Het land van zonnestroom en windenergie

In 2030 staan in alle provincies in Nederland tientallen zonnestroomcentrales die aan het elektriciteitsnet zijn gekoppeld. Daarnaast zijn alle gebouwen en woningen die na 2009 zijn gebouwd voorzien van geïntegreerde systemen voor zonnestroom.

Willem Vermeend

Samen met windturbines, in hoofdzaak in zee geplaatst, levert zonnestroom meer dan eenderde van de landelijke elektriciteitsbehoefte . Dat vereist een aanpassing van onze elektriciteitsinfrastructuur; een intelligent net dat geschikt is voor centrale en decentrale opwekking. Zon en wind zorgen er ook voor dat jaarlijkse CO2 uitstoot met bijna 20% wordt verminderd. Door in het klimaatbeleid duurzaamheid centraal te stellen kan in 2050 met wind- en zonne-energie meer dan 50% van de nationale vraag naar elektriciteit worden gedekt . De zon levert de hoogste bijdrage. Zowel in 2030 als in 2050 behoort Nederland tot de kopgroep van landen in de wereld met de sterkste economische sector op het terrein van zonne- en windenergie. De sector heeft een wereldwijde faam vanwege topdeskundigheid en de export van kant en klare kleinere zonnestroom centrales naar het buitenland, met name ontwikkelingslanden. Een droombeeld? Dat hoeft niet. Het kan werkelijkheid worden. Maar dan moet het kabinet in 2008 wel de juiste rekensommen maken en nu besluiten zonnestroom en windenergie centraal te stellen en sneller afscheid te nemen van fossiele brandstoffen als aardolie, gas en steenkool. Dit betoogt Willem Vermeend die daarvoor een voorstel heeft ontwikkeld. Hier volgen de hoofdlijnen.

1. Hoofdlijnen klimaatbeleid

Volgens het beleid van het kabinet moet de uitstoot van broeikasgassen (hierna CO2 ) in 2020 30% lager liggen dan het niveau van 1990. Bovendien moet het aandeel hernieuwbare energie, zoals windturbines, biomassa voor elektriciteit en biobrandstoffen gegroeid zijn tot 20%. Ook wordt ingezet op een energiebesparing van 2% per jaar. Dat is nodig want het verbruik van fossiele brandstoffen (olie, gas, kolen) blijft de komende decennia stijgen. De groei is vooral hoog bij de industrie, verkeer en de energiebedrijven.

De CO2 reductie zal in belangrijke mate plaatsvinden door middel van besparingen op energieverbruik in bestaande en nieuwbouw (woningen en gebouwen). De uitstoot van CO2 door het verkeer wordt onder meer aangepakt door de belasting (BPM) op zuinige personenauto¿s te verlagen en op ¿slurpers te verhogen. Daarnaast ook door biobrandstoffen bij te mengen en hun aandeel geleidelijk te verhogen. De CO2 emissies moeten ook worden verminderd door CO2-opvang en opslag onder de grond, met name bij kolen- en gascentrales. Met het bedrijfsleven en gemeenten zijn klimaatakkoorden afgesloten met het oog op een zo breed en effectief mogelijk draagvlak voor het realiseren van de doelstellingen.

2. Geen aansprekend vergezicht

Op papier klopt het globaal. De (technische) rekensommen laten zien dat met de voorgestelde klimaatmaatregelen, zonder tegenvallers , de beoogde reductie kan worden bereikt. De praktijk zal uitwijzen of dat ook echt het geval is. Het klimaatpakket kent zoveel risico’s dat het een wonder zou zijn als de doelstellingen worden gehaald. Bovendien omvat het maatregelen die omstreden zijn en waarvan de effectiviteit op zijn minst twijfelachtig is. Ik doel onder meer op de opvang van CO2 en de opslag onder de grond, de inzet van biobrandstoffen en de vormgeving van de tickettaks ( door het publiek aangeduid als vakantiebelasting).

