste aanleg worden gezien als een daad van provocerende ernst.

Joodse fotoreportages (fotoreportages door joden en van joden) bestaan niet. Er is één markante uitzondering: de foto's die Roman Vishniac tussen 1934 en 1939 heeft gemaakt in Oost-Europa, maar het is veelzeggend dat die allemaal met een verborgen camera en met uiterst primitieve technische middelen zijn geregistreerd. Frédéric Brenner is de eerste fotograaf die het heeft aangedurfd in alle openheid een beeld te maken - in alle openheid, dat wil zeggen: met het risico dat het resultaat ook als een stereotiepe versie van de joodse cultuur kan worden uitgelegd. Of als een racistische.

In een cultuur waarin het beeld ondergeschikt is aan het woord, is een dergelijke onderneming uitsluitend uitvoerbaar als tegelijkertijd een krachtig pleidooi wordt gevoerd voor de fotografie zelf. Brenner stond voor de taak het idioom van de fotografie te verruimen, daar waar haast alle fotografen voortdurend kampen met de vrees dat 'alles al eens gedaan is' en dat het medium vooral wordt beheerst door zijn beperkingen. Dat lijkt een opgave die grenst aan het onmogelijke.

Brenners boek valt uiteen in drie onderdelen: een verzameling van 26 met een panoramacamera gecomponeerde 'scènes', een reeks portretten van joodse vertegenwoordigers van het Amerikaanse openbare leven, en 731 op 6x6-formaat geregistreerde bewijzen van joodse aanwezigheid in het Amerikaanse straatbeeld en de dagelijkse werkelijkheid. De drang naar volledigheid is gecombineerd met een even verbazingwekkend als vindingrijk vermogen het beeld te manipuleren, het tot drager van verborgen betekenissen te maken.

Het eerste, geënsceneerde beeld verwijst al direct naar het joodse beeldverbod, al is het maar doordat het is opgenomen in een drooggevallen zwembad - 'in de wateren onder de aarde'. Te zien zijn 49 deelnemers aan een singles weekend, in een hotel in een voorstad van New York. Behalve een regelrechte ontkenning van de gedachte dat er zoiets bestaat als een typisch joods uiterlijk, is het beeld een schitterend symbool van ballingschap en een strijdvaardige, door individuen gedragen cultuur: het is geen groepsportret, het is een beginselverklaring.

De tweede foto (je moet twee keer kijken voordat je de Velazquez-achtige constructie begrijpt) is gemaakt in het appartement van een joods-Chinese familie aan de Upper East Side. Ook hier: een subtiele nuancering van een op de loer liggend cliché, en tegelijkertijd een beeld dat de kijker volledig verovert. Tientallen keren kun je het boek doorbladeren, en even zo vaak blijft het oog haken aan het Chinese beeldhouwwerk, aan het raam met uitzicht op de tuin, aan de dubbele aanwezigheid van Rebekah Chen-Josephson, haar onpeilbare blik, de glans van haar linkerbovenarm - alsof deze inwendig verlicht is - en haar gestalte in de spiegel. Zonder iets letterlijk uit te drukken, zonder te verwijzen naar een afgebakende context, is het een beeld dat meer dan duizend woorden samenvat.

De derde foto toont de deelnemers aan de Soekot, het Loofhuttenfeest, op de enigszins onwaarschijnlijke locatie van het dak van een New Yorkse wolkenkrabber. Op de achtergrond het Empire State Building, rechts de soeka, het tijdelijke bouwsel van riet en bladeren dat verwijst naar het verblijf in de woestijn. Krankzinniger architectonisch contrast is bijna niet denkbaar, maar de liefdevolle registratie van het ritueel en de grijze lucht boven New York leveren een perfect symbool van wat de joodse historicus Irving Howe heeft aangeduid als America and the life they found and made.

Dan de vierde foto. In 1994 gemaakt op Miami Beach, ter gelegenheid van een conventie van de Harley-Davidson-vereniging. Ik weet niet of er een nog intelligentere manier is te verzinnen om de diverse lagen van de realiteit aan elkaar te verbinden, maar het document dat Brenner heeft gemaakt is in zoverre een unicum dat geen andere fotograaf op hetzelfde idee is gekomen. Vier keer achter elkaar een foto, vier keer een klap in het gezicht van de toeschouwer, vier keer het gevoel dat er iets is waargenomen, gerepresenteerd is, losgesneden uit een realiteit die onder normale omstandigheden niet zichtbaar is.

Zo gaat het het hele boek door, nauwgezet en vastberaden. In de inleiding van het boek, geschreven door de historicus Simon Schama, wordt de ogenschijnlijk montere toonzetting van Brenners werk besproken tegen de achtergrond van de 'impossibility of adequate recollection', de onmogelijkheid om de Holocaust te verbeelden. Meer nog dan het orthodoxe beeldverbod, is het het vacuüm in de verbeelding dat ervoor zorgt dat elke weergave van het alledaagse, van het gewone en het geaccepteerde, tegelijk symbool is voor wat ontbreekt. Dat vacuüm is niet weggeplamuurd, noch wordt er doelbewust naar verwezen: het is er voor wie het herkent, zonder dat het speciaal moet worden genoemd. En daardoor is het des te heviger aanwezig.

Ik sla nu ruim zeshonderd foto's over. De zeshonderdzestigste foto uit het derde deel van het boek, de inventaris van de joodse sporen in de Amerikaanse samenleving, is gemaakt in de ondergrondse van New York. Het betreft een affiche waarop een lasertechniek wordt aangeprezen. De tekst: 'TIRED OF THAT TATTOO? Get RID OF IT with Dr. Zimmer's New LASER TREATMENT.'

En er zijn twee mogelijkheden: of je blijft onverschillig, of de tranen springen in je ogen.

Even is het licht aangeknipt. Het licht in de onbeschadigde arm van Rebekah Chen-Josephson.

Inmiddels is één ding zeker: Roman Vishniac heeft de meest humane, meest bevrijdende navolger gekregen die hij zich had kunnen wensen. Brenners foto's geven de zekerheid dat er vooralsnog geen nieuwe beelden hoeven te worden gemaakt. Er is een nieuwe inhoud gegeven aan het begrip document.

Frédéric Brenner: Jews/America/A Representation. Met een inleidend essay van Simon Schama. Harry N. Abrams, import Harry N. Abrams, ¿ 149,-.

Meer over