Het kan ook zonder straatrumoer

De boekwinkels zijn overvol. De lokkertjes vallen direct op, de boeken uit de Top Tien. Deze legt de boekverkoper, op advies van de 'keten' waarvan zijn zaak deel uitmaakt, op de opvallendste plaats in zijn winkel....

Lang niet elke koper weet hoezeer hij, om met Elsschot te spreken, verneukt wordt met deze TopTienen, die immers geen gevolg zijn van een exceptionele verkoop, maar er juist toe dienen die op gang te brengen. Ze worden door de keten-inkopers opgesteld, voordat er nog maar één exemplaar van de vermelde boeken is verkocht.

Toch worden er nog steeds boeken gepubliceerd die door hun exclusieve, om niet te zeggen elitaire aura ongeschikt lijken voor massale afname. En het gekke is, dat sommige daarvan goed worden verkocht.

Daar zijn vele voorbeelden van te geven. De Metamorphosen van Ovidius, herinner ik me; de Sonnetten van Shakespeare; het werk van Frida Vogels (geholpen door de AKO-prijs); de Essays van Montaigne; de Verzamelde Gedichten van Ida Gerhardt.

Wie de moeite zou nemen dit eens precies uit te zoeken, zou in het enorme aanbod een luisterrijk pakketje boeken vinden, dat zowel van belang als verkoopbaar blijkt te zijn.

Worden zulke boeken ook gelezen? Ik ben ervan overtuigd dat ze dat worden, maar wie afgaat op de oppervlakkige signalen die hem - vooral via de televisie - bereiken, heeft de neiging dit te betwijfelen. De 'toegankelijkheid', die allerwege wordt geëist, het 'engagement' en de roep om meer 'straatrumoer' wekken de indruk dat er iets heel erg mis is. Maar ik denk dat dit vooral veroorzaakt wordt doordat degenen die geacht worden hier een bemiddelende rol te spelen, zèlf niet lezen.

Talkshow-figuren die het over boeken hebben - Michaël Zeeman niet te na gesproken - weten nauwelijks waarover ze het hebben, al doen hun redacties nog zo hun best hen 'bij te praten'. Uit de tijd dat die redacties nog niet zo omvangrijk waren herinner ik me, dat ik bij tijd en wijle werd gebeld door een wanhopige tv-interviewer die de boeken waarover het die avond in zijn programma zou gaan, (nog) niet had gelezen. Of ik even kon vertellen wat erin stond.

Het fascinerende probleem van de geestelijke luiheid bij de media drong zich op toen ik het blad Literatuur las, het tijdschrift over Nederlandse letterkunde, dat door hoogleraren Nederlands (slordig) wordt geredigeerd. Daarin schrijft Ton Anbeek, degene die alweer jaren geleden als eerste in een moment van onbedachtzaamheid om 'straatrumoer' in de letteren riep, een gevoelvol stuk over W. F. Hermans en Nescio.

Het zijn auteurs die zo op het oog niet zoveel met elkaar te maken hebben. Hermans heeft zich zelfs uiterst neerbuigend over Nescio uitgelaten (natuurlijk, omdat diens werk zo door Du Perron en Ter Braak werd gewaardeerd). Maar Anbeek, en dat is het aardige van zijn stuk, pluist geduldig uit hoe vaak Hermans in zijn werk naar Nescio verwijst, en concludeert dat beide auteurs veel van elkaar weg hebben als het erom gaat tot uitdrukking te brengen dat alle menselijk streven zinloos is.

Uit zo'n artikel blijkt dat het gezeur over straatrumoer - waaraan Hermans wèl, maar Nescio geenszins zijn steentje heeft bijgedragen - volstrekte flauwekul is als je je verdiept in de literatuur van niveau.

Anthony Mertens is een andere letterkundige die in deze aflevering van Literatuur ingaat op het geëmmer over het boek, dat tegenwoordig niet van de lucht is. Hij schetst wat hem overkwam toen hij van de universiteit naar de uitgeverij overstapte en daar dagelijks vreselijke manuscripten aantrof, van mensen die nog nooit een boek hadden gelezen (en dus ook niet kunnen schrijven).

Met veel gevoel voor ironie beeldt Mertens de uitgever af als iemand die 'wanhopig op zoek is naar Susan': 'Ze is vijfendertig, heeft filosofie gestudeerd en leest Bataille. Ze heeft iets van de achttiende-eeuwse libertijnse geest, in sexualibus. Van Voltaire weet ze Candide te waarderen, Susan cultiveert een zekere mate van onschuld. Daarentegen weet ze heel goed dat alles al is verteld en geschreven, zeker waar het om de liefde gaat. Casanova en Don Juan zijn haar favoriete typen: ze heeft er op zijn minst een studie over gelezen en ze vond het boek van Camille Paglia eertijds een eye-opener.'

Jankarel Gevers, manager van de Universiteit van Amsterdam, doet enigszins denken aan zo'n literaire Madonna, al lijkt hij er uiterlijk niet op.

Voltaire is ook zijn favoriet, vertelt hij in een gesprek met Jacqueline Bel, en lezen is voor hem, bij de uitvoering van zijn zware taak als universiteitsbestuurder, onontbeerlijk. Het liefst hield hij er morgen mee op, met besturen, om voortaan alleen nog maar te lezen, en vooral: te schrijven.

Misschien is de grote man daartoe extra gemotiveerd geraakt doordat hij nu alweer een paar jaar ziet welk volk bij de alma mater aanklopt: jongens en meisjes die ongetwijfeld veel overeenkomst vertonen met de middelbare scholieren aan wie de 24-jarige Conny van der Zande Nederlands geeft. 'Elke poging om de Nederlandse letterkunde aan de man te brengen', vertelt zij aan Annette Portegies, 'stuit op een muur van lamlendigheid en desinteresse'.

Op deze manier gaat Literatuur weer eens ergens over. Een stuk van Marianne Peereboom over de zeventiende-eeuwse arts en 'drekpoëet' Salomon van Rusting kan daar rustig aan worden toegevoegd. Iets meer moeite had ik met het op zichzelf boeiende onderwerp dat de musicoloog Emile Wennekes aansnijdt. Hij schrijft over 'muzikale verwijzingen in het werk van Frans Coenen en Frederik van Eeden', maar het theoretische keurslijf waarin hij zijn betoog wringt, sprak mij niet erg aan. Jef Bogman, met een stuk over het kleurgebruik van Paul van Ostaijen in zijn bundel De feesten van angst en pijn, deed me aanvankelijk opveren, maar viel uiteindelijk tegen. Ik begreep niet wat hij wilde beweren. Opnieuw een geval van 'derridaiaanse deconstructie'? Nee, dit is oio- of aio-taal en die heeft wel iets van het 'spreken in tongen'. Vive la science.

Willem Kuipers

Literatuur, 1995, nr. 1, ¿ 13,-.

Meer over