Opinieonderzoek laat zien dat een grote meerderheid van de bevolking zich zorgen maakt over de opwarming van de aarde. Tegelijk blijkt ook dat het klimaatbeleid geen enthousiasme oproept. In de publieke opinie wordt het beleid geassocieerd met strengere regels, meer bureaucratie, hogere belastingen en een verzwaring van de lastendruk. Het klimaatbeleid biedt geen mooi vergezicht, geen aansprekende uitkomst. De noodzaak van ‘vervelende’’ maatregelen kan niet worden ontkend. Maar het is niet nodig die steeds voorop te stellen. De effectiviteit van het beleid is meer gediend met een aantrekkelijk en uitdagend perspectief. Een toekomstbeeld dat mensen aanspreekt en tot een breder maatschappelijk draagvlak leidt. Ik denk dat dit mogelijk is door van Nederland de “winnaar” te maken van de wereldwijde competitie rond klimaat en duurzaamheid. Deze eeuw gaan we voor een nieuw handelsmerk: Nederland, het land van zonnestroom en windenergie.

Hierna wordt dat nader uitgewerkt. Eerst wordt kort ingegaan op de keuze van klimaatmaatregelen, op de voors, tegens en risico’s van het pakket van het kabinet en de rekensommen.

3. Keuze van maatregelen?

Bij de keuze voor het treffen van klimaatmaatregelen worden toetsingscriteria gehanteerd. De belangrijkste zijn doeltreffendheid (wordt de CO2 reductie bereikt), doelmatigheid (tegen de laagste kosten), effecten op de internationale concurrentiepositie van Nederland, eenvoud bij uitvoering in de praktijk en het maatschappelijke draagvlak. Voor een verantwoorde keuze is het daarnaast noodzakelijk rekening te houden met een realistische inschatting van relevante (internationale) ontwikkelingen. Het gaat daarbij vooral om de prijsontwikkeling van energie die niet alleen wordt beïnvloed door vraag en aanbod, maar ook door de kosten die zijn verbonden aan het uitstoten van CO2. Fossiele brandstoffen, zoals olie, gas en steenkool die bij verbranding CO2 uitstoten, worden in de toekomst niet alleen duurder door een toenemende vraag op internationale markten, maar ook door CO2 heffingen en emissiehandel. Volgens voorstellen van de Europese Commissie moeten bijvoorbeeld stroomproducenten al hun rechten voor de uitstoot van broeikasgassen vanaf 2013 gaan kopen. Het ligt voor de hand dat deze bedrijven deze kosten gaan doorberekenen aan consumenten in de vorm van een hogere prijs voor elektriciteit. Aan de andere kant zien we dat door nieuwe technologische ontwikkelingen en massaproductie zonnestroom en windenergie veel goedkoper worden. Ook wordt steeds duidelijker dat er grote bezwaren kleven aan het gebruik en de effectiviteit van de huidige generatie biobrandstoffen ; ze zijn geen goed alternatief.

Volgens het gezaghebbende Internationaal Energie Agentschap (IEA) zal in 2030 de vraag naar energie wereldwijd 50 procent hoger liggen dan nu. Bovendien moet de wereld ernstig rekening houden met een (olie)energiecrisis rond 2015. Dat komt enerzijds doordat wereldwijd ( met name in China en India) het energieverbruik in de periode tot 2030 sterk zal toenemen en er anderzijds te weinig productiecapaciteit is. De meeste analisten gaan er vanuit dat we deze eeuw geleidelijk aan ook last gaan krijgen van het opraken van fossiele brandstoffen. Is energiebesparing een oplossing? Veel landen, waaronder Nederland, zetten sterk in op energie-efficiency. Maar zelfs in het meest innovatieve besparingscenario van het IEA blijft het wereldwijde energieverbruik de komende 20 jaar nog steeds stijgen met 0,8 procent per jaar. Uit internationale scenario studies komt naar voren dat ook in 2030 fossiele brandstoffen bij energieverbruik verreweg de belangrijkste rol spelen. Het aandeel duurzame energie bij de opwekking van elektriciteit ligt dan rond de 19%, vooral door een verwachte stijging van de inzet van biomassa.

4. Risico’s klimaatbeleid

De risico’s bij ons klimaatbeleid liggen vooral bij de geraamde CO2 reducties die moeten voortvloeien uit gedrag van burgers en bedrijven. De praktijk leert dat dit gedrag moeilijk valt te sturen. Onderzoek wijst ook uit dat de belastingmaatregelen van het kabinet slechts weinig effect sorteren. De praktijk leert dat alleen forse verhogingen tijdelijk effectief zijn. Aan belastingverhogingen zijn nadelen verbonden. Economisch gezien leiden deze verhogingen uiteindelijk tot een zwaardere lastendruk op arbeid en dat heeft op termijn negatieve effecten op onze internationale concurrentiepositie, de economische groei en werkgelegenheid. Nederland behoort in Europa tot de landen met een hoge lastendruk op arbeid en ook tot de landen met een groot aandeel milieuheffingen. Veel ruimte is er niet meer. Een bezwaar is ook dat dit soort heffingen relatief het zwaarst drukken op de lagere inkomens. Adequate compenserende maatregelen voor deze groep zijn moeilijk te vinden.

