Het kan nog net

René Scholten - filmproducent zonder sigaar en Daimler - krijgt woensdag op het Nederlands Film Festival de Cultuurprijs. Hij is ongeneeslijk ziek, maar de plannen zijn er niet minder om....

door Jan Pieter Ekker

Producent René Scholten ontvangt op de openingsavond van het 21e Nederlands Film Festival, woensdag in Utrecht, de Cultuurprijs uit handen van staatssecretaris van Cultuur Rick van der Ploeg. Hij weet nog niet hoe hij het Gouden Kalf in ontvangst zal nemen. 'In een rolstoel is misschien prettiger dan wanneer ik daar sta te wankelen', aldus Scholten, bij wie vorig jaar longkanker werd geconstateerd.

Scholten (57) krijgt de Cultuurprijs vanwege zijn langdurige, intensieve inzet voor de Nederlandse film. Als producent bij Studio Nieuwe Gronden realiseerde hij films als Golven (Annette Apon, 1982), Ei (Danniel Danniel, 1988), In krakende welstand (Mijke de Jong, 1989), De kersenpluk (Arno Kranenborg, 1996) en De nieuwe moeder (Paula van der Oest, 1996). Daarnaast is hij voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Speelfilmproducenten (NVS) en lid van de Stichting ter bevordering van de Nederlandse speelfilmindustrie. 'Het festivalbestuur dacht misschien: het kan nog net. Je kunt ook denken: ik stond ergens op een lijstje en moest toch een keer aan de beurt komen. Bij leven en welzijn, kun je niet zeggen. Evengoed vind ik het leuk.'

Een jaar geleden kreeg Scholten last van zijn rug. Hij dacht dat het iets te maken had met een val van de trap in zijn kantoor aan de Amsterdamse Van Hallstraat, twintig jaar eerder, maar na een aantal onderzoeken werd een goedaardige tumor ontdekt. Voor de zekerheid werd een stuk long verwijderd. Na een week was Scholten weer thuis, maar hij bleef last van zijn rug houden. Een mri-scan wees uit dat er uitzaaiingen waren op zijn ruggenwervels. Bestraling volgde - de voorlopig laatste sessie was twee weken geleden. Zijn ziekte is ongeneeslijk, is hem verteld. De bestraling werkt vertragend en verzachtend. Morfine onderdrukt de ergste pijn. 'Het is een onduidelijke situatie. Ik ben afhankelijk van statistische kansberekening. Maar daar hoef je niet aan te voldoen. Je denkt dat de artsen het weten en het jou niet vertellen. Maar zij weten het ook niet.'

'Als ik er over een jaar nog ben, is dat mooi', zegt Scholten. Hij houdt thuis kantoor, vanuit een ziekenhuisbed in de woonkamer. Op de deur hangt een lange lijst met medicijnen die hij door de dag gebruiken moet.

In 1996 wijdde het Nederlands Film Festival een retrospectief aan Studio Nieuwe Gronden en René Scholten, die getypeerd wordt als producent zonder sigaar en zonder Daimler - hij heeft zelfs geen garage. Sindsdien is het er niet beter op geworden voor het soort films dat hij produceert. 'En het wordt alleen maar moeilijker om financiering van het filmfonds én een omroep rond te krijgen. Als de een ja zegt, zegt de ander nee. En omgekeerd.'

Scholten, die namens de NVS meedacht over de totstandkoming van de belastingmaatregelen voor de filmsector, is een van de weinige producenten die niet van het gunstige tij hebben geprofiteerd. Hij moppert op 'collega's van wie je in geen jaren hebt gehoord, die binnen no time de randen van de wet opzochten', en geeft toe 'soms best bewondering te hebben' voor producenten als Rob Houwer en Matthijs van Heijningen - die wél een goede sigaar roken.

'Ze moeten het maar doen zoals ze het doen. Ik zou het niet kunnen. Matthijs heeft dankzij de cv-regeling vier films kunnen maken waar hij al jaren mee rond liep. Ik had het ook zonder cv-geld kunnen doen - hij niet -, maar ik zou ze nooit gemaakt hebben.'

Scholten ziet tegenwoordig veel regisseurs die hij goed vindt tv-series maken in plaats van bioscoopfilms. 'Danniel Danniel maakt Russen. Wel mooi, maar geen speelfilm. En ik produceer een Telefilm, Polonaise, terwijl ik het liefst films voor de bioscoop wil maken.'

Sinds de omroepen zich op de Telefilm - televisiefilms waarvoor speciale subsidies zijn - hebben gestort, lijkt de productie van 'gewone' speelfilms erbij in te schieten. Voor Atlantis, een kleine film van zijn partner Digna Sinke, kan hij maar geen omroep vinden. 'Ik vraag me af of ik dit soort films nog kan maken. Het kan, maar alleen in zwartwit, op 16mm en met vrienden die voor niets werken.'

De bijdrage van de omroepen moet anders, vindt Scholten. De publieke omroep zou, het liefst samen met de commerciëlen en de televisiefondsen Stifo en CoBO, door de politiek gedwongen moeten worden een Omroepfilmfonds op te richten, waarin ze jaarlijks 'zo'n zestig miljoen' stoppen uit de aan hun toegekende middelen. De omroepen zouden dan een of twee keer per jaar hun keuze kunnen maken uit de berg nieuw geproduceerde films, die, zo benadrukt Scholten, zonder bemoeienis van omroepdramaturgen tot stand dienen te komen. 'Omroepdramaturgen hebben nu veel te veel invloed op films die bedoeld zijn voor de bioscoop.' Hij noemt zijn plan nu nog 'vloeken in de kerk', maar is optimistisch. 'Hier gaat het echt naar toe.'

Scholten heeft nog volop plannen. De rushes van Polonaise, geregisseerd door Nicole van Kilsdonk, bekeek hij dagelijks vanuit zijn bed, maar hij zal er 'toch uit moeten om de film in projectie te zien'. Hij onderhoudt contact met de omroepen over een aantal projecten, waaronder Waarom niet van de Iraniër Rajab Mohamadin ('Zeker zo moeilijk te realiseren als Atlantis') en werkt aan een internationale coproductie, Karel de Vijfde, naar een eerste scenarioversie van Jan Blokker ('Die zou ik moeten aanbieden aan Mike van Diem of Paul Verhoeven').

Het liefst wil hij het hele festival in Utrecht zijn, maar 'zijn lichaam en anders Digna wel' verbieden dat. 'Dan maar een paar keer op en neer.' Op de coproductiemarkt komt een producent die hij wil spreken over een scenario van Sinke. 'Zo goed en zo kwaad als het gaat, vind ik het nog steeds prettig met film bezig te zijn.'

Meer over