Het leven getekend

Dit weekend worden in Haarlem voor de tiende keer de Stripdagen gehouden. In het wild te bewonderen zijn dan onder anderen drie vrouwelijke tekenaars die generatiegenoten zijn én alle drie autobiografische strips tekenen: Gerrie Hondius (‘Ik doe het als ademen, bij wijze van spreken’), Maaike Hartjes (‘Het is er vanzelf...

‘De ellende van vrouwenstrips is dat ze zo autobiografisch zijn’, stelt Gerrie Hondius (39) op de achterflap van haar stripbundel Als je je niks verbeeldt dan ben je ook niks (2000). ‘En dat ik zo’n KUTleven heb!’

In haar strips schuwt Hondius geen onderwerp uit haar bestaan: haar zoektocht naar de liefde (inclusief treurig stemmende onenightstands), de dood van haar moeder, haar verkrachting, haar hang naar het spirituele, maar ook de aanschaf van een kapstok via Marktplaats en de conversaties met haar depressieve konijn.

Haar bekendste stripheldin is Ansje Tweedehansje, die twaalf jaar lang in Opzij stond, en verder publiceerde ze onder meer Pindakaas (2003), het Volkskrant-stripfeuilleton Nurks Konijn (2009) en Ik ben God (2009), waarin ze constateert dat niet alleen het anagram ‘groen huisdier’ van de naam Gerrie Hondius valt te maken, maar ook ‘God is er. Hier. Nu.’

Hondius zingt en dicht ook en publiceerde vorige week haar eerste prozawerk: Ik ontmoette een man, een bundel met 120 korte verhalen over de mannen in haar leven.

Hoe word je striptekenaar? ‘Ik was niet een kind dat stripbeurzen afstruinde, zoals collega-striptekenaars als kind deden, of dat hardop verklaarde: ‘Ik wil striptekenaar worden.’ Het kwam niet in me op. Wel tekende ik altijd al strips, maar ik ben gewoon theaterwetenschappen gaan studeren. Totdat ik een bijbaantje had om die studie te bekostigen dat zo veel tijd opslokte dat ik geen strips meer kon maken, terwijl ik dát wilde, en met die studie eigenlijk helemaal niks. Toen dacht ik: hier klopt iets niet. Ik ben met mijn studie gestopt en met Ansje Tweedehansje naar Opzij gestapt. Meteen maar het hoogst haalbare, dacht ik. Nou ja, en toen was ik het, striptekenaar.’

Kun je ervan leven? ‘Jahaa. Als ik er tijd voor vind, laat ik er nog eens een T-shirt van maken dat ik bijvoorbeeld tijdens de Stripdagen aantrek: ‘Ja, ik kan ervan leven!’ Niet dat mijn boeken zo veel opleveren. Ze krijgen wel aandacht en goede kritieken, maar ze worden slecht verkocht. Ik verdien mijn brood met opdrachten voor het bedrijfsleven – dingen als sneltekenen en -dichten op congressen –, met illustraties in opdracht en met de schilderijen die ik maak.’

Waarom werk je autobiografisch? ‘Ik ben een dagboekenschrijver, altijd geweest. En ik teken graag, dus het was een voor de hand liggende combinatie. Ik doe het als ademen, bij wijze van spreken, het gaat vanzelf. Eigenlijk kende ik helemaal geen andere autobiografische strips toen ik ermee begon. Roberta Gregory van Bitchy Bitch, Ellen Forney en Aline Kominsky, de vrouw van striptekenaar Robert Crumb; nu ken ik ze, maar toen had ik ze nog niet ontdekt. Ik weet nog wel dat het eerste boek van Barbara Stok uitkwam toen ik aan míjn debuut zat te werken Daar baalde ik ontzettend van. Ik dacht echt dat ik het wiel uitvond.’

Is het typisch vrouwelijk, de autobiografische strip? ‘Nou ja, kijk, je hebt natuurlijk ook mannen die autobiografisch werken, zoals Peter Pontiac en Michiel van de Pol. Maar als je in Nederland honderd mensen hebt die van het striptekenen kunnen leven, onder wie vijf vrouwen, en die vrouwen werken allemaal autobiografisch, is dat dan toeval? Ik denk het niet. Kijk naar vrouwenbladen. Die gaan over de huizen waarin andere vrouwen wonen, de recepten die andere vrouwen koken, de kleren die andere vrouwen dragen. Vrouwen hebben genoeg aan het dagelijkse leven, en ze willen weten hoe andere vrouwen dat doen. Mannen willen grootse dromen najagen, buffels neerslaan of in ruimteschepen zitten, en dat zie je ook in hun stripboeken terug. Ik vind wat dichtbij is het boeiendst.’