Onbegrijpelijk is dat serieus wordt nagedacht over CO2 opvang en opslag onder de grond. Deze methode kent niet alleen technische onzekerheden, maar moet vooral worden afgewezen omdat het geen duurzame oplossing biedt. CO2 opslag leidt niet tot een noodzakelijke vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen. Het merendeel van de gepubliceerde berekeningen geeft ook aan dat een commerciële toepassing pas na 2020 in beeld komt (1). Voorstanders positioneren CO2 opslag ook als een van de snelste opties om CO2 uitstoot te verminderen. Die positionering is niet houdbaar. Met een adequaat internationaal programma waarbij wordt ingezet op zonnestroom en windenergie kan tenminste dezelfde snelheid worden gerealiseerd. Uiteraard moeten dan wel voldoende middelen beschikbaar worden gesteld. CO2 opslag niet aan beginnen dus. Dat geldt ook voor een verdergaand gebruik van de huidige generatie biobrandstoffen. De bezwaren daartegen zijn overtuigend: onder meer negatieve gevolgen voor de biodiversiteit, terwijl de productie ten koste kan gaan van landbouwgebieden met mogelijke stijging van voedselprijzen. Bij verkeer en vervoer is het (wettelijk) stimuleren van zuinige motoren effectiever voor het verminderen van CO2 dan het gebruik van biobrandstoffen. Onze steden moeten we gaan inrichten voor elektrisch vervoer met oplaadstations gekoppeld aan duurzame energie. Dat is de toekomst.

5. Andere keuzes

Uit mijn vroegere politieke leven, met name als staatssecretaris van Financiën, weet ik dat beleidsbeslissingen in Den Haag zeer sterk worden bepaald door de (budgettaire) uitkomst van rekensommen. Het gevolg daarvan kan zijn dat niet het meest effectieve beleid wordt gevoerd. Het komt voor dat de rekensom op zich klopt , maar dat niet of onvoldoende rekening is gehouden met toekomstige (prijs) ontwikkelingen. In de berekeningen zijn deze dan ten onrechte niet meegenomen en dat kan tot een verkeerde beleidskeuze leiden. Daarnaast zijn er aspecten van beleid die niet “berekend” kunnen worden, maar wel van veel waarde zijn. Bij het klimaat- en energiebeleid zijn dat bijvoorbeeld schonere lucht en een mindere afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en tegelijk ook van de nieuwe olie- en gaslanden met risicovolle machthebbers die de olie- en gaskraan kunnen dichtdraaien. Ingeval het klimaat- en energiebeleid niet volledig wordt gebaseerd op de verwachte of tot doel gestelde ontwikkelingen, dan is het zeker dat er een onjuiste keuze wordt gemaakt.

De vraag rijst waarom het kabinet niet veel meer de nadruk heeft gelegd op de inzet van echte duurzame energie zoals zonnestroom en windenergie? Met circa 2,5% duurzame bronnen doet ons land het in Europa slecht; in de EU-15 is dat ruim 6%. In een recent artikel stellen minister van Economische Zaken, Maria van der Hoeven en minister Maxime Verhagen (Buitenlandse Zaken) terecht vast dat een overgang naar een meer duurzame energiehuishouding niet alleen een antwoord is op het groeiende klimaatprobleem, maar ook de energievoorzieningszekerheid vergroot. Het antwoord op de vraag waarom die overgang niet echt is gemaakt, heeft veel te maken met ‘verkeerde’ rekensommen. Met juiste rekensommen en aspecten van het klimaat- en energiebeleid die niet “berekend” worden, is er maar één conclusie mogelijk: een beleid waarbij een duurzame energiehuishouding centraal staat en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen steeds kleiner wordt.

