REPORTAGE

Het laatste bos zonder mensen

In het noorden van Congo ligt een stuk regenwoud waar de mens nog niet is gearriveerd. Grote populaties gorilla's, chimpansees en olifanten weten er te overleven. De vraag is hoe lang nog, nu er ijzermijnen en een stuwdam staan gepland.

Een westelijke laaglandgorilla in het Odzala-Kokoua Nationaal Park. Beeld Michiel Viljoen

Het is vroeg in de ochtend. Omzichtig nadert de patrouille de bai, een drassige open plek in het regenwoud. Neushoornvogels krassen in de bomen, maar verder is het stil. Met elke stap zakken de rangers dieper weg in de modder, een brij van rottende planten en olifantenpoep. Om de paar meter houden ze halt.

De omzichtigheid lijkt overdreven. Golom Bai, doorgaans vol dieren, oogt verlaten. Maar dan ziet iemand aan de bosrand iets zwarts bewegen. Het is een laaglandgorilla, een zilverrug, die rustig op rietstengels zit te kauwen en zich af en toe uitrekt, alsof hij alle tijd van de wereld heeft. Half verborgen achter de struiken zit de rest van zijn familie te eten.

Het is een ontroerend gezicht. Want dit zijn geen 'gehabitueerde' gorilla's zoals toeristen die van dichtbij te zien krijgen op berggorillasafari's in Oeganda of Rwanda, maar wilde dieren die zelden of nooit een mens tegenkomen en er in zo'n geval ook meteen vandoor gaan. Dit is bovendien geen nationaal park, maar een gewoon stuk bos dat tot een houtkapconcessie behoort. En dat nu, bij gebrek aan bescherming, van alle kanten wordt bedreigd.

Beeld Judith Baas

Bospad

Het bos van Messok-Dja ligt in het hart van de Tridom-regio, op de grens van de republiek Congo en Kameroen. Het 1.400 vierkante kilometer grote gebied is een van de laatste stukken ongerept regenwoud in het Congobekken. Er is nog nooit een boom omgehakt, vooral dankzij de afgelegen ligging. Om hier te komen moet je eerst zes uur moeizaam met een landcruiser over een overwoekerd bospad en dan vier uur per kano de rivier Dja op, tot aan de stroomversnellingen van Chollet.

Messok-Dja is een heel schaars goed, een bos zonder mensen. Zelfs de Baka-pygmeeën komen er zelden. Mede daarom leven er, ontdekten biologen vier jaar geleden, nog grote populaties bosolifanten (naar schatting zo'n 600) en mensapen (chimpansees en gorilla's, samen 2.900), die worden aangetrokken door de vele bai's, door de olifanten gecreëerde 'akkers' waar dieren mals groen en mineralen vinden. Het bos zit ook vol met ander wild, zoals franjeapen, buffels, bongo's, reuzevarkens en luipaarden.

De Congolese regering heeft Messok-Dja op de lijst van mogelijk te beschermen gebieden gezet. Het is een ecologische schakel in Tridom, een transnationaal regenwoudgebied van 140 duizend vierkante kilometer (ruim drie keer Nederland) in Kameroen, Congo en Gabon dat het grootste overgebleven bolwerk van bosolifanten en mensapen in Centraal-Afrika is. Eenderde van Tridom is beschermd gebied, met onder meer vijf nationale parken: Dja, Nki, Boumba-Bek, Minkebe en Odzala-Kokoua.

Een uitgesleten helling aan de oever van de Dja laat zien hoezeer Messok-Dja een ecologisch geheel vormt met Nki, het nationaal park aan de overkant in Kameroen. Kuddes olifanten steken hier vaak de rivier over. 'Je kunt het ene gebied niet beschermen zonder het andere', zegt Victor Mbolo, een ranger van World Wildlife Fund (WWF) die al zes jaar met zijn mannen in Messok-Dja patrouilleert en het bos door en door kent.