Wat is het persoonlijkste dat je in je strips hebt verwerkt? ‘O jee, veel. Mijn verkrachting, toen ik 17 was. De dood van mijn moeder. Mijn voorlaatste boek, Ik ben God, is een soort geloofsbelijdenis. Dat is ook wel heel intiem. Ik zeg weleens dat ik op papier een exhibitionist ben. Gek is dat, want ik ben in het dagelijks leven nogal preuts en helemaal niet zo’n prater. Die verkrachting bijvoorbeeld, ben ik eerst gaan tekenen, twaalf jaar na dato. Hoewel, nu twijfel ik. Ik zal het toch wel aan íemand verteld hebben?’

Moet je een kutleven hebben om er goeie strips over te kunnen maken? ‘Gelukkige perioden komen nauwelijks in mijn boeken terecht. Te saai. Ja dus, het is niet fijn om te bekennen, maar aan drama heb je meer. Al tijdens het gesprek waarin mijn vriend het uitmaakt heb ik de neiging om onze dialoog te registreren, omdat ik dan denk: hier gebeurt het, dit is het gesprek waar een strip van komt. Maar ach, alles is materiaal. Je hoeft alleen maar te leven. En dan gebeurt er van alles, meestal niet wat je hoopte – maar dat komt dan weer goed uit.’

Wat was een dieptepunt uit je carrière als striptekenaar en wat een voorlopig hoogtepunt? ‘Een dieptepunt was dat Ansje Tweedehansje eruit werd geschopt bij Opzij. Dat heeft zíj weer. Een hoogtepunt was mijn debuut als striptekenaar. Het verschijnen van mijn eerste boek. Ik had het idee dat toen mijn leven begon.’

Toen ze 17 was tekende Maaike Hartjes (37) tijdens een les op de middelbare school een stripje met een ‘toekomstvoorspelling voor 2010’. In dat stripje zijn haar klasgenoten archeoloog in Egypte geworden, het Zwanenmeer gaan dansen of Hollywoodfilms gaan maken, terwijl het stripfiguurtje dat Maaike is – ‘zucht’ – achter haar tekentafel schuift omdat ze ‘nog steeds strips tekent, ja’.

Hartjes tekende jarenlang een autobiografische strip voor Viva, die gebundeld werd in onder meer Hartenjagen en Zo lief ben je nou ook weer niet! Met een collega richtte ze een eigen stripstudio op, De Zwarte Handel in Amsterdam. Ook initieerde ze Old Cake Comix, met strips van vrouwelijke tekenaars, en NuKomix.nl, een collectief van stripmakers. Hartjes woont samen met striptekenaar Mark Hendriks, met wie ze in 2008 het Hong Kong Dagboek maakte, over hun reis naar Hongkong. Net verschenen is Donker, over haar verblijf in Zuid-Afrika.

Hoe word je striptekenaar? ‘Ik tekende mijn eerste stripje op de kleuterschool en zei vanaf toen: ‘Later wil ik striptekenaar worden.’ Toch heb ik een jaartje wiskunde gestudeerd. Ik zat op het gymnasium, had een wiskundeknobbel, dus het lag voor de hand. Maar tijdens dat jaar kwam ik erachter dat ik voornamelijk wilde tekenen. Toen ben ik naar de kunstacademie gegaan. Ik was 25 toen ik afstudeerde, 27 toen ik bij Viva begon en vanaf dat moment kon ik ervan leven. Nu nog steeds, al mis ik het basisinkomen dat ik bij Viva verdiende sinds de strip daar vorig jaar is gestopt. Van mijn boeken worden gemiddeld tweeduizend exemplaren verkocht, daar houd je een paar honderd euro aan over. De rest verdien ik met zakelijke evenementen. Ik zit dan bij congressen of vergaderingen en teken ter plekke cartoons over ict of over een reorganisatie. Daar ben ik goed in. Ik doe het ongeveer één keer per week. Het is intensief werk, je moet het niet te vaak doen.’

Welke strips las je als kind? ‘Donald Duck en Suske en Wiske. Mijn eerste stripjes waren Suske en Wiske-achtig, maar ik ging al snel over mezelf tekenen. De hoofdpersoon was weliswaar een prinsesje, maar die ging kamperen, naar het zwembad, uit eten. Allemaal dingen die ik net zelf had gedaan.’

Waarom werk je autobiografisch? ‘Dat is er vanzelf ingeslopen. Toen ik opgroeide, kende ik twee soorten strips. Karikaturaal en komisch, zoals de Smurfen, en de realistisch getekende avonturenstrip, zoals Thorgal. Toen ik een jaar of 16 was, ben ik dat laatste ook gaan doen: ik tekende fantasy over een meisje dat met draken vocht. Maar daarnaast bleef ik altijd stripjes maken over mijn leven. Kleine verhaaltjes met simpele poppetjes, gewoon, over wat ik meemaakte. Die vond iedereen die ze las veel interessanter. Het was een nieuw genre. Ik kende het nog niet, althans.’