6. Zonnestroom

In toenemende mate wordt duidelijk dat een fundamentele keuze voor duurzame energie de enige echte oplossing is(2) Worden alle voors en tegens van duurzame energiebronnen tegen elkaar afgewogen dan zal wereldwijd de nadruk moeten liggen op een snelle invoering van zonnestroom. De zon is de energiebron van de toekomst. Op de tweede plaats komt windenergie. Rekening houdend met bezwaren en belemmeringen zou volgens internationale ramingen met windenergie wereldwijd maximaal 20% van de mondiale behoefte aan elektriciteit gerealiseerd kunnen worden. De combinatie wind- en zonne-energie met geavanceerde regel- en opslagsystemen kan op de langere termijn voorzien in meer dan 50% van mondiale behoefte aan elektriciteit. De noodzakelijke investeringsbeslissingen moeten nu worden genomen.

Het opwekken van elektriciteit met direct en diffuus zonlicht vindt in hoofdzaak plaats met behulp van zonnecellen , die licht omzetten in elektriciteit ( veelal aangeduid als PV, afkomstig van het Engelse woord photovoltaic). Zonnecellen worden meestal aan elkaar gekoppeld en ondergebracht in een zonnepaneel. Met panelen kan een PV-systeem worden geconstrueerd dat aan het elektriciteitsnet wordt gekoppeld Ten onrechte wordt wel aangenomen dat zonnestroom alleen geschikt is voor zonnige landen. Bij volle zon wordt er weliswaar meer elektriciteit opgewekt, maar ook op een bewolkte dag kan een zonnecel elektriciteit leveren. Ons land heeft voldoende zonne-instraling voor de toepassing van PV-stroom. Zouden we geen daken gebruiken maar alle panelen op de grond plaatsen dan kan met ruim 2,5% van de oppervlakte van Nederland genoeg stroom worden opgewekt voor de totale jaarlijkse behoefte aan elektriciteit in ons land. Technologische kennis en ervaring heeft ons land ook. Bovendien hebben we een mooi paradepaardje: de Nederlandse zonneauto Nuna, al 3 keer winnaar van de World Solar Challenge.

Voordelen

Zonne- energie heeft veel voordelen ,ook boven andere duurzame energiebronnen:

- schoon, stil (geen geluid, geen bewegende delen) en in beginsel onuitputtelijk;

- wereldwijd beschikbaar ook in minder zonnige landen;

- de panelen zijn snel en eenvoudig te plaatsen op stellages boven de grond, boven water en op daken , ze zijn weerbestendig en hebben een levensduur van meer dan dertig jaar

- PV heeft daarnaast een breed maatschappelijk draagvlak en maakt landen minder afhankelijk van fossiele brandstoffen en de leveranciers daarvan

- Concentrated Solar Power centrales opgesteld in bijvoorbeeld de Sahara, gekoppeld aan een EU-MENA electriciteitsnet kunnen ook een aanzienlijke bijdrage leveren aan zonnestroom

Begin 2007 was er wereldwijd in totaal bijna 6 GWp (6000 MWp) aan PV-systemen geïnstalleerd. Absolute koploper is Duitsland met een PV-wereldaandeel van ongeveer de helft Twee en drie staan Japan (1,7 GWp en de VS ( 0,6 GWp) . Dankzij een consistent stimuleringsbeleid is onze Oosterbuur, sinds 2000 het snelst groeiende PV-land. In Duitsland wordt verwacht dat het PV-vermogen vanaf 2008 jaarlijks zal toenemen met 1000 MWp . Die stijging wordt vooral gerealiseerd met behulp van een innovatieve stimuleringsregeling voor PV-stroom Verschillende andere Europese landen, zoals Spanje, Frankrijk en Griekenland hebben recent ook stimulansen geïntroduceerd en ook daar neemt zonnestroom sterk toe. Daardoor wordt het draagvlak in Europa voor zonnestroom snel breder. Het beleid van de Europese Commissie kan eveneens tot een extra stimulans leiden; de Commissie heeft een verruiming aangekondigd van het staatssteunbeleid voor duurzame energie.

7. Een verkeerde vergelijking.

Het kabinet onderkent deze voordelen, maar heeft toch niet de keuze gemaakt voor een grootschalige inzet van zonnestroom. Die afwijzing is vooral gebaseerd op het argument dat het opwekken van zonnestroom met PV-systemen nu nog veel te duur is in vergelijking met de kostprijs van elektriciteit die opgewekt wordt met fossiele brandstoffen. Voor zonnestroom rekent Den Haag met een kostprijs van ongeveer 50 cent per kilowattuur (kWh) en vergelijkt deze met de huidige kostprijs voor elektriciteit uit kolen- en gascentrales ( tussen 2 en 7 cent per kWh). De uitkomst ligt dan voor de hand : te duur Voor windenergie wordt dezelfde simplistische vergelijking gemaakt. De kostprijs voor wind op zee ligt momenteel tussen 8 cent en 11 cent per kWh, maar ook deze prijs zal net als zonnestroom de komende jaren gaan dalen.