Beeld Ben van Raaij

IJzerertsvoorraden

Het bos loopt echter van alle kanten gevaar. Messok-Dja is verdeeld over twee houtkapconcessies. De nu nog onverharde weg die erlangs loopt, van Ouesso naar Souanke, moet met Chinese hulp een internationale transportader worden die Brazzaville verbindt met Yaoundé en Douala in Kameroen. En de bodem bevat enorme ijzerertsvoorraden, die Congo en Kameroen graag willen ontginnen. Hematiet zo rijk (63 procent) dat je het bijna aan elkaar kunt lassen.

'Die houtkapconcessies zijn nog het minste probleem', zegt Jaap van der Waarde van WWF Nederland, die een dienstreis maakt door het gebied. 'Houtbedrijven kappen een paar interessante bomen per hectare, maar houden de rest van het bos min of meer in stand.' Een van de houtbedrijven, het Libanese Sifco, heeft al gezegd zijn deel van Messok-Dja wel te willen afstaan voor bescherming. In het moerassige en soms steile gebied kan toch niet goed worden gewerkt.

De mijnbouwplannen zijn een heel ander verhaal. Het miljardenproject van het Australische Sundance Resources (het Mbalam-Nabeba Iron Ore Project, met een totale investering van 4,7 miljard dollar) is voor zowel Kameroen als Congo een paradepaardje. Het omvat de aanleg van twee grote ijzermijnen, een in Kameroen en een in Congo, een spoorlijn van 580 kilometer dwars door het regenwoud, en een diepzeehaven aan de kust, waar het ijzererts zal worden overgeslagen voor transport naar (vooral) China. De werkzaamheden moeten eind dit jaar beginnen.

We maken ons niet zozeer zorgen over de mijnen zelf, zegt Pauwel de Wachter, regiomanager van WWF. 'Dat zijn maar gaten in de grond, of eigenlijk: bergen die je afgraaft. De milieuschade daarvan is ter plekke groot, maar voor het gebied als geheel beperkt. Het gaat vooral om wat de mijnen verder met zich meebrengen: nieuwe wegen, een spoorlijn, dorpen voor duizenden arbeiders en hun gezinnen, stroperij.' Die effecten tekenen zich nu al af, want vanwege de plannen trekken er steeds meer arme gelukzoekers naar het gebied.

De omvang van het project is enorm. De twee mijnen zullen vanaf 2019 jaarlijks zo'n 35 miljoen ton ijzererts gaan produceren, 25 jaar lang, dat allemaal per spoor naar de kust moet worden vervoerd. Dat betekent 100 duizend ton per dag, ofwel zes treinen heen en zes treinen terug, van elk 118 wagons. Een onomkeerbare verstoring van een gebied waar bosolifanten en gorilla's nu nog het rijk alleen hebben.

Jaap van der Waarde, Wereld Natuur Fonds Nederland Beeld Ben van Raaij

Compensatie

Sundance zal het project zo duurzaam mogelijk aanpakken, zegt directielid Tim Sewell vanuit het hoofdkwartier in Perth. 'We willen onze ecologische voetafdruk zo klein mogelijk houden.' Zo vermijdt het tracé van de spoorlijn zoveel mogelijk de meest kwetsbare gebieden, aldus Sewell. En heeft Sundance voorgesteld ter compensatie van alle schade geld te steken in de bescherming van een ander stuk regenwoud in Kameroen.

Een belangrijke stap, maar volstrekt onvoldoende, zegt De Wachter. 'We krijgen rond de mijnen ook te maken met een instroom van migranten. We moeten voorkomen dat er in het hart van het oerwoud ongecontroleerd nieuwe nederzettingen ontstaan. Want die mensen gaan straks allemaal het bos in om te jagen.'

Bruno Pennetier, hoogste baas van Sundance-dochter CamIron in Yaoundé, is eerlijk. 'Er is maar één reden waarom wij zo duurzaam willen opereren: we zijn een Australisch beursgenoteerd bedrijf, en we hebben met milieu-eisen te maken die strenger zijn dan in Zwitserland. Maar dit is het belangrijkste project in Kameroen en Congo, en dat moeten we dus gewoon goed doen.'