Kun je goed tekenen? ‘Wat is de definitie van goed? Mijn strips zijn niet mooi of indrukwekkend. ‘Zij kan niet tekenen’, was een jaar of tien geleden de kritiek van oudere, traditionele striptekenaars die klaagden dat het vak verloren zou gaan. Ik was zo klaar met dat gezeur dat ik een realistische strip heb gemaakt om te bewijzen dat ik het kon. Maar ik ben er snel mee gestopt. Ik vond het saai.’

Welke striptekenaars bewonder je? ‘Ik lees de laatste tijd graag manga, Japanse strips. Vijf jaar geleden ging ik voor het eerst naar Japan en sindsdien ben ik vijf keer terug geweest, zo fascinerend vind ik dat land. Ze maken er alles zo mooi. Alleen het eten al: wij hebben stamppot, zij hebben sushi.

Manga’s las ik voordien niet. Ik dacht net als de meeste mensen dat ze voornamelijk gaan over seks en geweld. Maar manga in Japan is als televisie in Nederland: je hebt allerlei soorten en genres. Je hebt ze voor pubers, voor mannen, voor vrouwen, over koken of wijnproeven en wat al niet. Mijn favoriet is Nana, een soort soap over een band.

In Nederland is de stripmarkt vooral op mannen gericht. Ik las ze vroeger ook altijd, die avonturenstrips waarin vrouwen in bikini door de sneeuw rennen. Dat nam je voor lief, ik was al blij dat er een vrouw in voorkwam. In Japan is het aanbod diverser. Opeens stuitte ik op strips voor vrouwen, met allemaal mooie mannen erin. Ik heb me verdorie jarenlang moeten behelpen!’

Is de autobiografische strip typisch vrouwelijk? ‘Niet meer. Kijk naar de manga: volop vrouwelijke striptekenaars die fantasy tekenen of wegdroomstrips. En andersom zijn er genoeg mannen die strips over hun leven maken. Michiel van der Pol en Floor de Goede bijvoorbeeld, al zijn die wel door Gerrie, Barbara en mij geïnspireerd.’

Wat is het persoonlijkste dat ooit in een strip van je terecht is gekomen? ‘Laatst werd ik geïnterviewd samen met Barbara en Gerrie, die strips maken over grote thema’s als dood en ongewenste kinderloosheid, en toen dacht ik wel: wat komt het van mij dan oppervlakkig over. Bij mij gaat het over hoe blij ik ben met mijn vriend. Maar misschien heb ik gewoon nog nooit iets groots meegemaakt. Hoewel: ik heb voor Viva wel strips gemaakt over vriendschap, wel of geen kinderen, overspannen zijn, maar ik ben vrij open van karakter, dus voor mij vóelt het niet alsof ik persoonlijke dingen vertel.

‘Ik heb wel eens een strip gemaakt over dat ik met een andere jongen had gezoend, en de hele nasleep die dat had. Dat was wél persoonlijk, maar dat boekje wil ik niet herdrukken. Dat vindt mijn vriend ook niet leuk. Laatst zou die strip heropgenomen worden in een bundel, maar daarover heeft hij toen zijn veto uitgesproken.

De focus is bij mij verlegd. Ik teken nu graag over andere culturen, over mijn reizen naar Zuid-Afrika en Japan, en alle rare dingen die ik daar tegenkom. Reisdagboeken, waar ik voor mij nieuwe technieken als fotootjes en andere tekenstijlen in verwerk. Vroeger vond ik mezelf een superinteressant onderwerp, maar daarmee ben ik nu wel klaar.’

Als eerste en tot nu toe enige vrouw won Barbara Stok (40) vorig jaar voor haar oeuvre de Stripschapprijs, de belangrijkste Nederlandse stripprijs. Haar hele leven legt ze vast in haar strips: uitgaan in het Groningse popcentrum Vera, dronken worden en met jongens in bed belanden (in Barbaraal), haar burn-out nadat ze een paar jaar bij Groningse huis-aan-huiskranten had gewerkt waar ze ‘met drie collega’s vijf kranten volschreef’ (in Je geld of je leven). In Op tour door Spanje gaat het over de trashband De Straaljagers, die ze samen met haar man Ricky van Duuren vormt, maar ook over hun onvervulde kinderwens, en in Dan maak je maar zin over de plotselinge dood van de broer van Ricky en over de grote vraag naar de zin van het leven. Stok woont met man en hond in Groningen en werkt momenteel in opdracht van het Van Gogh Museum aan een stripboek over het leven van de schilder, en aan een prentenboek over de dood.