De Haagse (kostprijs)vergelijking en berekening heeft een sterke invloed op het klimaatbeleid en bepaalt mede de keuze voor bepaalde maatregelen en programma’s. En omdat deze niet deugt worden er besluiten genomen die vooral op langere termijn afbreuk doen aan de doelmatig en doeltreffendheid van het klimaatbeleid. De vergelijking zelf is van het soort appels met peren. Schone, onuitputtelijke zonnestroom zonder schadelijke emissies kan niet vergeleken worden met fossiele brandstoffen. Het staat vast dat de emissies van deze brandstoffen de lucht die wij inademen vervuilen en onze gezondheid aantasten. Ook zijn ze verantwoordelijk voor de opwarming van de aarde. De schade die zij aanrichten is wereldwijd enorm en is op geen enkele wijze in de kostprijs verwerkt. Bovendien weten we dat de voorraden deze eeuw geleidelijk opraken en dat we snel alternatieve energiebronnen moeten introduceren. Ook om andere redenen is de vergelijkende rekensom niet verantwoord. Beslissingen over omvangrijke investeringen in energievoorzieningen moeten mede gebaseerd te zijn op alle relevante ontwikkelingen op de langere termijn. Voor de inzet van zonnestroom betekent dat rekening houden met de verwachte technologische ontwikkelingen op bij zonnecellen . Van belang is ook de toekomstige prijsontwikkeling van PV-stroom in vergelijking met en die van fossiele brandstoffen. De prijs van zonnestroom daalt. De scherpste internationale offertes komen nu al neer op een kostprijs van rond de 25 cent per kWh . De prijs van fossiele brandstoffen zal stijgen, zowel door een toenemende vraag en een te geringe productiecapaciteit , maar ook door CO2 belastingen en een marktconforme emissiehandel. Zonnestroom heeft daarnaast als voordeel dat het landen minder afhankelijk maakt van risicovolle landen met machtshebbers die hun voorraden fossiele brandstoffen voor politieke doelen inzetten. Voor het buitenlandse- en veiligheidsbeleid wordt energiezekerheid van onschatbare waarde. Ook daarom deugt de vergelijking niet. Toekomstgerichte berekeningen en afwegingen leiden maar tot één conclusie: vandaag nog beginnen met een grootschalige inzet van zonnestroom in combinatie met windenergie. Daarnaast moet in steden begonnen worden met het bouwen van oplaadstations voor elektrisch bus- en vrachtvervoer en personenwagens. Oplaadstations langs onze snelwegen komen ook in beeld .Door verschillende ontwikkelingen vindt er op de wereldmarkt een versnelling plaats van de introductie van schone , elektrisch aangedreven voertuigen. De Nederlandse overheid kan hier voorop lopen door dat te bevorderen.

8. Het Nationale Zonnestroom programma 2009-2030

De hierboven beschreven ontwikkelingen vragen om een ambitieus en aansprekend deltaplan voor aan het elektriciteitsnet gekoppelde zonnestroom dat hierna wordt gepresenteerd. Voor windenergie kan een soortgelijke aanpak worden gekozen . Het onderstaande programma is gebaseerd op recente (technologische) inzichten over de (prijs)ontwikkelingen van de verschillende PV-systemen die mede ten grondslag liggen aan de Duitse stimuleringsregeling. Daarnaast is uitgegaan van een marktconforme ontwikkeling van de prijs van CO2 door emissiehandel en belastingheffing. Aangenomen is ook een stijgende prijs van fossiele brandstoffen die tot een hogere consumentenprijs voor elektriciteit zullen leiden.

De raming voor de prijsontwikkeling van CO2 in de periode tot 2030

is gebaseerd op een gezaghebbende publicatie van het Engelse ministerie van Milieu. Het is de bedoeling dat dit rapport, gepubliceerd december 2007, in Engeland een centrale rol gaat spelen bij alle relevante klimaatmaatregelen van de overheid.(3) Zowel Duitsland als Engeland zijn koplopers in de wereld als het gaat om goed doortimmerde analyses en prognoses die van belang zijn voor klimaatmaatregelen en het maken van optimale keuzes. Duitsland staat ook op de eerste plaats in de wereld bij windenergie ; geïnstalleerd vermogen circa 22 GWp ( bijna 30% van het wereldwindvermogen). Wij kunnen veel van deze landen leren.