Beeld Ben van Raaij

Waterkrachtcentrale

Een ander gevaar van de mijnen loert op de achtergrond. De eerste jaren zullen ze hoogwaardig hematiet produceren en dat kost volgens Sundance weinig energie. Daarna komt minder zuiver erts aan de beurt dat voor transport eerst moet worden bewerkt (itirabiet). Dat vergt veel energie en die is lokaal niet beschikbaar. Vandaar het plan van de Congolese regering (dat volgens Sewell van Sundance overigens 'nog niet direct aan de orde' is) om een waterkrachtcentrale annex stuwdam van 600 megawatt te bouwen op de enige plek in de regio waar dat kan: bij de stroomversnellingen van Chollet, vlak bij de bai's van Messok-Dja.

Wat de bouw van zo'n stuwdam betekent kun je 150 kilometer zuidelijker zien, waar de aanleg van een veel kleinere dam bij Liouesso tot enorme verwoesting leidt. Het Chinese bedrijf SinoHydro, dat in 2010 voor de Congolese regering een haalbaarheidsstudie maakte over Chollet, stelt de dam in een animatievideo bijna idyllisch voor, maar de realiteit is dat die dam niet alleen korte metten zal maken met de splendid isolation van Messok-Dja, maar ook met de ecologische rijkdom van het bos, want veel bai's zullen in het stuwmeer verdwijnen.

Het dorpshoofd van Zouoba, niet ver van Chollet, maakt zich daar geen zorgen over. Mathieu Zab (chef de village, schrijft hij in zwierig schoonschrift onder zijn naam) hoopt dat de dam er komt, zegt hij, want dan krijgt zijn dorp - een paar armzalige hutten langs een pad - eindelijk elektriciteit en een weg. En dan komen er misschien ook toeristen om naar de dieren te kijken op de naburige bai, waar het dorp een wildkansel wil bouwen. 'Dan gaan wij groeien.'

Beeld Ben van Raaij

Economisch ontwikkelen

Landen als Kameroen en Congo moeten zich natuurlijk economisch ontwikkelen, dat is onvermijdelijk, zegt Van der Waarde van WWF, dat zich heeft uitgesproken tegen de dam. Tridom is met alle bodemschatten (naast ijzer ook goud) een potentiële groeiregio, en om die rijkdom te ontsluiten moet er infrastructuur worden aangelegd. 'Daar kunnen en mogen we als natuurbeschermers de ogen niet voor sluiten. Maar het is wel essentieel dat we een balans vinden tussen de belangen van de mens en die van de natuur.'

De vraag is of dat in de praktijk mogelijk is. Want de aanleg van de weg en de dam bedreigen de fauna waaraan een dorp als Zouoba geld wil verdienen, erkent Van der Waarde. We staan tussen gevelde bomen op een stuk weg dat vast is aangelegd voor de dam. Het gebuldozerde spoor is zo breed dat het in de regentijd snel opdroogt. Maar het is te breed voor de lokale chimpansees, die zonder beschuttend bladerdek niet meer over durven te steken naar de bai.

Stroperij (van bushmeat en vooral ivoor) is al een probleem in Messok-Dja, zegt hoofdranger Mbolo tijdens een patrouille in het bos. Zijn ecoguards vinden geregeld olifantenkarkassen en andere sporen. De stropers, vaak Kameroenezen, gebruiken de weg en de rivier Dja om het gebied binnen te dringen. Als Mbolo hun kampementen vindt, worden die verwoest. Geregeld worden er stropers ingerekend, al ontlopen die door corruptie soms hun straf.

De aanleg van de dam zal de stroperij doen toenemen, vreest Mbolo. En dat zou zuur zijn, want dankzij frequent patrouilleren zijn er de laatste jaren steeds meer olifanten in de buurt van Chollet. De ooit overgroeide bai's worden vaker bezocht, al komen de dieren veiligheidshalve nog altijd het liefst 's nacht. Zonder de patrouilles zal het snel misgaan, zegt Mbolo, terwijl hij op Dibo Bai oude olifantensporen inspecteert. 'Dan trekt het wild weg en is een bai als deze binnen een paar jaar weer dichtgegroeid.' Als hij al niet, vanwege de dam, onder water is gelopen.

