Het kernidee voor een roman

Het bewonderenswaardige aan de essayist Umberto Eco ligt in zijn vermogen intellectuele ontvankelijkheid te combineren met beginselvastheid. Hij is onvermoeibaar nieuwsgierig, op het onbevangene af, maar hij beschikt tegelijkertijd over zekerheden....

Het moet iets met het Italiaanse onderwijs te maken hebben, of met de Italiaanse cultuur, of, nog weidser, de Italiaanse werkelijkheid. In dat onderwijs, in die cultuur en in die werkelijkheid is een grootse en een tot op aanzienlijke hoogte betrouwbare geschiedenis een gegeven. Wij staan met wat we doen op de schouders van reuzen, dat is op iedere straathoek te zien - en die reuzen staan stevig op de grond.

Ter hoogte van het Forum Romanum is niet alleen een respectabele partij marmer in de bodem geplant, er is ook een beschaving uitgevonden. De invloed van de dagelijkse omgang met marmer en de normen van die beschaving is over het hele schiereiland voelbaar, tot in Milaan en Bologna, de beide steden waar Eco woont en werkt, toe. Voor wie hier naar school gaat, zijn de klassieken van de cultuur een gegeven, ongeveer zoals het klimaat een gegeven is. Dat je ze moet kennen, staat niet ter discussie; gezever over de maximaal verdragelijke omvang van een leeslijst is Italianen vreemd.

Hun gedachten en hun werken zijn bovendien verderop in de straat of hooguit een stad of twee verder tot stand gekomen. Dat schept een andere verhouding tot die werken - en het geeft een zeker vertrouwen. Het geeft zelfs een zekere vertrouwelijkheid in de omgang ermee. Wie zijn Dante niet kent, is in Italië niemand, wie in het duister tast omtrent de fundamentele discussies die twee millennia terug in de Senaat hebben plaatsgevonden, staat niet alleen buiten de intellectuele orde, maar ook buiten de sociale. Gedachten, hoe revolutionair ook, staan in een continuüm van denken, ieder essay is een gedachtewisseling met de traditie zonder daar koket of beschroomd over te hoeven doen.

Het is aan iedere bladzijde van Eco's essays in Over literatuur te zien: zo zou geen Nederlander durven schrijven, zo zou geen Nederlander dat ook meer kunnen, zo rustig vertrouwend op een zeer uitgebreide canon en op de vertrouwdheid van lezers daarmee. Schrijft Eco over het symbool, dan is hij niet alleen de moderne en misschien zelfs langs de randen van het modieuze scherende semioticus, maar ook een filoloog uit een eerbiedwaardige traditie. Schrijft hij over literaire stijl, dan gaat het niet om het beschimpen van de stijltradities, maar om de natuurlijke wijze waarop eigentijdse stijlbreuken en stijlopvattingen voortkomen uit een heel lange traditie.

Het best is het te zien aan het openings- en het slotessay van deze bundeling, aan het essay 'Over enkele functies van de literatuur' en dat over zijn eigen uitgangspunten en werkwijze als auteur van literair proza, 'Hoe ik schrijf'.

In het eerste onderzoekt Eco de ruimte die de literatuur rest in een tijdperk van massavermaak en e-books, van visuele verhalenvertellerij en hypertext. Dat hij daar zo gemakkelijk mee omgaat en er zich ook zo voor interesseert, getuigt van die intellectuele ontvankelijkheid. Dat hij dat kán doen zonder in het gebruikelijke hysterische geklets te vervallen dat deze thema's aankleeft, komt doordat hij ook deze fenomenen tegemoet treedt met de ernst van de zeer belezen criticus. Die criticus ontleent aan zijn belezenheid inzicht en dus onderscheidend vermogen. Hoe de literatuur zich presenteert, doet er niet zoveel toe, het gaat om haar functies. Maar het gaat evenzeer om het respect en de trouw waarmee wij haar bejegenen: van de lezer mag iets verlangd worden.

In het afsluitende stuk, over zijn eigen romans, wordt diezelfde balans tussen het nieuwe en het vertrouwde van de andere kant benaderd. Een nieuwe roman is een schepping, maar die schepping kan het niet stellen zonder de talloze echo's van de reeds bestaande literatuur. Eco doet hier uit de doeken hoe de stijl van zijn De naam van de roos, De slinger van Foucault, Het eiland van de vorige dag en Baudolino tot stand is gekomen. Hij was, toen hij aan het schrijven van die romans begon, al een zeer vermaard geleerde; een blik op zijn website, waar zijn schier eindeloze bibliografie op staat afgedrukt, maakt duidelijk hoe vermaard en hoe omvangrijk zijn geleerdheid al was toen hij op middelbare leeftijd besloot romans te gaan schrijven.

Dat had hem als schrijver tot een gijzelaar van de traditie kunnen maken, maar het bevrijdde hem juist. Zijn kennis van stijlmogelijkheden en stijleffecten was zo groot, dat hij weloverwogen kon kiezen welke toon in welke romaneske omgeving het doeltreffendst zou zijn. Vanuit een kernidee, schrijft Eco, ontstaat de roman, maar zodra dat kernidee duidelijk is, komt het op stijlbewustzijn aan - op zoeken, oefenen, beproeven en ten slotte kiezen. Niet alleen de lezer en de essayist beoordelen het nieuwe vanuit hun gevormde overtuigingen, ook de scheppende schrijver kan slechts werken als hij voortborduurt op wat reeds bestaat.

En dus gaat de essayist Eco in de meeste van deze opstellen het gesprek met de vorigen aan, met Borges vooral, die andere grote moderne lezer die schrijver en essayist werd. Maar ook met Nerval, om te onderzoeken waarom de literatuur erin slaagt iets te zeggen over de nauwelijks te articuleren ervaringen van tussen dromen en waken in. Of over Joyce, bij wie dat articuleren op zichzelf weer iets van een delirium krijgt. Literatuurkritiek, literatuurwetenschap desnoods, krijgt bij Eco iets terug van de vormende, humanistische dimensie die ze traditioneel had, maar onder invloed van de academische zucht naar het specialisme opgaf. Specialisering betekent immers steeds meer weten over steeds minder. Dat komt het lezen niet ten goede.

Er kleven twee nadelen aan Eco's aanpak, en dus ook aan deze essays. Het eerste is dat ze gemakkelijker uitspraken doen over klassieke, gecanoniseerde literatuur dan over de levende, eigentijdse literatuur, waarover het oordeel nog niet is uitgekristalliseerd. Deze essays zijn vrijwel allemaal op verzoek en in opdracht geschreven, en Eco is als essayist hier zichtbaar het product van zijn eigen faam: hij wordt louter nog gevraagd voor het monumentalere werk. Het tweede nadeel is dat voor een Nederlandse lezer, verstoken van degelijk cultuuronderwijs en afgezonderd van de grote traditie, zijn essays meer annotatie behoeven dan ze nu kregen. Eco appelleert aan de belezenheid van Duitse, Engelse, Franse, Italiaanse en Spaanse lezers.

Nederlanders staan daarbuiten, beducht als ze zijn voor traditie en canon.

Meer over