Ontwikkelingen per 1 MWp PV 2009- 2030

______________________________________________________

-Investeringskosten : € 3,2 mln - € 1,1 mln

-Jaarproductie kWh : 750.000 - 900.000

-Oppervlak panelen : afname van 3 tot 2 hectare

-Reductie CO2. : 448 ton per jaar

-Prijs CO2 : oplopend van € 37 - € 55 per ton CO2

-Tijdsduur installatie : circa 1 maand met inzet 10 werknemers

-Energieprijs fossiel : gemiddelde stijging per jaar 2,5%

_____________________________________________________

Tijdschema plaatsing 2009- 2030

Op basis van bovenstaande uitgangspunten wordt plaatsingsschema vastgesteld voor netgekoppelde PV-centrales op de grond of boven water. In onderstaande tabel leidt dit in het voorbeeld schema – inclusief het PV-vermogen op gebouwen en woningen – tot een zonnnestroom vermogen van meer dan 20 Gwp (20.000 Mwp) in 2030; goed voor het elektriciteitsverbruik van ruim 4 miljoen huishoudens. Het kabinet maakt over het schema afspraken met de provincies die in overleg met hun gemeenten zorg dragen voor voldoende geschikte locaties voor deze centrales. Als minimum kan worden uitgegaan van een zonnestroompark van 1 MWp ( 2,5 hectare, elektriciteit voor ongeveer 230 huishoudens). Daarnaast wordt wettelijk bepaald dat op alle gebouwen en woningen die vanaf 2009 worden gebouwd dakgeïntegreerde zonnepanelen worden geplaatst die ten minste 15% van de het jaarlijkse elektriciteitsverbruik leveren. In het schema is rekening gehouden met relevante ontwikkelingen die de kosteneffectiviteit van het project verhogen . Dat is de reden dat in periode tot 2015 langzaam wordt gestart en daarna wordt versneld; na 2020 is er een jaarlijkse bijplaatsing van 1 GWp. Deze opzet geeft ook voldoende tijd om de noodzakelijke energiemanagement systemen en vormen van energieopslag in te richten die in staat zijn het zon- en windaanbod in te passen in de stroomvoorziening. In de elektriciteitswet moet ook worden bepaald dat duurzame energie voorrang heeft boven andere energie. Het zonnestroomproject leidt tot nieuwe hoogwaardige werkgelegenheid bij het wetenschappelijk en technologisch onderzoek. Daarnaast in de energiesector, bij installatiebedrijven, advieskantoren, architecten, onderhoud en beheer. In 2030 gaat het om een hoogwaardige sector met (direct en indirect ) rond de 200.000 arbeidsplaatsen.

Voorbeeld tijdschema plaatsing GWp per jaar 2009 - 2030

_____________________________________________________

2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 e.v

0,05 0,10 0,15 0,20 0,30 0,40 0,50 0,60 0,80 0,90 1,00 1,00 e.v

_____________________________________________________

Na 2030 wordt het beid voortgezet en staat er in 2050 in Nederland |(inclusief gebouwen en woningen) 80 GWp.

Een voorbeeld ter toelichting. In 2013 wordt er in totaal 300 MWp geïnstalleerd. Door (technologische en kosten ) ontwikkelingen liggen de investeringskosten per 1 MWp in 2013 aanzienlijk lager dan de plaatsing van 1 Mwp in 2009. Ook in de jaren daarna vindt er een geleidelijke daling van deze kosten plaats. Aan de andere kant zien we een stijging van de energieprijzen voor fossiele brandstoffen die tot een hogere elektriciteitsprijs leiden, terwijl de kostprijs van PV-stroom daalt. Bovendien brengt elke jaarlijkse PV-plaatsing

een C02 reductie met zich mee met een toenemende handelswaarde die de financiële aantrekkelijkheid van het project ook doet toenemen

In 2020 wordt volgens het schema in totaal 1000 MWp (1 GWp) geïnstalleerd met een totale CO2-reductie van 0,448 miljoen ton. Bij een geraamde C02- marktprijs van € 45 per ton vertegenwoordigt deze reductie een waarde van ruim € 20 miljoen.

