Het koele vuur van The Eagles

IN DE popbusiness van de jaren zeventig stegen ze tot ongenaakbare hoogte. Om drie redenen waren ze invloedrijke rolmodellen: ze traden op in hun dagelijkse kloffie, ze wilden absoluut geen flitsende lichtshows en ze stonden zo bewegingloos mogelijk op het podium....

De naam werd gekozen omdat die het meest klonk als Beatles. Toeval of niet, ze vulden de jaren zeventig zoals The Beatles de jaren zestig. De eagle (adelaar) is een oer-Amerikaans symbool, met mystiek en legenden omgeven. Hij staat ook op Amerikaans geld afgebeeld.

Geld was een belangrijke drijfveer voor de formatie van de groep. De leden waren al professionele muzikanten met een staat van dienst en ze plugden op het juiste moment in de industrie in. In september 1971 werden ze door David Geffen onder contract genomen bij zijn nieuwe Asylum Records. Geld, genotmiddelen en aasgieren zouden de carrière van The Eagles beheersen. Onderlinge ruzies versnelden het uiteenvallen van een bij leven al legendarische groep.

Voor het zover was, scoorden ze tussen 1972 en 1980 achttien megahits, waarvan vijf Amerikaanse nummers één. Er zijn absolute klassiekers bij, zoals Hotel California, Lying Eyes en

Heartache Tonight. Toch is Desperado, dat nooit een singlehit is geweest, The Eagles het meest ten voeten uit. Het beeld van de 'loner', de 'outlaw' die altijd zijn eigen weg kiest tegen alle goede adviezen in, is het beeld dat The Eagles bewust hebben gecreëerd. De eerste en laatste keer dat ze zich dat imago concreet aanmaten, was voor de hoesfoto van de tweede lp Desperado (1973). Daarna bleef het meer algemene beeld van de Einzelgänger het handelsmerk van TheEagles. Hun uitstraling was die van niet-meer-zo-jonge mannen die halsstarrig bleven weigeren 'volwassen' te worden. Prototypes van de oudere jongeren.

De sound van The Eagles is uit duizenden herkenbaar. Muzikaal kwamen ze niet uit het niets. Ze stonden in een traditie van Westcoast-acts, waarvan Crosby Stills Nash ( & Young) de onmiddellijke voorbeelden waren. Er is een doorgaande lijn van witte samenzanggroepen van de jaren zestig (Beach Boys, Byrds, Buffalo Springfield) naar The Eagles.

De individuen die de eerste Eagles zouden vormen - Don Henley, Glenn Frey, Randy Meisner en Bernie Leadon - speelden voor het eerst samen als begeleidingsband van de hippe Californische zangeres Linda Ronstadt. Het was maar voor een keer, maar de magie van die bezetting bleef in de herinnering hangen. Toch waren ze alle vier van verschillende muzikale achtergrond en geografische herkomst. 'Avocado Mafia', zo noemde de pers de toonaangevende creatieve scene van Los Angeles. In nachtclub de Troubadour trof die nieuwe voorhoede elkaar. De 'Troub' werd de stamkroeg van de latere Eagles. Het was de plaats waar men heen ging om gelijkgestemde muzikanten te vinden en waar voortdurend talentenjagers en groupies rondhingen.

De Troubadour was oorspronkelijk een jazzclub en vond zichzelf in 1961 na de verhuizing naar Santa Monica Boulevard opnieuw uit als folkclub. Eigenaar Doug Weston hield tot 1967 de club akoestisch, maar ging daarna mee in de hausse van de folkrock, country rock en singer-songwriters. Leden van de Byrds, Buffalo Springfield en Poco, en Joni Mitchell, Jackson Browne, Jim Morrison, Phil Ochs en Gram Parsons hebben er allemaal aan de bar gehangen en op het podium gestaan.

Niet daar, maar in het trendy skioord Aspen (Colorado), de favoriete buitenplaats voor de artistieke en bemiddelde drugsscene, werden The Eagles geboekt om wat meer samenspeelervaring op te doen. Vervolgens verscheepte Geffen de groep naar Engeland om met topproducer Glyn Johns (bekend van vele merseybeatproducties en de Stones) aan het debuutalbum te werken.

Johns gaf richting aan de groep, die wel eigen songs had, maar nog geen specifiek eigen geluid. Hij verbood alle drugsgebruik gedurende werktijd. Na intensieve repetities onder zijn leiding, waarbij de visie van de producer het won van de vier uiteenlopende opvattingen van The Eagles zelf - die in die tijd kennelijk nog niet zoveel praatjes hadden - werd de klus in twee weken voor 125 duizend dollar geklaard.

