Het jaar van de smid

IK HAD een grootmoeder die er prat op ging dat haar vader in een of ander vroom, negentiende-eeuws dorp godsdienstleraar was geweest....

Daar moest haar man - mijn grootvader dus - niets van hebben. Hij was namelijk tot aan bijna de grens van het atheïsme de vrijzinnigheid toegedaan, en als mijn grootmoeder op verjaardagen voor de zoveelste keer over de devote status van die vader begon, gaf hij mij een knipoog en zei, tot haar woede:

'Ja, jongen, jouw overgrootvader was catechiseersmid.'

Prachtig woord natuurlijk.

Maar ik was misschien acht toen ik het voor het eerst hoorde, en in de jaren daarna raakte het steeds verder bedolven onder de tienduizenden veel minder prachtige woorden waarmee ik me in het taalverkeer overeind moest zien te houden, zodat het ten slotte in de donkerste krochten van mijn geheugen langzaam maar zeker helemaal tot stof zou zijn vergaan - als op 11 september 2001 de imam Abdullah Haselhoef niet was opgestaan.

De catechiseersmid van Allah.

Waar kwam hij vandaan?

Dat heeft toen niemand gevraagd, net zomin als de burgemeester van Köpernick in 1922 op het idee kwam om naar de papieren te vragen van een als garde-kapitein verklede schoenmaker, of de ambtenaren van het Russische provincienest een eeuw eerder naar het identiteitsbewijs van de grappenmaker die zich uitgaf voor revisor.

Mensen die een kwaad geweten hebben, vragen zulke dingen niet. En iedereen had in die dagen een kwaad geweten.

Dus werd Abdullah, die zich vermoedelijk telefonisch had aangemeld, door de Raad van Kerken uitgenodigd om te spreken tijdens een herdenkingsdienst voor de slachtoffers van de aanslagen in Amerika, en hij sprak van de kansel van de Utrechtse Domkerk zo wijs, zo menselijk en zo ontroerend, dat de tranen in de ogen schoten van minister-president Kok, van rabbijn Evers, van kroonprins Willem-Alexander, van diens verloofde Máxima, en van nog duizend andere hoogwaardigheidsbekleders die hij onder zijn gehoor had, en die zich allemaal aangesproken voelden in hun kwade geweten.

Het land smeekte als het ware om een moslim.

En witgemutst begon Haselhoef zijn lange mars door krant, radio en televisie. The medium is tenslotte the message.

Ik ben de tel kwijtgeraakt, maar ik geloof dat in het afgelopen seizoen alleen al in het Algemeen Dagblad bijna vijftig artikelen aan hem zijn gewijd. Weliswaar onthulde die krant later dat hij noch het gymnasium, noch een informatica-opleiding had afgemaakt en zich ook nooit imam had mogen noemen, maar dat was geen reden om hem verder met rust te laten.

Integendeel. Des te vaker verscheen hij met z'n zelfgevouwen tulband op de televisie om te vertellen of het waar was wat ze zeiden, en of het waar was wat hij zelf zei: dat homoseksuelen de doodstraf verdienden bijvoorbeeld, of dat Marokkanen op de Dam met een hakenkruisvlag moesten mogen zwaaien uit protest tegen Sharon.

Zou hij het vaakst ter verantwoording zijn geroepen door NOVA?

Ik denk 't, want daar weten ze al heel lang niet meer hoe ze elke avond dat halfuurtje moeten vullen.

Vandaar dus ook dat hij dit weekend nog eenmaal werd uitgenodigd om uit te leggen waarom hij zijn vermomming nu eindelijk heeft opgegeven, en dat Kees Driehuis haast wanhopig vroeg hij het voortaan zonder media dacht te stellen, d.w.z. hoe de media het in godsnaam voortaan zonder hem moesten doen.

Je hoorde vroeger weleens zeggen dat televisie van de wereld een global village heeft gemaakt. Daar moesten ze dus het dorp mee bedoeld hebben waar mijn overgrootvader catechiseersmid was.

Meer over