Voor windenergie wordt een zelfde benadering gehanteerd, waarbij

met wind op de langere termijn structureel 25% van de nationale elektriciteitsbehoefte kan worden gedekt

9. Uitvoering programma.

Op basis van mijn ervaringen in politiek Den Haag geef ik eerst aan wat er niet moet gebeuren. Geen instelling van een interdepartementale werkgroep, geen studiecommissie, geen budgettaire discussies over inpassing in het beleid. Zo’n aanpak leidt niet alleen tot vertraging , maar veelal ook tot verwijzing naar de ijskast. Wat werkt wel? Zonnestroomvoorzieningen aan het bedrijfsleven overlaten. Dat kan volgens de succesformule van de Duitse stimuleringsregeling .Daarin is geregeld dat leveranciers van zonnestroom gedurende twintig jaar een vaste vergoeding per kWh krijgen voor stroom die aan het net wordt geleverd. De hoogte van de vergoeding hangt af van het jaar waarin de zonnestroomleverancier aan het net gaat leveren. De regeling wordt met 8% per jaar afgebouwd. De investeerder in een PV-steem die bijvoorbeeld in 2009 gaat leveren krijgt twintig jaar voor elk kWh een vaste vergoeding van 32 cent. Wie in 2010 start ontvangt een vergoeding die 8% per kWh lager ligt en houdt die ook twintig jaar. Deze vergoedingsregeling kan net als in Duitsland budgettair neutraal worden uitgevoerd door een kleine verhoging van de energiebelastingen. Gezien de verwachte prijsontwikkelingen en de rendementseisen die investeerders hanteren, is de stimuleringsregeling vanaf 2018 niet meer nodig. Wordt daarmee rekening gehouden dan kan in Nederland op basis van het voorbeeld schema volstaan worden met een verhoging van de energiebelasting van minder dan een halve cent per kWh.

Politieke partijen die van oordeel zijn dat de overheid zelf grip moet houden op de energievoorziening kunnen kiezen voor het volgende model. De Nederlandse staat ( al dan niet in samenwerking met provincies en gemeenten ) richt een commercieel energiebedrijf op “Nationale Duurzame Energie NV”(NDE) met een professioneel bestuur dat tegen marktconforme voorwaarden wind- en zonnestroom gaat leveren. NDE schrijft een internationale tender uit voor het totale zonnestroom programma 2009-2030. In het tenderdocument worden alle voorwaarden omschreven, inclusief plaatsingsschema 2009-2030 plus de bouwlocaties, waaraan de bouwer van de centrales moet voldoen. In de internationale PV-wereld wordt dit de tender van de eeuw, waarmee op de totale projectkosten 10% tot 20% kan worden bespaard. Voor windenergie schrijft NDE eveneens een tender uit. De rijksoverheid geeft als 100% aandeelhouder NDE een startkapitaal . Voor de financiering van de PV-investeringen kan NDE gebruik maken van het startkapitaal, leningen op de markt en de inkomsten uit de verkoop van stroom. Daarnaast beschikt NDE (moet geregeld worden) over de handelswaarde van CO2 rechten. NDE beheert de centrales en levert duurzame energie aan het net.

De Staat kan ook besluiten een minderheidsbelang in NDE tegen een marktconforme prijs aan te bieden aan derden ( bestaande energiebedrijven, pensioenfondsen enz.). Gezien het gezonde financiële plaatje op de langere termijn is hier voldoende belangstelling voor. Ook andere modellen van publiek private samenwerking (PPS) zijn hier denkbaar.

Willem Vermeend is als ondernemer betrokken bij wind- en zonne-energieprojecten in het buitenland (www.greenclimategroup.com) In de kabinetten Kok was hij staatssecretaris voor Financiën en Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

(1) Vgl.CBI, November 2007, Climate change: Everyone’s business (www.cbi.org.uk)

(2) Een fundamentele keuze voor een duurzame toekomst staat ook centraal in het voorstel van Greenpeace Nederland, september 2006: Energy revolution: a sustainable pathway to a clean energy future for the Netherlands (www.greenpeace.nl) en “Het groene energieplan voor Nederland, Green4sure, juni 2007 (www.green4sure.nl)

(3)The social cost of carbon and the shadow price of carbon: what they are, and how to use them in economic appraisal in the UK, december 2007 (www.defra.gov.uk)

Meer over