Het leven van vetje, giebel en blauwneus

Altijd leuk als een broodje-aap-verhaal wordt doorgeprikt. Hoe vaak hebben we niet gelezen dat vroeger langs de grote rivieren dienstbodes werden geworven met de toezegging dat ze niet vaker dan twee keer per week zalm hoefden te eten?...

Zalm is nooit volksvoedsel geweest. In 1916 kostte een kilo elft 1,44 gulden en een kilo zalm 6,53 gulden. Trouwens: het verhaal werd al in 1654 (!) in een geschiedenisboek vermeld en soortgelijke verhalen doen ook de ronde in Duitsland, Frankrijk en Engeland.

Het is een van de vele wetenswaardigheden die De Nie opdient in deze atlas, die de pretentie heeft van een standaardwerk. In de atlas worden alle 45 vissoorten beschreven die in de Nederlandse zoete wateren voorkomen. Daarbij ligt de nadruk op de verspreiding: welke soorten zijn algemeen, welke zeldzaam, welke gaan voor- of achteruit en welke komen niet meer in Nederland voor.

De atlas is gebaseerd op meer dan 110 duizend waarnemingen. Er is enkele jaren aan gewerkt en er is zelfs een aparte stichting voor opgericht die een subsidie kreeg van het ministerie van LNV.

Na de vogels, de amfibieën en reptielen, en de zoogdieren zijn nu dus ook de zoetwatervissen grondig geïnventariseerd en in kaart gebracht. Iedereen kan nu kennis nemen van voor velen onbekende soorten als elrits, vetje, fint, giebel (wilde goudvis), serpeling, rivierdonderpad, gestippelde alver, elft, riviergrondel, barbeel, bermpje en kleine modderkruiper.

De Nie heeft zijn werk grondig gedaan, al zitten er redactionele slordigheden in het werk (het universiteit, het stichting) die storend zijn, zeker in een boek dat vaak als naslagwerk zal worden geraadpleegd. De soortenbeschrijvingen worden voorafgegaan door enkele (korte) hoofdstukken over de biotoop van vissen. De atlas voorziet in een behoefte omdat er over vissen veel minder bekend is dan over meer aaibare groepen als zoogdieren en vogels.

Bij het bestuderen van de atlas balanceert de lezer voortdurend tussen twee gevoelens: voldoening en verontwaardiging. Er is voldoening, omdat uit de atlas overduidelijk blijkt dat de strijd tegen de watervervuiling resultaat heeft. Vooral de waterkwaliteit in de grote rivieren (de Rijn en in mindere mate de Maas) is de laatste decennia aanzienlijk beter geworden. Dat heeft gevolgen voor de vissen. Met diverse bedreigde soorten gaat het een stuk beter dan tien jaar geleden.

Hoewel De Nie over de oorzaken een slag om de arm houdt, lijkt het geen toeval dat bijvoorbeeld de gestippelde alver (een soort in snelstromende kleine rivieren en beken) sinds vorig jaar weer in Limburg is opgedoken. Ook andere soorten nemen in aantal toe: zeeprik, rivierprik, grote marene, riviergrondel, kopvoorn, serpeling en kleine modderkruiper. Schoner water is ongetwijfeld een factor in deze uitbreiding.

Maar dat verschijnsel kan ook andere oorzaken hebben, waarschuwt De Nie. In vergelijking met planten, zoogdieren, vogels en paddestoelen is er aan vissen weinig wetenschappelijk onderzoek gedaan. De aanwezigheid van soorten kan systematisch zijn onderschat, eenvoudig omdat ze nooit door biologen zijn waargenomen.

De laatste jaren hebben enkele nieuwe soorten hun entree in Nederland gemaakt: blauwneus, roofblei en blauwband bijvoorbeeld. Dat heeft misschien voor een deel te maken met het nieuwe kanaal tussen de Rijn en de Donau. Maar er kan ook een andere oorzaak zijn. Misschien zijn deze soorten, net als de gestippelde alver, uit Frankrijk, Duitsland en België naar Nederland gespoeld met de hoge waterstanden van eind 1993 en begin 1995.

Tegenover de voldoening staat de verontwaardiging. Er gaan nog steeds soorten achteruit omdat hun leefgebied drastisch is aangetast. Voor soorten als zalm, steur, elft, fint en elrits lijkt terugkeer in Nederland voorlopig nog niet aan de orde. Ze hebben hier niets meer te zoeken. Over de fint schrijft De Nie bijvoorbeeld: 'Zolang echter luwteplaatsen ontbreken met grindbanken en merkbaar getij, blijft de terugkeer van de fint als zichzelf in stand houdende populatie een illusie.'

Wat er sinds de jaren vijftig in Nederland op grote schaal met het landschap is gebeurd, wordt in de atlas prachtig in beeld gebracht op twee foto's van de Nederwoudse Beek bij Renswoude. Op de eerste foto, uit 1956, zie je een kronkelende beek met zacht hellende, rijk begroeide oevers. De tweede foto uit 1971 laat een rechte vaart zien met steile oevers met aan de ene kant paaltjes met prikkeldraad en aan de andere kant een rechte rij bomen. Op deze manier zijn honderden kilometers beken en vaarten genormaliseerd.

Hoe groot het daardoor ontstane verlies is, blijkt uit een speciale aflevering van het Natuurhistorisch Maandblad van het Natuurhistorisch Genootschap Limburg, waarin de Limburgse visfauna in kaart is gebracht. Deze inventarisatie is gemaakt ten behoeve van de atlas. In een artikel wordt beschreven hoe twintig vrijwilligers in twee weekeinden de visfauna in 31 merendeels rechtgetrokken beken in noord-Limburg onderzochten. In vijf beken werd geen enkele vis aangetroffen.

De Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij (OVB) die aan de atlas heeft meegewerkt, heeft de afgelopen jaren 363 beektrajecten onderzocht of ze geschikt zijn voor zalmachtigen, trekvissen bij uitstek. Het resultaat is alarmerend: slechts zes van deze trajecten bleken geschikt voor een zalmachtige als de beekforel. En voor de zalm zelf, die grote afstanden aflegt, zijn stuwen in beken onoverkomelijke hindernissen.

Maar een soort als de beekprik heeft aan een geschikte beek van drie kilometer genoeg voor zijn hele leven. Zulke soorten kunnen dan ook veel baat hebben bij de hier en daar op gang komende projecten om rechte beken weer als vanouds te laten meanderen. En ze zijn ook gebaat bij plannen voor natuurlijker rivieroevers. Dat is niet alleen voor vissen van belang.

De Nie wijst erop dat een soort als de kroeskarper thuis hoort in een biotoop waar ook bedreigde vogels als roerdomp, wouwaapje en kwak kunnen broeden. 'Zowel deze moerasvogels als de kroeskarpers hebben belang bij het ecologisch herstel van rivieren waarbij oude meanders, nevengeulen en moerasbossen weer in contact met de rivier worden gebracht.'

Ook de bittervoorn, een kleine voorn, leeft in zo'n omgeving. Die heeft mosselen op de bodem nodig om zich voort te planten. Het vrouwtje legt het kuit via een legbuis door de kieuwopening in de mossel. Het sperma van het mannetje wordt door de mossel naar binnen gezogen, waarna de mossel als een soort draagmoeder fungeert voor de eieren. Als tegenprestatie verspreidt de bittervoorn de larven van de mossel. Die hechten zich aan de vinnen van de vis en komen zo elders in het water terecht.

Piet van Seeters

Hendrik W. de Nie: Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen

Media Publishing Int; ¿ 39,95

ISBN 90 801413-5-6

Meer over