Beeld Ben van Raaij
Stuwdam in aanbouw. Beeld Ben van Raaij

Natuurbehoud

WWF heeft een plan gemaakt om het tij te keren. Als de mijnen en de dam er komen, dan wel zo duurzaam mogelijk, zegt De Wachter. 'Dat betekent negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen en beperken, en de onvermijdelijke schade compenseren. Bijvoorbeeld door Messok-Dja een beschermde status te geven.' Er moet een integraal plan komen waarvan natuurbehoud volledig deel uitmaakt. 'Je kunt ontwikkelingen niet tegenhouden, wel in goede banen leiden. Maar ik blijf hopen dat de dam niet doorgaat. Misschien wordt hij door alle aanvullende maatregelen wel te duur.'

De kansen om de stuwdam helemaal van tafel te krijgen lijken echter klein, blijkt een paar dagen later op het ministerie van Energie in de hoofdstad Brazzaville. Chollet is voor de ontwikkeling van het noorden van Congo een heel strategisch project, zegt directeur-generaal Jean-Marie Iwandza. 'We hebben stroom nodig voor de bevolking en om de delfstoffen te ontginnen. En Chollet is de enige geschikte locatie voor een dam.'

Iwandza zit in driedelig pak in zijn lederen stoel. De airco zoemt. De schade aan de natuur zal beperkt zijn, zegt hij, 'want er zal maar een heel klein stukje bos onderlopen.' En hoewel Congo en Kameroen al een principeakkoord over de dam hebben gesloten, zullen de milieu-effecten nog goed worden bekeken. Op de landkaart achter zijn rug is de dam al levensgroot ingetekend.

Op de terugweg van Golom Bai naar het kamp breekt een tropische regenbui los. Het olifantenpaadje dat onze patrouille volgt wordt een hindernisbaan van kniediepe modder, doornentakken en colonnes vuurmieren. Boven ons in de bomen gaat een troep franjeapen tekeer nadat de gids de kreet van een kroonarend heeft nagedaan. Het is of de apen voelen wat hun boven het hoofd hangt.

Beeld Ben van Raaij

Groeicorridors

Afrika zit vol grondstoffen. Het probleem is die eruit te halen. Mijnbouw-projecten als Mbalam-Nabeba beginnen altijd met de aanleg van wegen, spoorlijnen en havens. Die infrastructuur kan verdere ontwikkeling uitlokken. Projecten groeien zo, hopen regeringen, uit tot 'groeicorridors'.

De toekomstige Mbalam-Nabeba-groeicorridor zou volgens studies niet alleen grote voorraden ijzer en goud in de binnenlanden van Centraal-Afrika ontsluiten, maar ook nieuwe mogelijkheden bieden voor de houtindustrie, de cacaoteelt en de aanleg van palmolieplantages.

Het mijnbouwproject staat in de startblokken. Kameroen en Congo hebben Sundance (of beter, haar dochterbedrijven CamIron en Congo Iron) groen licht gegeven. Standard Bank (Zuid-Afrika) gaat de financiering regelen. Het Portugese Mota-Engil begint, als die financiering rond komt, eind dit jaar met de aanleg van de spoorlijn en de diepzeehaven bij Kribi, waarvoor het masterplan werd gemaakt door het Nederlandse ingenieursbureau Royal Haskoning DHV.

Een kink in de kabel zouden nog de prijzen van ijzererts op de wereldmarkt kunnen zijn. Die zijn sinds een piek in 2011 meer dan gehalveerd, en verdere prijsdalingen worden verwacht. Het is de reden waarom het vergelijkbare maar nog veel grotere Simandou-mijnproject in Guinee (20 miljard dollar, inclusief de aanleg van een spoorlijn en een diepzeehaven) voorlopig is aangehouden.

Landenmanager Bruno Pennetier van CamIron in Yaoundé wuift die zorgen weg. 'Wij hebben dit project zeer conservatief begroot, en die ijzerertsprijs gaat vanzelf weer stijgen. IJzer is geen product voor de korte termijn.'

Meer over