Pas na je burn-out ben je striptekenaar geworden. Hoe is dat zo gekomen? ‘Ik had geen plan. Ik had gehoord dat je helemaal niks krijgt als je zelf ontslag neemt, maar dat niks bleek nog 400 gulden te zijn. Daar deed ik het voor. Ik dacht: ik ga doen waar ik plezier in heb en dan komt er vanzelf weer iets op mijn pad. Zo is het ook gebeurd. Ik ben strips gaan maken. Elke dag, tot vijf uur ’s ochtends, en als ik opstond, ging ik meteen weer verder. Zonder te ontbijten.

Mijn eerste stripboeken heb ik in eigen beheer uitgebracht en zelf bij stripwinkels bezorgd. Daarna kreeg ik een uitgever, Nijgh & Van Ditmar. Al snel kon ik ervan leven, en dat is nog steeds zo, al twaalf jaar lang. Maar ik moet er wel bij zeggen dat ik mijn vaste lasten bewust laag hou; ik heb een lage huur en weinig kosten.’

Wie was je favoriete stripfiguur als kind? ‘Een tijd lang was het Kuifje. Maar ik hield ook van Guust Flater en van Jan, Jans en de kinderen; steeds weer opnieuw las ik die, lekker op de bank of in bed. Toen ik in de twintig was ontdekte ik een ander soort strips, de alternatieve strips van Joe Matt, Robert Crumb en Julie Doucet. Die vond ik zo geweldig. Daardoor werd ik aangestoken om zelf strips te maken. Ook ben ik een groot bewonderaar van Peter Bagge. Hij maakt verhalen over mensen die echt zouden kunnen bestaan. Zijn reeks over Buddy Bradley, een lapzwans die veel bij bandjes rondhangt, had autobiografisch kunnen zijn. Voor mij was dat herkenbaar in een bepaalde periode van mij leven.’

Waarom maak je louter autobiografische strips? ‘Ik dacht er nooit zo over na. Het ging vanzelf. Ik had iets te vertellen; over de avonden dat ik uitging, mijn baan en dat ik overspannen raakte. Zo is het gebleven. Tot nu toe heb ik alles wat ik wil vertellen kwijt gekund in stripvorm.

Het is een misvatting dat autobiografisch werk over trivialiteiten zou gaan. Ook mijn vraagtekens over de maatschappij, over dominante opvattingen over succes, status en bezit, verwerk ik. In een strip zie je mij, mijn man Ricky en onze hond op een kluitje op de bank zitten. Een paar plaatjes verder passen we op een groot huis van iemand, en zitten we wéér op een kluitje op de bank. Waarmee ik maar zeggen wil: hoeveel ruimte heb je nu eigenlijk nodig?’

Is het per definitie vrouwelijk, de autobiografische strip? ‘Nee. Ik leerde het genre juist kennen door mannen die autobiografisch werken. Ach, ik heb altijd een beetje een hekel aan die man-vrouwvragen. Persoonlijk interesseert het me niet zo of ik een man of een vrouw ben.’

Wat is het persoonlijkste onderwerp dat je aansnijdt? ‘Mijn ongewenste kinderloosheid. Sinds ik daar strips over heb gemaakt, doen mensen nooit meer lyrisch over hun kinderen tegen me. Ze houden zich in. Dat is dan wel weer mooi.

Het onderwerp komt aan bod in Op tour door Spanje, waarin Ricky en ik met ons bandje op tournee zijn. Dat heb ik expres zo verweven, omdat ongewenst kinderloze stellen in de media altijd van die extreme gevallen zijn en als van die zielige mensen worden afgeschilderd. Bij die groep wilde ik niet horen. Ik heb ook nog gewoon een leven, dat wilde ik laten zien. Ik zat er niet op te wachten om het openbaar te maken, maar ik kon er niet omheen. Ik ben nu eenmaal een tekenaar, het moest erin. Dus op een gegeven moment moest ik het ook wel vertellen aan de mensen om me heen. Dat boek kwam er immers aan.

Je hoeft geen nare dingen mee te maken om goeie autobiografische strips te maken, maar tegenslag kan het werk wel verdiepen. Het heeft mij nieuwe inzichten opgeleverd over waar het om gaat in het leven.’

Waar gaat het om in het leven? ‘Mijn voorlopige conclusie is dat het erom gaat een goed mens te zijn. Het gaat niet om succes, aanzien of een groot huis. De consumptiemaatschappij stimuleert mensen om rijkdom te vergaren, niet om wijsheid te vergaren. Zo wordt concurrentie bevorderd in plaats van samenwerking. Dat vind ik interessante thema’s.’

Hoe zit het met de concurrentie tussen striptekenaars onderling? ‘Haha, striptekenaars, dat is een leuk volkje, hoor. Striptekenen heeft sowieso totaal geen aanzien. Wij zijn per definitie bescheiden. Je hebt schrijvers met een grote S, en kunstenaars met een grote K. Wij vallen daar ergens tussenin.’

Meer over