HET LAATSTE TABOE BESTAAT NIET

'HET laatste taboe', hoe vaak zou deze kwalificatie al niet gebruikt zijn bij artikelen, boeken, radio- en tv-programma's om belangstelling te wekken voor de behandelde kwestie?...

Een dergelijk spraakgebruik wekt de indruk dat we op weg zijn naar een taboeloze maatschappij. Sinds de jaren '60 zouden we ons geleidelijk hebben bevrijd van de knellende banden van calvinisme en regentendom. Het ene heilige huisje na het andere is gesloopt, zodat wij ons steeds vrijelijker, naar eigen voorkeur en inzicht, kunnen ontplooien.

De werkelijkheid is ingewikkelder. Zo impliceerde de opmars van het politiek-correcte denken dat ijverig nieuwe heilige huisjes werden opgetrokken. Wie durft openlijk de gelijkheid van zwarten en blanken of de 'intrinsieke waarde' van het dier in twijfel te trekken?

Verder inspireren maatschappelijke ontwikkelingen tot een kritischer houding jegens sommige vormen van zedelijk libertinisme. De lofzangen op pedofilie van wijlen PvdA-senator Brongersma worden in het Dutroux-tijdperk minder geapprecieerd dan twintig jaar geleden.

Ook kent de Nederlandse samenleving allerlei subculturen. Het aantal moslims groeit en daarmee de invloed van hun normen en waarden. Op zogenaamde zwarte scholen neemt bij homoseksuele leraren nu al de angst toe om uit te komen voor hun seksuele voorkeur, omdat deze nogal slecht ligt bij (een groot deel van de) allochtone jongeren.

Überhaupt blijkt het moeilijk om in algemene zin over taboes te spreken. Sociale conventies zijn namelijk niet voor heel de samenleving dezelfde. Wij hebben te maken met diverse rangen en standen, culturen en subculturen, groepen en kringen met uiteenlopende gedragscodes. In een kroeg in een volksbuurt kan een stamgast wellicht onbekommerd vertellen dat hij naakte nichten in de Amsterdamse grachten een onappetijtelijk gezicht vindt, maar een medewerker van een progressief dagblad kan een dergelijke opvatting beter voor zich houden.

Het is een oud verschijnsel. Eind achttiende eeuw viel het de Engelse ontdekkingsreiziger James Cook op dat de bevolking van Polynesië bepaalde zaken en handelingen afwees, omdat ze tapu zouden zijn. Over het hoe en waarom van de verboden kreeg Cook geen opheldering en hij vond al die raadselachtige, ogenschijnlijk irrationele taboes dan ook maar achterlijk.

Het begrip burgerde in de 19de eeuw snel in. In de Encyclopaedia Brittanica van 1842 mocht James Frazer er zelfs een artikel aan wijden. De beroemde etnoloog legde op zelfverzekerde toon uit dat het bij taboes ging om religieus geïnspireerde verboden, waarbij de overtreder op gruwelijke wijze werd gestraft. Net zoals Cook beschouwde Frazer al die taboes als een kwalijke vorm van bijgeloof, waaraan in de moderne tijd steeds minder behoefte zou bestaan.

Niet iedereen echter sprak zo denigrerend over taboes. In de vorige eeuw groeide geleidelijk het idee dat het hier ook om een vorm van beschaving ging, of in ieder geval kon gaan. In het Victoriaanse Engeland bijvoorbeeld, zo legt de socioloog Paul Kapteyn uit in zijn proefschrift Taboe (1980), voltrok zich een taboeïseringsproces. Zaken die in strijd werden geacht met de goede zeden, werden geleidelijk verbannen naar de spelonken van de samenleving.

Allerlei verenigingen, zoals de 'Society for Reformation of Manners', streefden ernaar de gesproken en geschreven taal te kuisen. Alles wat als onfatsoenlijk en bruut werd ervaren maar niet direct verboden was, werd tot taboe verklaard, iets waarover nette mensen niet spraken. Door een dergelijke vorm van zelfdwang en gewetensvorming zou het beschavingsniveau stijgen.

Bij taboes, zegt Kapteyn, gaat het om vanzelfsprekende vermijdingen. Terwijl een verbod expliciet is en de gevolgen van een overtreding meestal bekend zijn, zijn de betrokkenen zich van een taboe vaak minder bewust. Niettemin betekent het creëren en in stand houden ervan het opdringen van een bepaalde moraal en dus het uitoefenen van macht. Taboes zijn, of ze nu als irrationeel en primitief dan wel als een uiting van beschaving beschouwd worden, machtsmiddelen.

Dat sommige meningen door de macht van de opinieleiders naar de spelonken van de samenleving zijn verbannen, komt ons, beschaafde mensen, weleens goed uit. Waarom zouden wij onze tijd verdoen met het discussiëren met diegenen die, ik noem maar wat, de holocaust ontkennen?

Maar als ik, zo schreef John Stuart Mill al in zijn fraaie boek On liberty, naar een opvatting weiger te luisteren omdat ik ervan overtuigd ben dat zij niet waar is, betekent dit dat ik mijn eigen zekerheid gelijk stel met absolute zekerheid. Elk streven naar het stilleggen van discussies is een aanmatiging van onfeilbaarheid, hield Mill ons voor. En elk taboe betekent een ondermijning van de mogelijkheid om dergelijk aanmatigend gedrag te bestrijden.

Meer over