Na het verschijnen van de lp Eagles in juni 1972 speelde de groep een tijdlang in het voorprogramma van onder anderen Jethro Tull, Yes en de J. Geils Band. In hun smoezelige spijkerbroeken, werkoverhemden met opgerolde mouwen en afgetrapte gympen stonden de zelfbewuste Eagles hun vakmanschap uit te dragen.

In Madison Square Garden haalde Glenn Frey tijdens een optreden van The Eagles fel uit naar de hipste groep van New York op dat moment, de excentriek uitgedoste, muzikaal 'amateuristische' New York Dolls. De New Yorkse pers, inclusief het daar gevestigde rockblad Rolling Stone, maaide The Eagles daarop neer. 'Onbelangrijk', schreven ze unaniem. The Eagles hebben daarom vrijwel nooit meer in New York opgetreden.

Rolling Stone-criticus Greil Marcus noemde Asylum 'het label voor narcisten met zelfmedelijden'. Zijn collega Dave Marsh schreef nog in 1984 naar aanleiding van het tweede solo-album van Don Henley 'Building The Perfect Beast' dat hij fantastisch vond: 'In baseball noemen ze dat addition by substraction: gooi de middelmatige talenten eruit en laat het echte talent schitteren.'

De hoge creatieve productiviteit, het tourleven en de pressies van het vak braken de groep meermaals bijna op. De leden wilden na de bijna gewelddadige, definitieve breuk in oktober 1980 absoluut niets meer met elkaar te maken hebben. De hel zou nog eerder bevriezen.

Dat natuurverschijnsel vond plaats in 1994. MTV registreerde het 'Hell Freezes Over'-concert voor een vast kijkerspubliek dat de Eagles alleen kende van de Arbeidsvitaminen.

Voor de fans van weleer was het een onvergetelijke gebeurtenis. Gouden songs uit gouden kelen, perfect vakmanschap, nog altijd dat koele vuur van die explosieve karakters. Met Frey en Henley maakten Joe Walsh, Timothy B. Schmit en Don Felder de bezetting voor 'Hell Freezes Over' uit, aangevuld met de beste sessiemuzikanten. Er kwam een live cd. Maar de critici en de uitdelers van Grammy Awards waren niet enthousiast. Geen enkele nominatie werd gehonoreerd en de muziekpers schreef: 'Volslagen overbodig'.

To the Limit eindigt op 12 januari 1998 met de toetreding van alle leden van The Eagles tot de Rock-'n'-Roll Hall of Fame, als honderdste groep die die eer te beurt viel. Allen verschenen in rokkostuum, behalve Joe Walsh die een pak aanhad in baksteenprint. 'Een verdachte aangelegenheid', noemde Don Henley de ceremonie, vastbesloten het imago van Eaglemaniacs op deze glitteravond in het Waldorf Astoria Hotel in het vijandige New York trouw te blijven. Ze hadden geëist als top of the bill op te treden, en anders hoefde het niet.

Hotel California was het laatste nummer tijdens de laatste keer dat alle Eagles samen op hetzelfde podium musiceerden. Het duurde seconden, eeuwigheden, voordat na het slotakkoord het applaus in Hotel New York opklonk. Precies twintig jaar daarvoor had gastheer Andy Williams namens The Eagles de Grammy Award voor Hotel California als 'Plaat van het Jaar 1977' in ontvangst moeten nemen, omdat de groep niet naar een prijzenfeest wilde komen waarvan de winnaars ter plaatse pas bekend werden gemaakt. Zo arrogant of zo onzeker? Eliot durft het niet te zeggen.

Na The Eagles van John Swenson (1981) en The Long Run - The Story of The Eagles van Mark Shapiro (1995) mag Eliots biografie 'voorlopig definitief' heten. Eliot beschrijft ook uitgebreid de latere solocarrières van de Eagles en heeft insiderskennis. De discografie is voorbeeldig. Maar ook To the Limit stelt het pophistorisch dominante beeld van The Eagles als 'irrelevant' voor het vernieuwingsproces niet wezenlijk bij.

Lutgard Mutsaers

Marc Eliot: To the Limit - The Untold Story of the Eagles.

Little, Brown & Company, import Nilsson & Lamm; 370 pagina's; * 59,75.

ISBN 0 316 23370 6.

Meer over